<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2014:4117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:22:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-07-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/08/139912 / HA ZA 13-247</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656">Burgerlijk Wetboek Boek 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656&amp;artikel=135">Burgerlijk Wetboek Boek 1 135</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005291">Burgerlijk Wetboek Boek 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005291&amp;artikel=185">Burgerlijk Wetboek Boek 3 185</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005291&amp;artikel=200">Burgerlijk Wetboek Boek 3 200</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005289">Burgerlijk Wetboek Boek 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005289&amp;artikel=162">Burgerlijk Wetboek Boek 6 162</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2014/236</rdf:li>
          <rdf:li>JPF 2014/108 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2014:4117">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2014:4117</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-25T10:21:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2014:4117 Rechtbank Overijssel , 16-07-2014 / C/08/139912 / HA ZA 13-247</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2014:4117:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Echtscheiding. Voor vernietiging vatbare overeenkomst in beschikking. </para>
        <para>Indien de rechter in een (echtscheidings)beschikking bepaalt dat de onderlinge vermogensrechtelijke regeling die partijen in een convenant hebben vastgelegd, als in de beschikking opgenomen wordt beschouwd, dan moet in beginsel worden aangenomen dat die veroordeling geen verdere strekking heeft dan om partijen een executoriale titel te verschaffen teneinde zonodig de nakoming van de overeenkomst in rechte af te dwingen. Dat brengt mee dat de overeenkomst tussen partijen door de rechterlijke uitspraak onverlet wordt gelaten. Dit is slechts anders indien uit de rechterlijke uitspraak van een verdergaande strekking blijkt. </para>
        <para>Nu van een dergelijke verdergaande strekking niet is gebleken, heeft de overeenkomst van partijen met betrekking tot de verdeling rechtskracht behouden en is in principe voor vernietiging vatbaar.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2014:4117:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: C/08/139912 / HA ZA 13-247</para>
      <para>datum vonnis: 16 juli 2014 (GJ(O)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiseres in conventie, verweerster in reconventie,</para>
      <para>verder te noemen de vrouw,</para>
      <para>advocaat: mr. W.P. Ganzeboom te Nijmegen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>gedaagde in conventie, eiser in reconventie,</para>
      <para>verder te noemen de man,</para>
      <para>advocaat: mr. I. Kruiders te Enschede.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding, binnengekomen op 25 juni 2013, vergezeld van een akte overlegging producties;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met bijlagen, binnengekomen op 6 augustus 2013;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van repliek met akte vermeerdering van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie, binnengekomen op 12 november 2013;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van dupliek, tevens antwoordakte vermeerdering van eis in conventie, tevens conclusie van dupliek in reconventie, mede inhoudende een akte vermeerdering van eis in reconventie, binnengekomen op 7 januari 2014;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de conclusie van repliek in reconventie, tevens akte uitlating en overlegging producties, binnengekomen op 18 februari 2014;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>akte uitlating producties van de zijde van Heisterkamp, binnengekomen op <?linebreak?>17 maart 2014.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak kan van het navolgende worden uitgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Partijen zijn op [1993] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Almelo d.d. 5 september 2007 in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijk Stand van de gemeente [plaats] op<?linebreak?>11 september 2007.