<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2026:1005</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-23T21:47:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11818315_E12022026</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Eindhoven</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1005">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:1005</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-23T21:47:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2026:1005 Rechtbank Oost-Brabant , 12-02-2026 / 11818315_E12022026</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2026:1005:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>(Gedwongen) verplaatsen chalet op vakantiepark (herstructurering). Artikel 12 RECRON-voorwaarden. Forfaitaire vergoeding en/of vergoeding van de verplaatsingskosten?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2026:1005:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">OOST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Eindhoven</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 11818315 CV EXPL 25-5538</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 12 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. I.G.R. Staring,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd in [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>vertegenwoordigd door: P.W. Nijenhuis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In het dossier zitten deze processtukken:</para>
      <para>- de dagvaarding van 25 juli 2025 met 16 bijlagen,<footnote-ref linkend="_369c6f20-9989-4b7f-b58e-6c9cc48fdbd7" /><?linebreak?>- de (mondelinge) conclusie van antwoord van 21 augustus 2025,</para>
      <para>- de aanvullende (schriftelijke) conclusie van antwoord van 2 oktober 2025 met III bijlagen,</para>
      <para>- de brief van 2 december 2025 van [eiser] met daarbij de aanvullende bijlage 17.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 10 december 2025 heeft de kantonrechter de zaak mondeling behandeld. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling was [eiser] met zijn gemachtigde mr. Staring aanwezig. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van deze zaak en de beslissing in het kort</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] één of meerdere vergoedingen aan [eiser] moet betalen in verband met het gedwongen (laten) verplaatsen van zijn chalet. Hierbij staat artikel 12 van de RECRON-voorwaarden centraal. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft een chalet gehad op vakantiepark “ [naam vakantiepark] ” in [plaats] , geëxploiteerd door [gedaagde] . Het chalet van [eiser] was geplaatst op kavelnummer [nummer] en het betrof een geschakeld/dubbel chalet. Op 6 augustus 2019 is tussen partijen een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot deze standplaats. Op deze huurovereenkomst zijn de RECRON-voorwaarden van toepassing. Bij brief van 21 december 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld dat de huurovereenkomst wordt beëindigd vanwege een geplande herstructurering van het park en dat [eiser] daarom uiterlijk 21 juni 2024 het chalet van het park moet hebben verwijderd. Naar aanleiding daarvan heeft [eiser] het chalet laten verplaatsen naar een ander vakantiepark.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Volgens [eiser] dient [gedaagde] op basis van de RECRON-voorwaarden € 5.726,40 aan hem te betalen. Dit bedrag bestaat uit € 2.653,00 aan forfaitaire vergoeding (algemene verhuiskosten) (artikel 12.6 en 12.9 van de RECRON-voorwaarden) en € 3.073,40 aan (daadwerkelijke) verplaatsingskosten van het chalet tot aan de poort van het park (artikel 12.5 van de RECRON-voorwaarden). [gedaagde] stelt daartegenover dat zij niets hoeft te betalen, omdat zij [eiser] een alternatief heeft aangeboden op het park en in dat geval de verplaatsingskosten voor eigen rekening te nemen (artikel 12.3 en 12.4 van de RECRON-voorwaarden). Zij heeft dit alternatieve aanbod kenbaar gemaakt via een aan [eiser] gestuurde brief. [eiser] betwist dat hij deze brief heeft ontvangen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] een deel van de door [eiser] gevorderde vergoedingen moet betalen, te weten € 2.653,00. Hierna wordt dit uitgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling door de kantonrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 12 van de RECRON-voorwaarden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Partijen zijn het eens dat de RECRON-voorwaarden van 1 maart 2016 van toepassing zijn, maar zij beroepen zich elk op een ander deel van artikel 12 van deze voorwaarden.<footnote-ref linkend="_c73593f7-1717-4ff8-a1d6-d41c63176eae" /> In dit artikel staat: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“</emphasis>
          <emphasis role="bold italic">Artikel 12 Herstructurering </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">1.	Dit artikel is uitsluitend van toepassing op een overeenkomst voor een verplaatsbaar of een niet meer verplaatsbaar kampeermiddel. (…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">3.	In geval van herstructurering waarbij de ondernemer de overeenkomst beëindigt, is de ondernemer verplicht de recreant zo mogelijk een plaats (minimaal gelijkwaardig) op het terrein aan het te bieden, tenzij het kampeermiddel, gezien de leeftijd van het kampeermiddel en/of de staat waarin dit verkeert, niet meer op het terrein past.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">4.	Indien de ondernemer en de recreant op grond van het derde lid een nieuwe overeenkomst sluiten, draagt de ondernemer de directe kosten voor de verplaatsing van het kampeermiddel op [tekst onleesbaar]. De ondernemer vergoedt niet de eventuele verplaatsingskosten voor de verplaatsing van andere zaken zoals serres, terrassen, (aan)bouwsels in welke vorm dan ook, tegelwerk, bestrating en beplanting.