<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2021:4173</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-13T10:16:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08.051781.20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:4173">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:4173</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-08T13:33:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2021:4173 Rechtbank Overijssel , 08-11-2021 / 08.051781.20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2021:4173:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank Overijssel schat het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil. </para>
      <para />
      <para>Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2021:4172 ECLI:NL:RBOVE:2021:4174</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2021:4173:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team Strafrecht </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 08.051781.20</para>
      <para>Datum vonnis: 25 oktober 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,</para>
      <para>wonende in [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De vordering van de officier van justitie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 38.094,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de terechtzitting heeft de officier van justitie gerekwireerd tot afwijzing van de ontnemingsvordering, in het geval de vordering van de benadeelde partij in de strafzaak zou worden toegewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2021. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat in Borne, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven. Primair heeft zij verzocht om afwijzing van de ontnemingsvordering, gelet op de door haar bepleite vrijspraak in de strafzaak. Subsidiair heeft zij verzocht het ontnemingsbedrag vast te stellen op </para>
      <para>€ 15.072,70, omdat de veroordeelde het resterende bedrag al heeft terugbetaald aan zijn voormalige werkgever.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van de vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Veroordeling</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 8 november 2021 veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd</emphasis>. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel bestaat uit de verduistering van goederen die veroordeelde in zijn dienstbetrekking bij de [zorginstelling] bestelde bij de groothandel. De Stichting heeft in haar aangifte verklaard dat de veroordeelde voor ten minste € 38.094,00 aan levensmiddelen heeft besteld die niet ten goede zijn gekomen aan de voormalig werkgever. </para>
        <para>
          <?linebreak?>De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 38.094,00. Dit bedrag is gebaseerd op de mede aan de veroordeling ten grondslag liggende verklaring van de aangever – de voormalige werkgever van de veroordeelde – , die heeft verklaard dat de veroordeelde voor ten minste € 38.094,00 aan levensmiddelen heeft besteld die niet ten goede zijn gekomen aan de werkgever.<?linebreak?></para>
        <para>De rechtbank heeft bij vonnis van 8 november 2021 een schadevergoeding toegekend aan de benadeelde partij waarin onder meer is opgenomen het gevorderde bedrag van € 38.094,- voor de verduisterde goederen. De rechtbank heeft aan veroordeelde voor € 63.757,90 een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opgelegd.<?linebreak?></para>
        <para>Hoewel thans nog niet onherroepelijk in rechte is vastgesteld wat de veroordeelde aan de benadeelde derde verschuldigd is, houdt de rechtbank rekening met de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de schadeloosstelling van de benadeelde partij<footnote-ref linkend="_b662ad05-5b90-428f-91d2-f0ff6aef35f5" />. Het voorgaande brengt met zich dat de omvang van het bedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel na aftrek van de toegekende vordering nihil is. Aan veroordeelde zal dan ook geen betalingsverplichting aan de Staat worden opgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De vaststelling van de betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande zal aan verdachte geen betalingsverplichting aan de Staat worden opgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil;<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>stelt de betalingsverplichting aan de Staat op nihil. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door S.K. Huisman, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. J.T. Pouw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Buiten staat</para>
      <para>Mr. J.T. Pouw is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b662ad05-5b90-428f-91d2-f0ff6aef35f5" label="1">
    <para> HR 09-09-1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>