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In de huwelijkse voorwaarden is, voor zover relevant, het volgende bepaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Artikel 1</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Partijen zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Artikel 5 (verrekenbeding m.b. t. kosten huishouding)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding daaronder begrepen de kosten van</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen en of de door de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">echtgenoten geadopteerde kinderen alsmede van de kinderen die met beider toestemming</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">in het gezin zijn opgenomen, wat de laatste kinderen betreft voor zover deze kosten niet ten</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">laste van derden komen, worden voldaan uit de nettoinkomens der echtgenoten naar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">evenredigheid daarvan en voorzover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kosten voldaan uit ieders nettovermogen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. Onder nettoinkomen wordt verstaan het begrip inkomen als bedoeld in de Wet op de</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">inkomstenbelasting 1964 verminderd met de daarover verschuldigde belasting op inkomen,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">premieheffing volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verzetten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Artikel 6</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. Het recht het aldus teveel bijgedragene terug te vorderen vervalt, indien betaling of</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verrekening daarvan                                                                                                                                                                                                                                                                                      niet binnen één jaar na de ontbinding van het huwelijk of ingeval van scheiding</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van tafel en bed, binnen een jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">heeft plaats gehad of schriftelijk is gevorderd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Artikel 8 (verrekenbeding overgespaarde inkomsten)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen in</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen, in die zin, dat de ene</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Artikel 9</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. De uitkering van het verschuldigde moet worden gedaan binnen een jaar na afloop van</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">het desbetreffende kalenderjaar.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Artikel 10</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het recht tot het vorderen van de verrekening verjaart niet en vervalt evenmin door</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">tijdsverloop.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 20 augustus 2007 hebben partijen met elkaar een echtscheidingsconvenant gesloten. In dit echtscheidingsconvenant is, voor zover in deze zaak van belang, het volgende bepaald.</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="underline italic">5. Met betrekking tot de overig activa:</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aan de man worden toebedeeld alle activa en passiva van de eenmanszaak ‘[X]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">. Tot 1 januari 2006 was deze onderneming van beide partijen ([Y]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">). De onderneming kende per 31 december 2005 een negatief eigen vermogen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van ca. € 130.000,-. Per ultimo 2005 bedroeg de FOR-dotatie € 30.000,-.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Omdat partijen van mening zijn dat de vrouw gedurende enige periode en voor een niet</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">eenvoudig te bepalen omvang een bijdrage heeft geleverd aan de waardestijging van het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">onroerend goed aan de [adres] te [plaats] dat in eigendom toebehoort</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan de man, zijn partijen van mening dat het aandeel van de vrouw in genoemd negatief</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vermogen van genoemde [Y], redelijkerwijs kan worden verrekend met</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">haar genoemde aanspraak in het onroerend goed aan de [adres] te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [plaats].</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gelet op genoemd negatief eigen vermogen van de onderneming, genoemde FOR-dotatie,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">het feit dat partijen daarnaast van mening zijn dat er geen sprake is van goodwill en/of van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">positieve stille reserves in genoemde onderneming alsmede het feit dat partijen van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">mening zijn dat de vrouw enige waarde toekomt in genoemd onroerend goed aan de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [adres] te [plaats], doch waarvan de omvang door partijen niet exact kan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">worden vastgesteld, verklaren partijen dat de man niets aan de vrouw verschuldigd is ter</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zake de beëindiging van de V.O.F. per ultimo 2005, althans zulks wordt verrekend met haar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(niet eenvoudig vast te stellen) aanspraak c.q. aandeel in genoemd onroerend goed aan de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [adres] te [plaats].