<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2021:1041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-11T09:23:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">242500 / HA ZA 20-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOVE:2020:4652" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2020:4652</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:1041">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:1041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-11T09:20:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2021:1041 Rechtbank Overijssel , 03-03-2021 / 242500 / HA ZA 20-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2021:1041:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eindvonnis. Gedaagden hebben in deze procedure eerder om uitstel gevraagd, maar daarna niet meer inhoudelijk gereageerd. Bij tussenvonnis van 23 december 2020 (ECLI:NL:RBOVE:2020:4652) is eiseres in de gelegenheid gesteld om toe te lichten welk bedrag haar op grond van artikel 477a lid 2 Rv zou moeten toekomen. Gedaagden worden dan ook hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan eiseres.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2021:1041:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 242500 / HA ZA 20-19</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 3 maart 2021 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap onder firma </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,<?linebreak?>gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,</para>
      <para>advocaat: mr. A.M.C.C. Verblackt</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de besloten vennootschap</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">ULFCAR BENELUX BV</emphasis>,<?linebreak?>gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,</para>
    <para>2. de stichting</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR MAYMOUNT</emphasis>,<?linebreak?>gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,</para>
      <para>gedaagde partijen, hierna te noemen Ulfcar en Maymount,</para>
      <para>advocaat: mr. E. Jacobson, onttrokken bij bericht van 6 oktober 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het tussenvonnis van 23 december 2020;</para>
      <para>- de akte van 29 januari 2021 van de zijde van [eiseres] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling in de bodemzaak</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij tussenvonnis van 23 december 2020 is [eiseres] in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten wat op grond van artikel 477a lid 2 Rv aan haar zou moeten toekomen, nu Ulfcar en Maymount in deze procedure niet inhoudelijk hebben gereageerd en dus geen gerechtelijke verklaring hebben afgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij akte van uitlating van 29 januari 2021 heeft [eiseres] de rechtbank verzocht om het bedrag dat Ulfcar en Maymount aan [eiseres] dienen te betalen, vast te stellen op een bedrag van € 34.507,20, waarvan € 33.828,25 op basis van het vonnis van deze rechtbank van 17 april 2019 en € 678,95 aan executiekosten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ulfcar en Maymount hebben in deze procedure geen inhoudelijk verweer gevoerd of een gerechtelijke verklaring afgelegd. De rechtbank zal Ulfcar en Maymount dan ook hoofdelijk, in die zin dat indien de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 34.507,20 aan [eiseres] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Ulfcar en Maymount zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.458,83 (waarvan € 81,83 aan dagvaardingskosten, € 656,00 aan griffierecht en € 721,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 721,00)).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing in de bodemzaak</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt Ulfcar en Maymount hoofdelijk, in die zin dat indien de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 34.507,20; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt Ulfcar en Maymount in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.458,83;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2021.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>