<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2021:3190</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-12T11:32:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9013935 \ CV EXPL  21-305</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:3190">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:3190</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-12T11:31:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2021:3190 Rechtbank Overijssel , 03-08-2021 / 9013935 \ CV EXPL  21-305</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2021:3190:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Overeenkomst van geldlening. Gedaagde niet geslaagd in bewijsopdracht dat hij ter aflossing van de lening meer heeft betaald aan eiser dan eiser stelt te hebben ontvangen van gedaagde. </para>
        <para>De vordering wordt toegewezen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2021:3190:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 9013935 \ CV EXPL  21-305 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 3 augustus 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. Th. van Wijngaarden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij, </para>
      <para>verschenen in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het tussenvonnis van 9 maart 2021, </para>
      <para>- de mondelinge behandeling, gehouden op 11 mei 2021 via een Skype-verbinding, waarbij zijn verschenen [eiser] , bijgestaan door mr. Van Wijngaarden en [gedaagde] , vergezeld van zijn partner,</para>
      <para>- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 mei 2021,</para>
      <para>- de akte uitlating van de zijde van [gedaagde] van 28 mei 2021,</para>
      <para>- de akte uitlating van de zijde van [eiser] van 22 juni 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.<?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 21 september 2015 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] van [eiser] per 1 oktober 2015 de onderneming ‘ [naam onderneming] ’ heeft gekocht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De verkoopprijs van de onderneming is € 20.000,00 met als grondslagen de waarde van de bedrijfsauto voor € 5.000,00 en € 15.000,00 aan goodwill. Ter betaling van de koopprijs van € 20.000,00 hebben partijen op 21 september 2015 een geldleningsovereenkomst gesloten.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>In de geldleningsovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Art. l</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">-l Geldnemer verklaart wegens per heden ter leen ontvangen gelden verschuldigd te zijn</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan geldgever een som van € 20.000;</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">-2 Geldnemer is vanaf 1 oktober 2015 over de hoofdsom of het onafgeloste deel daarvan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">een interest verschuldigd van 7% per jaar te voldoen bij achterafbetaling in</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">maandelijkse annuitaire termijnen van € 617,55, waarvan de eerste termijn vervalt op 31</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">oktober 2015, de volgende op 30 november 2015 en zo vervolgens.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verschuldigde rente wordt achteraf berekend over het bedrag van de lening.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het overeengekomen rentepercentage geld voor de gehele looptijd, te rekenen vanaf 1</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">oktober 2015.</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">-3 De aflossing van de lening zal geschieden op annuïtaire basis conform een in de bijlage</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gevoegd schema.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">-4 De lening heeft een looptijd van 3 jaar, gerekend vanaf 1 oktober 2015.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van </para>
        <para>€ 14.816,31, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 7% per jaar over </para>
        <para>€ 13.078,23 vanaf 13 januari 2021 tot de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan de vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de aan hem door [eiser] uitgeleende geldsom niet volledig heeft terugbetaald. De restantschuld bedraagt per 30 april 2020 een bedrag van € 13.078,23. Ook vordert [eiser] een bedrag van € 642,09 aan wettelijke rente, berekend tot en met 12 januari 2021 en een bedrag van </para>
        <para>€ 1.095,99 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daarmee komt het totaal gevorderde bedrag uit op € 14.816,31.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Hij heeft naar voren gebracht dat [eiser] klanten aan hem heeft verkocht die van [A] waren, zodat hij voor dezelfde klanten zowel aan [A] als aan [eiser] betaald. Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij de bedrijfsauto die hij van [eiser] heeft gekocht voor een bedrag van € 5.000,00 na drie weken al naar de sloop kon brengen. [eiser] heeft verder aan [gedaagde] verteld dat hij zo’n € 1.600,00 per maand zou verdienen, terwijl hij nog geen € 800,00 per maand verdient. [gedaagde] heeft inmiddels ruim € 14.500,00 aan [eiser] betaald, dus het klopt niet dat [eiser] nog een bedrag van € 15.000,00 vordert.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet heeft betwist dat hij ter betaling van de koopprijs van € 20.000,00 met [eiser] op 21 september 2015 een geldleningsovereenkomst is aangegaan. Partijen verschillen ten eerste van mening over de vraag welk bedrag [gedaagde] al aan [eiser] heeft betaald aan aflossing van deze geldlening. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Betalingen</emphasis>