</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="underline italic">13. Slotartikelen:</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor zover niet anders vermeld worden rechten en aanspraken toegescheiden aan diegene</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">die deze te eigen name heeft bedongen en/of heeft gekregen. Partijen verbinden zich dadelijk</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">na ondertekening van dit convenant alle maatregelen te zullen nemen, respectievelijk daaraan te zullen meewerken ter effectuering van al het vorenstaande.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op voorwaarde dat het bepaalde in de voorgaande artikelen wordt nagekomen verklaren</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">partijen over en weer niets meer uit welke hoofde dan ook van elkaar te vorderen te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">hebben en verlenen elkaar mitsdien finale kwijting en décharge.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Partijen doen afstand van het recht ontbinding van deze overeenkomst te vorderen op</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">grond van het bepaalde in de artikelen 6 :265-279 BW.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Bij beschikking van 5 september 2007 heeft de rechtbank Almelo tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. In die beschikking is onder meer het volgende opgenomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Partijen hebben een echtscheidingsconvenant gesloten. Dit convenant maakt deel uit van deze beschikking en wordt hieraan gehecht.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">	De beslissing</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	De rechtbank:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [1993] te [plaats] gehuwd.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Bepaalt dat de inhoud van het aangehechte convenant deel uitmaakt van deze beschikking.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Verklaart onderdeel 2 uitvoerbaar bij voorraad.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Tijdens het huwelijk van partijen is geen uitvoering gegeven aan de verrekenverplichtingen die partijen zijn overeengekomen in artikelen 6 en 8 van de huwelijkse voorwaarden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>De vrouw verrichtte vanaf haar huwelijk met de man werkzaamheden voor [Y], een rijwielhandel en taxibedrijf. Tot 1997 waren de man en diens vader, [Z], vennoten. Vanaf 1 januari 1997 is ook de vrouw betrokken bij de VOF via een ondermaatschap met de man. Bij akte van 21 maart 2002 heeft [Z] zijn aandeel overgedragen aan de man. Tot het vermogen van de VOF behoorde de economische eigendom van de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats]. [Z] was juridisch eigenaar van deze onroerende zaak. Ter gelegenheid van de overdracht van (een deel van) de onderneming van vader aan zoon zijn de economische en juridische eigendom van deze onroerende zaak overgedragen aan de man in privé.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De standpunten van partijen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de vrouw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw heeft primair gevorderd dat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat de bepaling in artikel 5 van het echtscheidingsconvenant tot stand is gekomen onder invloed van een wilsgebrek, primair onder invloed van dwaling, subsidiair misbruik van omstandigheden, nog meer subsidiair bedrog en te bepalen dat als gevolg hiervan de bepaling in artikel 5 van het echtscheidingsconvenant tussen partijen nietig is. </para>
        <para>Verder vordert de vrouw primair dat de man wordt veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man (de rechtbank leest hier: de vrouw) te betalen de helft van het saldo van de waarde van de door de deskundigen vast te stellen waarde van de VOF als ‘going concern’ en de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats], vermeerderd met de wettelijke rente over dit saldo vanaf 11 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening. Subsidiair heeft de vrouw op grond van onrechtmatige daad de schade ter hoogte van het primair gevorderde bedrag (inclusief wettelijke rente) van de man gevorderd.</para>
        <para>Ten slotte heeft zij gevorderd dat de man wordt veroordeeld in de proceskosten, de kosten van beslaglegging daaronder begrepen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vermeerdering en wijziging van eis</emphasis>
        </para>
