<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2021:3146</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-06T10:21:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9010799 \ CV EXPL  21-278</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:3146">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:3146</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-06T10:19:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2021:3146 Rechtbank Overijssel , 27-07-2021 / 9010799 \ CV EXPL  21-278</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2021:3146:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering tot betaling van zorgverzekeringspremie – niet is komen vast te staan dat sprake is van een betalingsachterstand met betrekking tot de premies voor augustus en september 2020 – het had op de weg van eiseres gelegen om de stelling dat de betalingsachterstand al vóór 2020 is ontstaan nader te onderbouwen – de vordering wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2021:3146:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 9010799 \ CV EXPL  21-278 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 27 juli 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap <emphasis role="bold">MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.</emphasis>,<?linebreak?>gevestigd en kantoorhoudende te Wageningen,</para>
      <para>eisende partij, hierna te noemen Menzis,</para>
      <para>gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. D.P. Kant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding van 19 januari 2021 met producties,</para>
      <para>- de conclusie van antwoord van 16 februari 2021 met producties,</para>
      <para>- de conclusie van repliek van 30 maart 2021 met producties,</para>
      <para>- de conclusie van dupliek 1 juni 2021 met producties,</para>
      <para>- de akte uitlating producties van Menzis van 29 juni 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.<?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft een zorgverzekering afgesloten bij Menzis. Op grond daarvan is [gedaagde] premie verschuldigd aan Menzis.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <bridgehead role="italic">Vordering</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Menzis vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om een bedrag van € 137,82 aan haar te betalen (bestaande uit € 246,00 aan hoofdsom, € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, € 8,40 aan omzetbelasting over de buitengerechtelijke incassokosten en € 1,96 aan wettelijke rente ex artikel 6:119 BW berekend tot 19 januari 2021, minus het reeds betaalde bedrag van € 158,54), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 137,82 vanaf 19 januari 2021 tot de dag van volledige voldoening, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Menzis legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen haar en [gedaagde] een zorgovereenkomst bestaat op grond waarvan [gedaagde] premie verschuldigd is. Zij stelt bij dagvaarding dat [gedaagde] over de maanden augustus en september 2020 in totaal een bedrag van € 246,00 aan premie verschuldigd is en dat hij daarop een bedrag van € 158,54 heeft betaald. Het resterende bedrag heeft [gedaagde] volgens Menzis echter – ondanks aanmaning – niet betaald. Daarnaast stelt Menzis dat [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is vanaf de verzuimdatum en maakt Menzis aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten omdat zij haar vordering uit handen heeft moeten geven aan haar incassotussenpersoon.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verweer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert bij antwoord als verweer aan dat de premie al betaald is. Hij stelt dat hij contact heeft gehad met Menzis en dat zij heeft aangegeven dat de premiebetaling en het inschakelen van de deurwaarder langs elkaar heen zijn gelopen en dat er geen achterstand is.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Menzis heeft bij repliek een premie- en betaaloverzicht in het geding gebracht. Volgens Menzis volgt voormelde betalingsachterstand daaruit. [gedaagde] heeft bij dupliek twaalf betaalbewijzen overgelegd, waaruit blijkt dat hij in 2020 twaalf keer een bedrag van € 125,00 aan Menzis heeft overgemaakt. Hij stelt dat hij daarmee alle in 2020 aan Menzis verschuldigde premies heeft betaald en dat hij ook in 2019 geen betalingsachterstand heeft gehad. Menzis erkent dat [gedaagde] in 2020 twaalf keer een bedrag van € 125,00 heeft overgemaakt, maar voert aan dat op 1 januari 2020 nog een bedrag van € 97,46 open stond. Volgens Menzis had [gedaagde] de premie voor december 2019 namelijk (nog) niet volledig betaald. Uit het premieoverzicht dat Menzis bij repliek heeft overgelegd blijkt dat Menzis een deel van de betaling van [gedaagde] in januari 2020 heeft toegerekend aan de premie voor december 2019 en een deel aan de premie voor januari 2020. De betalingen die daarna volgden zijn door Menzis steeds gedeeltelijk toegerekend aan de premie voor de ene maand en gedeeltelijk aan de premie voor een andere maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt vast dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een betalingsachterstand met betrekking tot de premies over de maanden augustus en september 2020. Naar de kantonrechter nu uit het nadere premie- en betalingsoverzicht van Menzis begrijpt, is de betalingsachterstand volgens Menzis al vóór 2020 ontstaan. Het had op de weg van Menzis gelegen die (nadere) stelling nader te onderbouwen. Nu Menzis dat heeft nagelaten zal de vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Menzis zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 75,00 aan salaris van de gemachtigde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De door [gedaagde] bij dupliek gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal als op de wet gegrond en niet weersproken worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De door [gedaagde] bij dupliek gevorderde nakosten worden toegewezen, nu de proceskostenveroordeling hier een executoriale titel voor geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. Die kosten worden zoals gebruikelijk begroot op een bedrag gelijk aan een half salarispunt van het in de hoofdzaak toegewezen salaris, met een maximum van € 124,00. Dat leidt in dit geval tot toewijzing van een bedrag van € 37,50.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt Menzis in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 75,00 aan salaris van de gemachtigde, en indien Menzis niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, de nakosten begroot op € 37,50 (½ punt liquidatietarief) aan nasalaris, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van het onder 5.2 bepaalde.</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2021. </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>