<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2019:4892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-10T11:40:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ak_zwo_19_1052</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:4892">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:4892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-10T11:39:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2019:4892 Rechtbank Overijssel , 23-12-2019 / ak_zwo_19_1052</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2019:4892:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging WIA-uitkering. CVS/ME. Ongegrond beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2019:4892:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 19/1052</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: J.E. Eshuis,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)</emphasis>, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: J. van Dalfsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 26 maart 2019 beëindigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank ontleent aan het dossier de volgende feiten en omstandigheden. </para>
    <para>Eiseres was werkzaam als [functie] voor 29,35 uur per week bij Novon Schoonmaak Gebouwen B.V. Op 26 augustus 2013 heeft eiseres zich ziek gemeld vanwege vermoeidheidsklachten en psychosociale problemen. Per einde (verlengde) wachttijd in 2016 is aan eiseres een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,79%. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op verzoek van de werkgever heeft verweerder een herbeoordeling gedaan. </para>
      <para>Na verzekeringsgeneeskundig- en arbeidskundig onderzoek heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals die hierboven onder ‘Procesverloop’ is uiteengezet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.</para>
    <para />
    <para>3.  	Eiseres stelt zich op het standpunt - samengevat weergegeven - dat haar beperkingen</para>
    <para>vanwege CVS/ME door de verzekeringsartsen worden onderschat. De functionele mogelijkheden lijst (FML) is gezien de beperkingen van eiseres dan ook niet juist, vooral vanwege het feit dat geen urenbeperking is opgenomen. Volgens eiseres is er reden te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen, omdat hun rapporten er geen blijk van geen dat zij bekend zijn met de actuele ontwikkelingen inzake CVS/ME. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres overgelegd:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een rapport van professor [deskundige 1], cardioloog, werkzaam bij Stichting Cardiozorg, gedateerd 16 augustus 2019;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een rapport van dr. [deskundige 2], cardioloog, werkzaam bij Stichting Cardiozorg, gedateerd 16 augustus 2019;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een beleidsstuk UWV 2018 “de beoordeling van cliënten met ME/CVS bij UWV”.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van de in beroep overgelegde medische informatie heeft verweerder een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gedateerd 16 september 2019, ingediend. Eiseres heeft als reactie op dit rapport, een rapport van [deskundige 2] ingediend, gedateerd 29 september 2019. Verweerder heeft hierop gereageerd met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gedateerd 15 oktober 2019.Verweerder heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 17 oktober 2019 verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.  	De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Aan het bestreden besluit ligt een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag. De verzekeringsarts heeft eiseres zelf gesproken tijdens het spreekuur op 2 november 2018. Daarbij heeft zij eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft zij de beschikbare medische informatie in haar beoordeling betrokken. De verzekeringsarts heeft haar conclusies voldoende begrijpelijk neergelegd in de rapportage van 5 november 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een dossieronderzoek verricht en recente medische informatie van de huisarts, de psychiatrisch verpleegkundige en verpleegkundig specialist meegewogen. Verder heeft hij eiseres gesproken op de hoorzitting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn visie voldoende inzichtelijk gemaakt in de rapportage van 6 mei 2019. Uit wat eiseres aanvoert, volgt niet dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>Niet in geschil is dat eiseres bekend is met een combinatie van aandoeningen, waaronder ME/CVS. Dat en in hoeverre zij hierdoor in medisch opzicht beperkt belastbaar is, is niet alleen zorgvuldig beoordeeld, maar ook navolgbaar verwoord in de rapporten die dienen ter medische onderbouwing van het bestreden besluit. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de FML. De verzekeringsarts heeft aangenomen dat eiseres bekend is met vermoeidheidsklachten die zijn toegeschreven aan CVS, een hartritmestoornis en een spastisch colon. Verder zijn er (ten opzichte van 2016) klachten bijgekomen in de vorm van hypertensie, eczeem, status na peesontsteking schouders en kaakontstekingen, huisstofmijt- en pollenallergie en wisselende bloedsuikers. De verzekeringsarts heeft aangenomen dat bij eiseres nog steeds sprake is van beperkingen als gevolg van ziekte en/of gebrek. In grote lijnen zijn de beperkingen volgens de verzekeringsarts niet wezenlijk anders dan bij de beoordeling in 2016, maar er zijn wel nuanceverschillen. Volgens de verzekeringsarts is het belangrijkste verschil met de eerdere beoordeling in 2016 dat er geen medische noodzaak meer is voor een urenbeperking mits er rekening wordt gehouden met de beperkingen. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden dat werk fysiek licht is en de druk/stress niet te groot is, dan moet eiseres volgens de verzekeringsarts een normale werkweek kunnen werken. De verzekeringsarts heeft daarbij gewezen op het dagverhaal van eiseres. Daaruit blijkt dat zij op een normale dag actief is, waarbij ze tussendoor wel rustig op een stoel kan zitten, maar niet daadwerkelijk naar bed gaat om te slapen. Verder heeft de verzekeringsarts aangenomen dat bij eiseres geen sprake is van een ernstige medisch objectiveerbare aandoening van energetische aard, een aandoening die gepaard gaat met een verlengde recuperatietijd of een aandoening waarbij het preventieve aspect aan de orde is. Ook is de beschikbaarheid niet in het geding. Met inachtneming van de Richtlijn Duurbelastbaarheid in Arbeid bestaat er volgens de verzekeringsarts geen reden om een urenbeperking aan te nemen. Wisselende diensten en overwerk zijn niet aan te raden. Verder is eiseres aangewezen op werk zonder grote stress of andere mentale eisen in de vorm van deadlines, productiepieken of een erg hoog tempo. Daarnaast moet eiseres niet in erg koude ruimtes werken en moet er rekening worden gehouden met de pollen- en huisstofmijtallergie. Volgens de verzekeringsarts moet eiseres vanwege de schouderklachten niet frequent reiken, niet zwaar duwen, trekken, tillen, dragen en boven schouderhoogte werken. Dat laatste is slechts incidenteel mogelijk, aldus de verzekeringsarts. Vanwege de energetische klachten is eiseres aangewezen op werk dat fysiek niet zwaar is is, waarbij ze niet zwaar moet tillen, dragen, duwen en trekken. Ook moet ze in dit werk niet teveel buigen, lang lopen, traplopen of staan.  </para>
        <para>In de FML heeft de verzekeringsarts beperkingen opgenomen ten aanzien van ‘persoonlijk functioneren’, ‘aanpassing aan fysieke omgevingseisen’, ‘dynamische handelingen’, ‘statische houdingen’ en ‘werktijden’. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 6 mei 2019 overtuigend gemotiveerd waarom hij de conclusie van de verzekeringsarts over de belastbaarheid van eiseres volgt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij overwogen dat bij de beoordeling in bezwaar geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen die de klacht van vermoeidheid van eiseres vanwege een lichamelijke medische oorzaak, ziekte, kunnen verklaren<emphasis role="italic">. </emphasis>In die zin is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische reden om fysiek meer, dan wel andere beperkingen aan te nemen. Ook wat betreft het niet aannemen van een urenbeperking kan de verzekeringsarts volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn beoordeling betrokken dat eiseres sinds mei 2018 in behandeling is bij Mindfit in Hardenberg. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat gelet op de bevindingen in bezwaar bij anamnese, observatie en dagverhaal, er geen sprake lijkt te zijn van een depressie. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep past de behandeling, te weten eenmaal per maand een gesprek met een psychiatrisch verpleegkundige, hier niet bij. Voor het aannemen van meer dan wel andere beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, bestaat volgens hem dan ook geen reden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>Cardiologen [deskundige 2] en [deskundige 1] hebben beiden in hun afzonderlijke rapportages van 16 augustus 2019 geconcludeerd dat bij eiseres sprake is van CVS/ME in matige tot ernstige vorm. [deskundige 1] heeft daarbij geconstateerd dat er sprake is van forse klachten van fibromyalgie en orthostatische intolerantie. Daarnaast zou uit onderzoek zijn gebleken dat bij eiseres sprake is van forse geheugenproblemen en een verdenking van cranio-cervicale instabiliteit. Bij dit onderzoek is - onder meer - gebruik gemaakt van de kanteltafeltest en het meten van cerebrale bloeddoorstroming. Het advies van [deskundige 1] luidt (onder meer) dat eiseres maximaal 5 minuten kan staan en maar 20 minuten rechtop kan zitten, dit afgewisseld met liggende rust om te herstellen en om verslechtering te voorkomen. De cranio-cervicale instabiliteit en de relatie met CVS/ME klachten is volgens [deskundige 1] vorig jaar bekend geworden. Voor deze diagnose zou een zittende MRI-scan gemaakt moeten worden, maar dit is in Nederland nog niet mogelijk.</para>
        <para>
          [deskundige 2] heeft in haar rapport aangegeven dat de FML van 2 november 2018 op meerdere punten geen stand kan houden. De conclusie van de verzekeringsarts dat de verwachting op verbetering van de belastbaarheid redelijk tot goed is, wordt door [deskundige 2] bestreden. Zij geeft aan dat dit gezien de bevindingen van de kliniek van Stichting Cardiozorg en de gestelde diagnose onjuist is. De matig tot ernstige vorm van CVS/ME betekent volgens [deskundige 2] dat eiseres 50 % minder kan dan voor de ziekte, en dat zij dus vooral huis- en bedgebonden is. Zij wijst er daarbij op dat, zoals bekend van de Gezondheidsraad, CVS/ME een serieuze chronische multisysteem ziekte is. Het best haalbare is op dit moment – en dat betekent dat eiseres zich aan de behandeladviezen moet houden – stabilisatie. Volgens [deskundige 2] is er dus geen verwachting tot verbetering van de belastbaarheid en er is geen sprake van deconditionering die te verbeteren valt. Verder concludeert [deskundige 2] op basis van verrichte testen (N Back test) dat er een sterke achteruitgang is van de functie van het werkgeheugen op slechtere momenten. Daarbij wordt eiseres volgens [deskundige 2] op geen enkele wijze in staat geacht 8 uur per dag en 40 uur per week te kunnen werken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <parablock>
        <para>De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de nadere rapportage van 16 september 2019 afdoende gemotiveerd waarom hij in de (medische) gegevens van cardioloog [deskundige 1] en cardioloog [deskundige 2] geen grond ziet om aanvullende beperkingen op te nemen.</para>
        <para>De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft allereerst overwogen dat niet duidelijk is wanneer en hoe vaak eiseres door [deskundige 1] is gezien, hoe lang het onderzoek heeft geduurd en wat de bevindingen bij eigen onderzoek en observatie zijn geweest. Daarbij heeft cardioloog [deskundige 1] volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn onderzoek geen rekening gehouden met de bevindingen van specialisten die eiseres de afgelopen jaren hebben onderzocht. Uit de bevindingen van de internisten en de cardioloog die eiseres hebben onderzocht in het ziekenhuis is namelijk geen oorzaak voor de vermoeidheid naar voren gekomen. Het advies van [deskundige 1] (5 minuten staan, 20 minuten rechtop zitten af te wisselen met rust) kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch niet goed verklaard worden. De conclusie van zowel [deskundige 1] als [deskundige 2] dat er sprake zou zijn van forse geheugenproblemen sluit volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aan bij de eerdere onderzoeken van de verzekeringsartsen. Er zijn tijdens deze onderzoeken geen aanwijzingen voor een verminderd cognitief (aandacht, concentratie, geheugen) gevonden. Hierbij geldt dat ook niet is gebleken dat [deskundige 2] eiseres zelf heeft onderzocht en wat de bevindingen zijn geweest voor het cognitief functioneren. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk gemotiveerd waarom hij de onderzoeksuitslagen waarop beide cardiologen zich baseren, niet bruikbaar acht. Hij heeft daarbij gewezen op de publicatie van de Gezondheidsraad over CVS van 2005, en de CBO-richtlijn van 2013: “Diagnose, behandeling, begeleiding en beoordeling van patiënten met CVS”. In deze publicatie van de Gezondheidsraad worden de gehanteerde onderzoeken, de kanteltafeltest en het meten van cerebrale bloeddoorstroming, niet genoemd als diagnostisch instrument of om de ernst daarvan van de CVS vast te stellen. De verzekeringsarts heeft verder overwogen dat gelet op de rapportages van de verzekeringsarts met het beleidsstuk “De beoordeling van cliënten met ME/CVS bij UWV”, zoals ingebracht door eiseres, voldoende rekening is gehouden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <parablock>