        <para>De vrouw heeft haar vorderingen bij latere akte gewijzigd en vermeerderd, zodat haar vorderingen thans inhouden:</para>
        <para>I primair: </para>
        <para>	een verklaring voor recht dat artikel 5 van het echtscheidingsconvenant nietig is </para>
        <para>	vanwege een wilsgebrek bij de vrouw;</para>
        <para>I subsidiair: </para>
        <para>	een verklaring voor recht dat de man onrechtmatig heeft gehandeld;</para>
        <para>II primair (voor het geval de rechtbank oordeelt dat de vrouw wel als (economisch) eigenaar had dienen te worden beschouwd van (een deel van) de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats]):</para>
        <para>	een veroordeling van de man om aan de vrouw te betalen de helft van het hierboven </para>
        <para>	beschreven saldo (inclusief wettelijke rente);</para>
        <para>II subsidiair (voor het geval de rechtbank oordeelt dat alsnog de aanspraken van de vrouw in de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] en de onderneming van partijen dienen te worden vastgesteld):</para>
        <para>een veroordeling van de man om aan de vrouw te betalen het aandeel of de aanspraken van de vrouw in de waardestijging van de onroerende zaak in de periode 1 januari 2001 en augustus 2007 en de helft van het saldo van de door de deskundigen vast te stellen waarde van de VOF als ‘going concern’ per 22 augustus 2007, vermeerderd met de wettelijke rente van 11 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
        <para>II meer subsidiair:</para>
        <para>een veroordeling van de man om aan de vrouw te voldoen de schade die zij heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de man, een en ander op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf<?linebreak?>11 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
        <para>III: de verdeling uit te spreken ten aanzien van twee aandelen Bike Totaal, in die zin dat  <?linebreak?>	een aandeel wordt toebedeeld aan de man en een aandeel wordt toebedeeld aan de </para>
        <para>vrouw en de man en de vrouw over en weer te verplichten om op eerste verzoek van de ander medewerking te verlenen aan de overdracht van het toebedeelde aandeel aan een derde. Daarbij dient tevens bepaald te worden dat degene die het aandeel overdraagt aan deze derde de verkoopopbrengst mag behouden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag dat een der partijen nalaat, na daartoe op behoorlijke wijze in gebreke te zijn gesteld, aan deze verplichting te voldoen, een en ander met een maximum van € 5.000,-;</para>
        <para>IV: veroordeling van de man in de proceskosten, de kosten van beslaglegging daaronder </para>
        <para>	begrepen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De vrouw voert daartoe het volgende aan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Bij het uiteengaan van partijen is de vrouw door toedoen van en met medeweten van de man door de adviseurs mr. [A] (advocaat), de heer [B] (fiscalist) en de heer [C] (accountant) onwetend gehouden over haar rechten. De vrouw is hierdoor zo ernstig benadeeld, zij schat voor ten minste € 300.000,-, dat moet worden vastgesteld dat artikel 5 van het echtscheidingsconvenant onder invloed van bedrog/misleiding, althans misbruik van omstandigheden, althans dwaling tot stand is gekomen, althans dat de handelswijze van de man (en de adviseurs) onrechtmatig moet worden geoordeeld. De zaken waarover de adviseurs de vrouw niet deugdelijk hebben geïnformeerd zijn:</para>
      <para>a. de wijze waarop de waarde van de VOF gebruikelijk dient te worden vastgesteld (en dus de waarde van het aandeel van de vrouw in de VOF) en</para>
      <para>b. de gevolgen van het niet nakomen van de verrekenverplichtingen op grond van de huwelijkse voorwaarden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van sub a</para>
        <para>De man en de adviseurs hebben de vrouw ten onrechte er niet op gewezen dat voor de waardebepaling van de VOF niet de boekwaarde gebruikt diende te worden, maar de VOF als ‘going concern’ had dienen te worden gewaardeerd. De man en de adviseurs hebben de vrouw laten aannemen dat er geen stille reserves of goodwill aanwezig waren. Indien zij had geweten dat de waardebepalingsgrondslag een andere had dienen te zijn, dan had zij niet ingestemd met artikel 5 van het echtscheidingsconvenant.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van sub b</para>
        <para>Nu partijen geen uitvoering hebben gegeven aan de verrekenverplichtingen en er evenmin een finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen, had de vrouw aanspraken op een finale verrekening, waarbij op grond van artikel 1:141, derde lid, BW het rechtsvermoeden gold dat het aanwezige vermogen op 22 augustus 2007, dan wel<?linebreak?>11 september 2007, was gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De vrouw verzoekt de rechtbank daarom een accountant te benoemen die de waarde van de VOF per peildatum als going concern vaststelt en een makelaar te benoemen die de waarde van de onroerende zaak per peildatum vaststelt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de vermeerdering van eis</para>
