<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2020:4657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-31T14:28:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/08/250622 HA ZA 20-270</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:4657">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2020:4657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-31T14:26:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2020:4657 Rechtbank Overijssel , 23-11-2020 / C/08/250622 HA ZA 20-270</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2020:4657:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2020:4657:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Wrakingskamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: C/08/250622 HA ZA 20-270</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 23 november 2020 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] B.V.</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te Borne,</para>
      <para>hierna te noemen: [verzoekster] ,</para>
      <para>advocaat: mr. C.G. Mensink te Borne,</para>
      <para>verzoekster tot wraking,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij brief van 23 oktober 2020, gewijzigd per brief van 26 oktober 2020, heeft [verzoekster] het verzoek tot wraking gedaan van mr. D.L. Westendorp, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder nummer C/08/250622 HA ZA 20-270. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Mr. Westendorp heeft niet berust in de wraking; zij heeft haar standpunt bij brief van 30 oktober 2020 toegelicht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het wrakingsverzoek van [verzoekster] is behandeld op 9 november 2020. </para>
        <para>De rechters, de griffier, de advocaat van verzoekster en de advocaat van [naam] (de wederpartij van [verzoekster] in de onderliggende procedure), waren met elkaar verbonden via Skype. De advocaat van [verzoekster] heeft het verzoek mondeling toegelicht. De advocaat van [naam] heeft daarop gereageerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoekster] heeft aan het verzoek het volgende ten grondslag gelegd. [verzoekster] heeft [naam] gedagvaard op 24 juni 2020. In de procedure stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat er in maart 2020 een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [verzoekster] , [naam]  en een derde partij voor de levering van mondkapjes, maar dat [naam] de overeenkomst niet is nagekomen. </para>
      <para>De derde partij heeft haar vorderingen op [naam] aan [verzoekster] gecedeerd. [naam] erkent in de conclusie van antwoord dat er overleg is geweest tussen partijen maar stelt dat uiteindelijk geen overeenkomst tot stand is gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 21 oktober 2020 heeft Mr. Westendorp een tussenvonnis gewezen, waarin is bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden en dat deze zal plaatsvinden onder haar leiding.</para>
      <para>In het tussenvonnis is overwogen:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De mondelinge behandeling zal in beginsel volgens de navolgende agenda verlopen:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">III	Vragen van de rechter, onder meer met betrekking tot:</emphasis>
        </para>
        <para>a. <emphasis role="italic">het overleg tussen partijen over mogelijke levering van mondkapjes</emphasis></para>
        <para>b. <emphasis role="italic">de hoedanigheid van partijen in dat overleg</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>c. <emphasis role="italic">de vraag of er overeenstemming is bereikt, en zo ja, waarover.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de bewoordingen van het tussenvonnis blijkt dat mr. Westendorp reeds ten tijde van het schrijven van het tussenvonnis tot de conclusie is gekomen dat er weliswaar een overleg is geweest tussen partijen, maar dat dit overleg uitsluitend ging over de <emphasis role="italic">mogelijke</emphasis> levering van mondkapjes. Zij oordeelt dus reeds dat van de totstandkoming van de overeenkomst niet is gebleken. Volgens [verzoekster] ging het overleg echter over <emphasis role="italic">de levering</emphasis> van mondkapjes en niet over de <emphasis role="italic">mogelijke levering</emphasis>.</para>
