<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2019:2710</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-01T12:17:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/08/189995 / HA ZA 16-356</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOVE:2019:792" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2019:792</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:2710">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:2710</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-01T12:16:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2019:2710 Rechtbank Overijssel , 17-07-2019 / C/08/189995 / HA ZA 16-356</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2019:2710:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eindvonnis na opdracht van de rechtbank om schadevergoeding te onderbouwen met betalingsbewijzen. De rechtbank komt niet terug op bindende eindbeslissing in eerdere tussenvonnissen. Van een onjuiste feitelijke grondslag is niet gebleken. Gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2019:2710:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="36027857-9813-4b4a-87b4-3bd7d2636075" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="3571c952-1007-4081-9f84-a9a26bd8948c" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/08/189995 / HA ZA 16-356</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 17 juli 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">BRONSWERK HEAT TRANSFER B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Nijkerk,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ZENZE B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Almere,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. B. Bijlsma te Almere.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna Bronswerk en Zenze genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 27 februari 2019</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van Bronswerk</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de antwoordakte van Zenze.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In het tussenvonnis van 27 februari 2019 heeft de rechtbank Bronswerk in de gelegenheid gesteld betalingsbewijzen in het geding te brengen ter ondersteuning van haar stelling dat zij in totaal € 301.0000,00 heeft betaald aan Petrofac ter vergoeding van de schade als gevolg van door Zenze geleverde gebrekkige buizen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bronswerk heeft daarop een drietal producties in het geding gebracht. Allereerst e‑mailberichten waarmee de eerder overgelegde brieven (productie 13 bij dagvaarding en 26 bij conclusie van repliek) zijn verzonden over de gemaakte afspraken, waarin tevens de betalingswijze wordt besproken. Vervolgens een betalingsbewijs voor de eerste betaling ad € 100.000,00 in combinatie met mailverkeer tussen Bronswerk en Petrofac. En tot slot drie bankafschriften van Bronswerk waaruit volgens Bronswerk blijkt dat in de daarop volgende periode betalingen van respectievelijk € 100.000,00, € 50.000,00 en € 51.000,00 zijn gedaan aan Petrofac.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Zenze betwist dat de betalingen betrekking hebben op de door Bronswerk gestelde schade en is van mening dat Bronswerk - zo begrijpt de rechtbank - onvoldoende heeft onderbouwd dat de beweerdelijke betalingen zijn verricht. Zenze maakt met name bezwaar tegen het overgelegde bewijs van betaling van € 100.000,00 (productie 28). Voorts zijn aanvullende bijlagen bij de e-mailcorrespondentie volgens Zenze niet overgelegd en dient dit alsnog te gebeuren.</para>
        <para>Tot slot verwijst Zenze naar een datum (“31 March 2011) genoemd in de e-mailcorrespondentie tussen Petrofac en Bronswerk in productie 27 en stelt zich op het standpunt dat hiermee het bewijs is geleverd dat de klacht van Bronswerk wel verband houdt met de eerste klacht waarop de vaststellingsovereenkomst is gebaseerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat Bronswerk met de bankafschriften, de e-mailberichten en het overschrijvingsbewijs van productie 27 in onderlinge samenhang bezien met de eerder overgelegde brieven (productie 13 bij dagvaarding en 26 bij conclusie van repliek) genoegzaam heeft onderbouwd dat in totaal een bedrag van € 301.000,00 is betaald aan Petrofac wegens schadevergoeding. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de stukken te twijfelen of eventuele overige bijlagen op te vragen bij Bronswerk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Voor zover Zenze heeft bedoeld te stellen dat de rechtbank dient terug te komen op de bindende eindbeslissingen die zijn gegeven in de eerdere tussenvonnissen op basis van een datum die genoemd wordt in de titel van e-mailberichten tussen Petrofac en Bronswerk, snijdt dat geen hout. De leer van de bindende eindbeslissing houdt in dat de rechtbank in beginsel in dezelfde instantie niet meer kan terugkomen van eerder gegeven eindbeslissingen. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800). De rechtbank begrijpt dat Zenze meent dat sprake is van een dergelijke onjuiste feitelijke grondslag. Daarvan is evenwel niet gebleken. De enkele vermelding van een bepaalde datum in de titel van e-mailcorrespondentie is daarvoor immers volstrekt onvoldoende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De rechtbank concludeert dat de vordering tot betaling van schadevergoeding ad € 301.000,00 zal worden toegewezen. Wettelijke handelsrente over schadevergoeding is niet toewijsbaar, zodat de rechtbank de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW zal toewijzen. Aangezien Bronswerk nog geen betalingen had verricht aan Petrofac op de data die genoemd worden in het petitum (2 oktober 2014, 28 april en 1 augustus 2016), zal de rechtbank de rente toewijzen vanaf de verschillende data van betaling aan Petrofac. Dit betekent dat de wettelijke rente als volgt zal worden toegewezen: over de eerste € 100.000,00 vanaf 25 augustus 2016, over de volgende € 100.000,00 vanaf 29 september 2016, over € 50.000,00 vanaf 9 maart 2017 en over € 51.000,00 vanaf 19 mei 2017.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Ten aanzien van de gevorderde kosten ad € 16.389,90 in verband met het onderzoek in Maleisië heeft de rechtbank in r.o. 3.14 van het tussenvonnis van 27 februari 2019 reeds geoordeeld dat onvoldoende is gesteld om tot toewijzing van deze schadepost te komen, zodat deze vordering wordt afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Bronswerk maakt voorts aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Onderhavige vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport Voorwerk II. Bronswerk heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, laat staan dat die kosten hebben betrekking op verrichtingen van een incassogemachtigde die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Zenze zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Bronswerk worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding	€ 	81,66</para>
      <para>- griffierecht		3.903,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	9.608,00</emphasis> (4,0 punten × tarief € 2.402,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	13.592,66</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt Zenze om aan Bronswerk te betalen een bedrag van € 301.000,00 (driehonderdéénduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:</para>
      <para>- € 100.000,00 vanaf 25 augustus 2016, </para>
      <para>- € 100.000,00 vanaf 29 september 2016,</para>
      <para>- €   50.000,00 vanaf 9 maart 2017, </para>
      <para>- €   51.000,00 vanaf 19 mei 2017,</para>
      <para>tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt Zenze in de proceskosten, aan de zijde van Bronswerk tot op heden begroot op € 13.592,66,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt Zenze in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Zenze niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma, mr. J.N. Bartels en mr. S.J.S.  Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.<footnote-ref linkend="_4ee059d2-bd0d-44d3-a46b-6a9260461d37" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_4ee059d2-bd0d-44d3-a46b-6a9260461d37" label="1">
    <para>type: </para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>