        <para>Partijen hebben in privé gezamenlijk twee aandelen Bike Totaal, die onverdeeld zijn gebleven. De vrouw wenst haar aandeel toegedeeld te krijgen, zodat zij dit aandeel kan verkopen. De man dient daartoe medewerking te verlenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de man</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>De man stelt zich op het standpunt dat in de echtscheiding van partijen door de adviseurs van partijen met zorg is gekeken naar de belangen van beide partijen. Partijen hebben gezamenlijk mr. [A] opdracht gegeven hen daarin te begeleiden en zij zijn gezamenlijk geadviseerd door hun gezamenlijke accountant de heer [C] van [D] en de op voordracht van mr. [A] ingeschakelde fiscalist de heer[B] van [E]. De vrouw is in de gelegenheid gesteld een second opinion aan te vragen naar aanleiding van het voorstel, van welke gelegenheid zij geen gebruik heeft gemaakt. Bij brief van 24 april 2007 heeft mr. [A] bericht dat de vrouw hem op 13 april 2007 heeft meegedeeld dat zij akkoord gaat met het voorstel indachtig de complexiteit en onduidelijkheid alsmede de uiteindelijke kansen als het een gevecht wordt. De vrouw was volledig geïnformeerd over haar positie ten tijde van de echtscheiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>De man stelt dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar vorderingen. Daartoe stelt de man primair dat de vrouw niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht, nu de onderbouwing te summier is, partijen zijn bijgestaan door drie adviseurs, de vrouw geen second opinion heeft aangevraagd en bijna vijf jaar vanaf ondertekening van het echtscheidingsconvenant heeft stilgezeten. Voorts stelt de man dat de echtscheidingsbeschikking, en daarmee ook het aan die beschikking gehechte echtscheidingsconvenant, in kracht van gewijsde is gegaan. Ten derde vervalt een rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling/afwikkeling van huwelijkse voorwaarden door verloop van drie jaren na verdeling. Nu de vrouw pas op 17 augustus 2012 heeft gesteld dat zij is benadeeld, terwijl het convenant dateert van 20 augustus 2007, is de vrouw te laat met haar vordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van het door de vrouw gestelde onder sub a (zie hiervoor onder rechtsoverweging 3.3)</para>
        <para>De adviseurs hebben partijen geadviseerd om in geval er sprake is van een kleine onderneming zoals die van partijen een waardering op grond van de boekwaarde/intrinsieke waarde te kiezen. Dat is een gebruikelijke waarderingsmethode. De man betwist dat de boekwaarde voor de vrouw een ongunstige methode is geweest. Evenmin was sprake van goodwill en onderbouwt de vrouw geenszins dat sprake was van stille reserves. Partijen hebben in overleg met de adviseurs de keuze gemaakt dat er geen stille reserves in de VOF aanwezig waren.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van het door de vrouw gestelde onder sub b (zie hiervoor onder rechtsoverweging 3.3)</para>
        <para>Uit de brief van mr. [A] van 20 maart 2007 volgt dat partijen uitgebreid hebben stilgestaan bij de vraag of, en zo ja welk aandeel de vrouw zou hebben in de waardestijging van het onroerende goed aan de [adres] te [plaats]. In het artikel in het echtscheidingsconvenant wordt melding gemaakt van de aanspraken van de vrouw in de waardestijging van het in eigendom aan de man toebehorende onroerend goed. Kennelijk was de bijdrage van de vrouw niet meer vast te stellen en naar de mening van partijen niet groter dan het aandeel van de vrouw in het negatieve vermogen van de VOF.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>De man stelt dat de vrouw ten onrechte beslag heeft gelegd op het onroerend goed aan de [adres] te [plaats]. De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw binnen vijf dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis het beslag op genoemd onroerend goed opheft, dan wel laat opheffen, en de man daarvan door middel van een uittreksel uit het kadaster in kennis stelt, onder oplegging van een dwangsom van<?linebreak?> € 1.000,- per dag of dagdeel dat de vrouw daarmee in gebreke blijft. De kosten die met het beslag gemoeid zijn gegaan, dienen volledig voor rekening van de vrouw te blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>Voorts vordert de man dat de vrouw wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten en nakosten, nu zij misbruik maakt van het procesrecht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vermeerdering van eis in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <para>De man vordert voorts dat wordt bepaald dat de vrouw binnen vijf dagen na betekening van het te dezen wijzen vonnis haar medewerking dient te verlenen aan het verlijden van de leveringsakte van een aandeel Bike Totaal aan de man, met bepaling dat indien de vrouw niet vrijwillig haar medewerking verleent aan deze veroordeling, het vonnis bij wijze van reële executie in de plaats zal treden van de wilsverklaring van de vrouw bij het verlijden van de akte.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>De man stelt daartoe dat uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat de VOF aan de man is toebedeeld. De twee aandelen Bike Totaal behoren daar ook toe.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De overwegingen</title>