        <para>In haar reactie van 29 september 2019 heeft [deskundige 2] - onder meer - gewezen op de uitgebreide kennis en expertise van CVS/ME die bij de Stichting Cardiozorg wel en volgens haar bij verweerder niet aanwezig is. [deskundige 2] voert daartoe onder meer aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het rapport van de Gezondheidsraad van 2005 aanhaalt, terwijl er een nieuw rapport ligt uit maart 2018. Daarbij wordt er op gewezen dat de door Stichting Cardiozorg gegeven behandeladviezen voortgevloeid zijn uit een uitgebreide expertise met CVS/ME, bekendheid met de ‘ins en outs’ van orthostatische intolerantie (problemen met zitten en staan) en postinspanningsmalaise. Dat de geheugenproblematiek niet door de verzekeringsartsen is herkend, kan volgens [deskundige 2] door een aantal factoren verklaard worden, zoals onbekendheid met de uiting, te kort contact met eiseres en het teveel aan adrenaline bij eiseres tijdens afspraken van het UWV. Dat er nog te weinig bekendheid is betreffende de kanteltafeltest en doorbloeding van het hoofd, heeft volgens haar eveneens te maken met het ontbreken van expertise op dit gebied. </para>
        <para>De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn reactie op 15 oktober 2019 vastgehouden aan zijn conclusie dat in de in beroep ingebrachte (medische) informatie geen reden wordt gezien meer dan wel andere beperkingen aan te nemen. Daarbij werpt de rapportage van de Gezondheidsraad uit 2018 volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen ander licht op de overwegingen in bezwaar en beroep. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <parablock>
        <para> 	De rechtbank acht de (nadere) rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en</para>
        <para>beroep overtuigend en heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan zijn conclusies. De rechtbank overweegt daarbij dat uit de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1734) volgt dat het advies van de Gezondheidsraad van 2018 van algemene aard is en dat er steeds naar het individuele geval moet worden gekeken. Naar het oordeel van de rechtbank is met de klachten van eiseres rekening gehouden door beperkingen aan te nemen op een wijze, waarvan de rechtbank niet is gebleken dat die onjuist is. Daarbij is bij de beoordeling of een urenbeperking aangenomen zou moeten worden, rekening gehouden met de klachten van eiseres. Niet is gebleken dat de Standaard Urenbeperking door verweerder onjuist is toegepast. De rechtbank vindt dat voldoende is onderbouwd dat de beperkingen in de FML zijn toegesneden op de problematiek van eiseres en dat er voor een urenbeperking daarnaast geen noodzaak is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Omdat de rechtbank geen aanleiding ziet om de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken, ziet zij ook geen reden voor het benoemen van een medisch deskundige. In de uitspraak van de CRvB van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) zijn voor de bestuursrechter uitgangspunten ontwikkeld voor zaken waarin de overheid zich beroept op een advies van een eigen medisch deskundige. Daaraan toetsend is de rechtbank van oordeel dat de rapporten van de (verzekerings)artsen blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en voldoende inzichtelijk zijn gemotiveerd. Daarnaast heeft eiseres ter betwisting van de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen voldoende gelegenheid gehad om in beroep medische gegevens van de behandeld sector in te brengen, wat zij ook heeft gedaan. Er is daarmee voldaan aan het beginsel van ‘equality of arms’. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>Uitgaande van de FML is het aannemelijk dat eiseres in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van administratief medewerker/correspondent (SBC-code 515100), besteller (expresse) post/pakketten (SBC-code 282102) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) te vervullen. In het rapport van de arbeidsdeskundige van 25 januari 2019 is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom deze functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van eiseres op de in geding zijnde datum.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <parablock>
        <para>Het voorgaande betekent dat verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid per </para>
        <para>19 april 2018 terecht heeft vastgesteld op 16,3%, zodat geen recht op uitkering bestaat en het bestreden besluit in stand blijft. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond.  </para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Martini, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de griffier is verhinderd</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>