          <?linebreak?>4.2.Uit het betalingsoverzicht van [eiser] blijkt dat [gedaagde] € 12.100,00 aan [eiser] heeft betaald. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat hij al € 14.500,00 aan [eiser] heeft betaald. Partijen verschillen dus van mening over een bedrag van </para>
        <para>€ 2.400,00. De kantonrechter heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van zijn stelling dat hij € 2.400,00 meer heeft betaald aan [eiser] dan [eiser] stelt te hebben ontvangen van [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] daarin niet is geslaagd. [gedaagde] heeft namelijk bij akte van 28 mei 2021 lijsten van broodbestellingen in het geding gebracht, maar hieruit kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden afgeleid dat [gedaagde] € 2.400,00 meer heeft betaald aan [eiser] dan [eiser] stelt te hebben ontvangen van [gedaagde] . Deze overzichten leveren dus geen bewijs op. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van het betalingsoverzicht van [eiser] en stelt dan vast dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van de hoofdsom van € 13.078,23. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bedrijfsauto</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft naar voren gebracht dat de verkoopprijs van de bedrijfsauto € 5.000,00 was en dat hij deze na drie weken al naar de sloop kon brengen. Voor zover [gedaagde] met deze stelling een beroep wenst te doen op non-conformiteit en daarmee op (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst, oordeelt de kantonrechter als volgt. [eiser] stelt dat [gedaagde] niet tijdig heeft geklaagd over de bedrijfsauto omdat hij pas voor het eerst bij </para>
        <para>e-mailbericht van 3 juni 2020 heeft geklaagd, terwijl de koopovereenkomst is gesloten op 21 september 2015. [gedaagde] stelt dat hij wel eerder mondeling heeft geklaagd bij [eiser] , maar hij kan niet onderbouwen wanneer dat is geweest. De kantonrechter gaat er dan vanuit dat [gedaagde] voor het eerst op 3 juni 2020 heeft geklaagd over een mogelijk gebrek aan de bedrijfsauto. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] daarmee niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd en (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst is dan ook niet mogelijk.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dwaling/bedrog</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft daarnaast naar voren gebracht dat [eiser] hem heeft verteld dat hij € 1.600,00 per maand zou verdienen, terwijl [gedaagde] stelt dat hij nog geen € 800,00 per maand verdient. Voor zover [gedaagde] zich met deze stelling wenst te beroepen op dwaling en/of bedrog oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] daartoe onvoldoende heeft gesteld. Bovendien ligt het op de weg van [gedaagde] , als koper, om onderzoek te doen naar de economische positie van het bedrijf. Dat de economische positie van het bedrijf wellicht minder rooskleurig is dan [gedaagde] door [eiser] heeft voorgespiegeld gekregen, kan niet zonder toelichting een geslaagd beroep op dwaling of bedrog opleveren. Aan de stelling van [gedaagde] dat [eiser] klanten aan hem heeft verkocht die van [A] waren en dat hij voor dezelfde klanten heeft moeten betalen aan zowel [A] als aan [eiser] gaat de kantonrechter voorbij, aangezien [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat hij bij het aangaan van het contract met [eiser] wist dat hij ook een contract met [A] moest ondertekenen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat [gedaagde] de rente dient te betalen zoals is in artikel 1 lid 2 van de geldleningsovereenkomst staat, namelijk 7% per jaar over de hoofdsom of het onafgeloste deel daarvan. [eiser] vordert de rente van 7% per jaar vanaf 1 mei 2020. De rente bedraagt tot en met 12 januari 2021 € 642,09. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de wettelijke rente en de kantonrechter oordeelt dan ook dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van de gevorderde rente.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert een bedrag van € 1.095,99 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiser] heeft aan [gedaagde] op 24 november 2020 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal daarom worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dagvaarding		€ 107,70</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>griffierecht		€ 507,00</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>salaris gemachtigde	<emphasis role="underline">€ 746,00 (2 punten x tarief € 373,00)</emphasis></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Totaal			€ 1.360,70	</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.816,31, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 7% per jaar over € 13.078,23 vanaf 13 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.360,70 waaronder € 746,00 aan salaris gemachtigde,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021. (ef)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>