    <bridgehead role="bold">In conventie en reconventie</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kracht van gewijsde echtscheidingsbeschikking</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De man heeft onder meer gesteld dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar vordering tot vernietiging van artikel 5 van het echtscheidingsconvenant, nu dit convenant is opgenomen in de echtscheidingsbeschikking van 11 september 2007 en deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De rechtbank volgt de man niet in zijn verweer en overweegt daartoe, onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 juni 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9156), als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Indien de rechter in een (echtscheidings)beschikking bepaalt dat de onderlinge vermogensrechtelijke regeling die partijen in een convenant hebben vastgelegd, als in de beschikking opgenomen wordt beschouwd, dan moet in beginsel worden aangenomen dat die veroordeling geen verdere strekking heeft dan om partijen een executoriale titel te verschaffen teneinde zonodig de nakoming van de overeenkomst in rechte af te dwingen. Dat brengt mee dat de overeenkomst tussen partijen door de rechterlijke uitspraak onverlet wordt gelaten. Dit is slechts anders indien uit de rechterlijke uitspraak van een verdergaande strekking blijkt. Het Gerechtshof heeft met deze uitspraak aansluiting gezocht bij hetgeen door de Hoge Raad is overwogen in zijn arrest van 19 november 1982 (NJ 1983, 494), welke overweging naar het oordeel van de rechtbank niet enkel opgeld doet in alimentatiezaken, maar een meer algemene strekking heeft. Nu een dergelijke verdergaande strekking van de echtscheidingsbeschikking van 5 september 2007 naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken, heeft de overeenkomst van partijen met betrekking tot de verdeling rechtskracht behouden en is in principe voor vernietiging vatbaar. Het feit dat de echtscheidingsbeschikking inmiddels gezag van gewijsde heeft gekregen, betekent, anders dan de man stelt, niet dat na vernietiging van de regeling uit het convenant, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap niet meer door de rechter kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft bij echtscheidingsbeschikking niet beslist ten aanzien van een geschil tussen partijen, maar heeft slechts opgenomen in de beschikking wat partijen zelf zijn overeengekomen. Artikel 236 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ziet in zoverre niet op de ‘als opgenomen beschouwde’ onderlinge vermogensrechtelijke regeling uit het convenant.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vervaltermijn beroep op dwaling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De man heeft voorts gesteld dat de rechtsvordering tot vernietiging is vervallen, nu er reeds drie jaren zijn verstreken sinds de verdeling. De vrouw heeft gesteld dat die termijn nog niet is gaan lopen, nu de verdeling tussen partijen nog niet is gerealiseerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Ingevolge art. 1:135, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat onderdeel uitmaakt van de algemene regels voor verrekenbedingen, zijn op verrekening onder meer de artikelen 3:196 en 3:199 BW — betreffende de nietigheid en vernietigbaarheid van verdelingen van gemeenschappen — van overeenkomstige toepassing. Deze bepalingen houden kort gezegd in dat op een verdeling van een gemeenschap (en dus, gezien art. 1:135 lid 2 BW, ook op een verrekening ingevolge een bij huwelijkse voorwaarden gemaakt verrekenbeding) niet de algemene dwalingsregeling van de artikelen 228–230 van Boek 6 van toepassing is, maar de specifieke regeling van art. 3:196 BW en ook artikel 3:200 BW. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de vervaltermijn van artikel 3:200 BW is begonnen te lopen op het moment dat partijen tot verrekening zijn overgegaan door vastlegging daarvan in hun echtscheidingsconvenant, te weten 20 augustus 2007. De wetgever heeft in dit wetsartikel niet het tijdstip van levering als uitgangspunt genomen, zodat de stelling van de vrouw geen doel treft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Nu sinds 20 augustus 2007 reeds meer dan drie jaren zijn verstreken, is de rechtsvordering tot vernietiging op grond van artikel 3:196 BW komen te vervallen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>De vrouw kan zich derhalve niet met succes beroepen op dwaling. Zij heeft echter aan haar verzoek tevens ten grondslag gelegd dat sprake is van bedrog dan wel misbruik van omstandigheden. De rechtbank zal daarom ook deze wilsgebreken bespreken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Misbruik van omstandigheden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld op grond van welke omstandigheden sprake zou zijn geweest van misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44, vierde lid, BW. Voor zover de vrouw heeft willen wijzen op haar impliciet gestelde onervarenheid, merkt de rechtbank op dat uit de stukken voldoende blijkt dat de vrouw in de gelegenheid is gesteld zich te laten bijstaan en/of adviseren over de bepalingen en gevolgen van het echtscheidingsconvenant.