        <para>Mr. Westendorp lijkt dus in het tussenvonnis al te hebben geoordeeld dat [verzoekster] onvoldoende bewijs heeft geleverd van haar stellingen. Mr Westendorp zal dus waarschijnlijk de vorderingen afwijzen of aan [verzoekster] een bewijsopdracht verlenen. De conclusie dat mr. Westendorp vooringenomen is, is daarom gerechtvaardigd en [verzoekster] vreest geen eerlijke kans te krijgen bij de nog te houden mondelinge behandeling en het te wijzen (eind) vonnis.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van mr. Westendorp</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. Westendorp stelt dat er sprake is van een misverstand over de agenda in het tussenvonnis. Het doel van de agenda is partijen beter in staat te stellen zich voor te bereiden op de zitting. Het feit dat over de genoemde onderwerpen vragen zullen worden gesteld, wijst er juist op dat zij nog niet over voldoende informatie beschikt om een oordeel te kunnen vormen en dat zij die informatie wel relevant acht. </para>
      <para>Bij het maken van een agenda gebruikt mr. Westendorp bewust termen als ‘al dan niet’, ‘eventueel’ of ‘mogelijk’ waar het gaat om onderwerpen die in geschil zijn, zoals in dit geval met de mondkapjes. Onder c is nog eens expliciet aan de orde gesteld dat ter zitting gesproken moet worden over de vraag of overeenstemming is bereikt en zo ja, waarover. Het benoemen van die vraag betekent dat nog niet duidelijk is of er afspraken zijn gemaakt en hoe die luiden. Van een objectief gerechtvaardigde vrees voor (schijn van) vooringenomenheid is geen sprake. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van [naam]</title>
    <para />
    <parablock>
      <para> ziet geen reden om op grond van het tussenvonnis te twijfelen aan de onpartijdigheid van mr. Westendorp. De vragen die in het vonnis zijn genoemd onder III kunnen taalkundig op meerdere manieren worden uitgelegd. Als er staat ‘mogelijke levering’ kan dat zijn mogelijk wel of mogelijk niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het staat de rechter vrij om vragen te stellen. Overleg tussen partijen over mogelijke levering van mondkapjes is aan de orde geweest, dus uit die formulering blijkt geen vooringenomenheid.</para>
      <para>Dat partijen weten waaraan op de zitting aandacht zal worden besteed, is juist goed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.</para>
        <para>Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat er sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.</para>
        <para>Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien – geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak – de bij de partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan het wrakingsverzoek ligt ten grondslag de vrees van verzoekster dat uit de tekst van het tussenvonnis blijkt dat mr. Westendorp al een oordeel over de zaak heeft gevormd. De wrakingskamer stelt voorop dat mr. Westendorp in het vonnis, in 2.3. onderdeel III, in algemene termen heeft omschreven waarover zij vragen wil stellen tijdens de zitting. </para>
        <para>Een zittingsagenda heeft onder meer als doel om partijen in staat te stellen zich voor te bereiden op de zittingen en om te voorkomen dat partijen ter zitting worden verrast door onderwerpen die aan de orde komen. Bij het formuleren van de zittingsagenda komt de rechter een zekere vrijheid toe, juist omdat het nog niet gaat om een beoordeling van de stellingen van partijen of om de vaststelling van feiten, maar slechts om het op voorhand benoemen van te bespreken punten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De omschrijving onder a. <emphasis role="italic">het overleg tussen partijen over mogelijke levering van mondkapjes</emphasis> bevestigt naar het oordeel van de wrakingskamer juist dat mr. Westendorp nog niet tot een conclusie is gekomen over vaststaande feiten, zeker in combinatie met de onder c. opgenomen vraag <emphasis role="italic">of er overeenstemming is bereikt en zo ja, waarover.</emphasis></para>
        <para>Het tussenvonnis laat alle mogelijke uitkomsten nog open. Er is geen reden om op grond van de tekst aan te nemen dat al door de rechter is geoordeeld dat de stellingen van [verzoekster] onvoldoende onderbouwd zijn, zodat op voorhand duidelijk is dat ofwel de vorderingen zullen worden afgewezen of dat [verzoekster] een bewijsopdracht krijgt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het licht van doel en strekking van het comparitievonnis is er geen sprake van vooringenomenheid en de aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegde vrees is dus niet terecht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat betekent dat de bij verzoekster gewekte schijn van partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De conclusie is dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst het verzoek tot wraking af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. Van Houten, Schreuder en Kuipers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Reesink en uitgesproken op 23 november 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>