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bedrog</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>Volgens artikel 3:44, derde lid, BW is van bedrog sprake wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>De rechtbank zal allereerst beoordelen of sprake is geweest van een onjuiste mededeling van de zijde van de man. Volgens de vrouw zouden de man en zijn adviseurs de vrouw niet deugdelijk hebben geïnformeerd over de wijze waarop de waarde van de VOF gebruikelijk wordt vastgesteld en wat de gevolgen zijn van het niet nakomen van de verrekenverplichtingen op grond van de huwelijkse voorwaarden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>Voor wat betreft de wijze waarop de waarde van de VOF is vastgesteld, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de waarderingsgrondslag een ongebruikelijke is. Waaruit zou blijken dat deze wijze van waarderen ongebruikelijk is, is door de vrouw niet gesteld of onderbouwd. Zij wijst daarentegen naar een eerdere waardering van de VOF in 2002, waarbij de waarde op dezelfde wijze is vastgesteld. Mede gelet op de betwisting van de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat de man op dit punt opzettelijk een onjuiste mededeling aan de vrouw heeft gedaan. Dat deze waardering ongunstig zou zijn voor de vrouw, wat van die stelling ook zij, maakt dit niet anders. Ook de enkele verwijzing naar een opmerking over goodwill in een telefoonnotitie van mr. [A], is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, nu die zin voor meerderlei uitleg vatbaar is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>Voor wat betreft de verrekenverplichtingen stelt de vrouw dat de man en de adviseurs hebben verzwegen dat het rechtsvermoeden van artikel 1:141, derde lid, BW geldt, nu partijen hun verrekenplicht niet zijn nagekomen. Dit rechtsvermoeden geldt volgens de vrouw ook ten aanzien van het onroerend goed. De rechtbank overweegt dat de vrouw ook in dit opzicht volstaat met een enkele stelling, namelijk dat zij daarover niet (volledig) zou zijn geïnformeerd. Daargelaten dat dit rechtsvermoeden in de wet staat omschreven en de vrouw daarvan dus op de hoogte had kunnen zijn, blijkt uit de stukken (zoals het echtscheidingsconvenant) dat partijen stil hebben gestaan bij het berekenen van het aandeel van de vrouw in de waardestijging van het onroerend goed en hebben zij, na overleg en na de mogelijkheid te hebben gekregen derden in te schakelen ter advisering, besloten dat het aandeel van de vrouw niet groter was dan de helft van de schuld van de VOF, waarin zij ook een aandeel had.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande wijst de rechtbank het beroep van de vrouw op vernietiging wegens een wilsgebrek af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onrechtmatige daad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14</nr>
      <para>De vrouw heeft zich ten slotte beroepen op onrechtmatige daad van de zijde van de man. De onrechtmatigheid van de gedragingen van de man zijn volgens de vrouw gelegen in de eveneens aan de wilsgebreken ten grondslag gelegde omstandigheden, alsmede in omstandigheden als het niet overleggen van de volledige verdelingsakte, haar niet in te lichten over de problemen met de verdelingsakte, het levendig houden van de indruk dat de adviseurs ook de belangen van de vrouw vertegenwoordigden, dat de vrouw geen eigen inkomsten of vermogen had en dat zij emotioneel zeer aangeslagen was vanwege de echtscheiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de genoemde gedragingen en omstandigheden op zichzelf dan wel in samenhang bezien, wat ook zij van de juistheid van deze stellingen, geen onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162, tweede lid, BW opleveren, althans dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld, mede gelet op de gemotiveerde betwistingen van de man, om te kunnen concluderen dat sprake is van onrechtmatig handelen. De rechtbank komt derhalve niet toe aan onder meer de vraag of deze gestelde handelingen in voldoende causaal verband staan met eventuele schade.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aandelen Bike Totaal</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van twee aandelen Bike Totaal. Volgens de vrouw hebben partijen deze gezamenlijk in privé en zijn deze onverdeeld gebleven. Ter onderbouwing van deze stelling wijst zij op de omstandigheid dat deze aandelen niet zijn vermeld op de balans van [Y]. De man stelt dat de aandelen toebehoren aan de VOF en nu de VOF aan de man is toebedeeld, zijn de aandelen ook verdeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat partijen volstrekt onvoldoende hebben gesteld en onderbouwd op welke wijze de aandelen zijn aangeschaft en tot welk vermogen zij zijn gaan behoren. Noch de vrouw noch de man heeft de stellingen met stukken inzichtelijk gemaakt. De rechtbank kan derhalve niet bepalen tot welk vermogen de aandelen behoren en zal daarom zowel de eis in conventie als die in reconventie op dit punt afwijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opheffen beslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18</nr>
      <para>De man heeft gevorderd dat de vrouw het beslag op het onroerend goed aan de [adres] te [plaats] opheft, dan wel laat opheffen. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank met de man van oordeel dat door de vrouw ten onrechte beslag op dit onroerend goed is gelegd. De vordering van de man komt daarom voor toewijzing in aanmerking. De vrouw heeft zich niet in het bijzonder uitgelaten over de gevorderde dwangsom, zodat de rechtbank een dwangsom zal opleggen. De rechtbank matigt echter de dwangsomhoogte tot een bedrag van € 250,00 per dag of dagdeel dat de vrouw nalaat aan dit vonnis te voldoen met een maximum van € 10.000,00, nu zij dit voldoende acht om de vrouw ertoe te bewegen het vonnis na te leven en de man bovendien heeft gesteld niet voornemens zijn het onroerend goed (binnenkort) te vervreemden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten in conventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19</nr>
      <para>De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. De man heeft gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten (inclusief nakosten) nu zij misbruik zou maken van het procesrecht. De rechtbank zal deze vordering niet toewijzen. Immers, de inhoud van de vordering van de vrouw is niet van die aard dat geoordeeld moet worden dat zij misbruik heeft gemaakt van het procesrecht. Ten aanzien van het salaris advocaat overweegt de rechtbank voorts dat zij aansluiting zal zoeken bij tarief II, nu het hier gaat om zaken van (vooralsnog) onbepaalde waarde. De kosten aan de zijde van de man (zonder nakosten) worden begroot op:</para>
      <para>- vast recht	€	274,00</para>
      <para>- salaris advocaat	€<emphasis role="underline">	1.130,00</emphasis> (2,5 punten met tarief € 452,00)</para>
      <para>Totaal	€	1.404,00</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20</nr>
      <para>De vrouw zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie (inclusief nakosten). Nu echter enkel de reconventionele vordering van de man ten aanzien van het beslag wordt toegewezen en deze vordering sterk samenhangt met het verweer tegen de conventionele vordering ziet de rechtbank aanleiding de punten van het salaris advocaat te halveren. De kosten aan de zijde van de man (zonder nakosten) worden begroot op € 226,00 (0,5 punt x tarief € 452,00).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nakosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21</nr>
      <para>De man heeft tevens nakosten ad € 199,00 inclusief betekening van het vonnis gevorderd. De rechtbank zal gelet op vorenstaande ook dit bedrag toewijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In conventie</emphasis>
        </para>
        <para>I.	Wijst de vorderingen van de vrouw af.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>II.	Veroordeelt de vrouw in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de man worden begroot op € 1.404,00. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In reconventie</emphasis>
        </para>
        <para>III.	Bepaalt dat de vrouw binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis het beslag op het onroerend goed aan de [adres] te [plaats] opheft, dan wel laat opheffen, en de man daarvan door middel van een uittreksel uit het kadaster binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis in kennis stelt, onder oplegging aan de vrouw van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat de vrouw met de opheffing in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,00. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>IV.	Veroordeelt de vrouw in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de man worden begroot op € 226,00. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In conventie en reconventie</emphasis>
        </para>
        <para>V.	Veroordeelt de vrouw, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door de man volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 199,00 aan salaris advocaat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>VI.	Verklaart de onderdelen II, III, IV en V van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>VII.	Wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Flos en op 16 juli 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>