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	De ondernemer kan in plaats van het vergoeden van de directe kosten zoals hiervoor in dit lid bepaald, kiezen voor verplaatsing van het kampeermiddel en de eventuele berging, een en ander met inachtneming van de voorwaarden van de RECRON verplaatsingsovereenkomst. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">5.	a.	Indien sprake is van een verplaatsbaar kampeermiddel en een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">minimaal gelijkwaardige plaats niet op het terrein beschikbaar is, 		heeft de recreant de plaats te ontruimen en heeft hij recht op een </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">tegemoetkoming in de verplaatsingskosten indien hij de plaats heeft </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ontruimd overeenkomst artikel 15 lid 1. De verplaatsingskosten </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vanaf de plaats tot buiten het terrein zijn voor rekening van </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ondernemer.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">			Indien de recreant een minimaal gelijkwaardige plaats op het </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">terrein wordt aangeboden onder de verplichting voor recreant te moeten bijdragen in de aanlegkosten zoals bedoeld onder art. 1.1 sub m, heeft de recreant het recht de plaats te weigeren en kan hij aanspraak maken op de tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 6.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">b.	(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">6.	De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van het kampeermiddel als bedoeld in lid 5 onder a en de tegemoetkoming als bedoeld in lid 5 onder b bedraagt € 1.482. In geval van een verplaatsbaar en niet meer verplaatsbaar geschakeld/dubbel kampeermiddel bedraagt de tegemoetkoming € 2.233. De ondernemer heeft het recht van tegemoetkoming met vorderingen op de recreant te verrekenen. (…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">9.	De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten wordt jaarlijks per 1 januari, geïndexeerd (…)”   	</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Alternatief aanbod, ontvangst brief?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het verweer van [gedaagde] komt erop neer dat zij niets aan [eiser] hoeft te betalen, omdat zij een alternatief op het park aan hem heeft aangeboden en in die situatie de verplaatsingskosten voor eigen rekening te nemen (artikel 12.3 en 12.4 van de RECRON-voorwaarden). [gedaagde] verwijst naar de brief van 28 december 2022 waarin een dergelijk aanbod is gedaan (bijlage II bij aanvullende conclusie van antwoord). Volgens [gedaagde] heeft zij deze brief naar het juiste adres verstuurd en wordt daarom geacht de geadresseerde ( [eiser] ) te hebben bereikt. [eiser] stelt dat hij deze brief niet heeft ontvangen en ook dat hij op andere wijze nooit een dergelijk aanbod heeft gekregen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>In dit kader is de zogeheten ontvangsttheorie van belang (artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Deze theorie houdt, kort gezegd, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Het is vervolgens aan [gedaagde] feiten en omstandigheden te stellen om de ontvangst van de brief van 28 december 2022 aannemelijk te maken. Het enkel stellen dat de juiste adressering is gebruikt en dat bovendien de brief van 28 december 2022 naar hetzelfde adres en op dezelfde wijze is verstuurd als de brief van 21 december 2023 (opzeggingsbrief), is in beginsel onvoldoende. Dat is ook naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval zo, omdat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft volhard in zijn standpunt dat hij de brief van 28 december 2022 niet heeft ontvangen en [gedaagde] dit niet heeft weersproken. Daarbij komt dat uit de RECRON-voorwaarden blijkt dat brieven (zoals opzeggingsbrieven) aangetekend dienen te worden verstuurd en/of persoonlijk dienen te worden overhandigd (artikel 11.2). Dat is niet gebeurd met betrekking tot de brief waarin het aanbod zou zijn gedaan, althans dat blijkt nergens uit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Het voorgaande brengt mee dat ervan uit moet worden gegaan dat [eiser] geen brief heeft ontvangen waarin hem een alternatief is aangeboden op het park en dat [gedaagde] daarom een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten aan [eiser] is verschuldigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vergoedingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert een samengesteld bedrag van € 5.726,40. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij toegelicht waaruit dit bedrag bestaat en waarop de afzonderlijke bedragen zijn gebaseerd. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12.5 onder a van de RECRON-voorwaarden ziet op verplaatsingskosten van het chalet tot aan de poort van het vakantiepark. In dit kader vordert hij € 3.073,40 (factuur van 6 november 2023 van [A] , zie bijlage 3 bij dagvaarding). Artikel 12.6 van de RECRON-voorwaarden omvatten de algemene verhuiskosten en betreffen een forfaitaire vergoeding. Hiermee is volgens [eiser] € 2.653,00 gemoeid.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Hoewel [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde bedragen, is de kantonrechter van oordeel dat alleen de door [eiser] gevorderde vergoeding van € 2.653,00 toewijsbaar is, en wel hierom.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De stelling van [eiser] dat hij aanspraak zou kunnen maken op de (daadwerkelijke) verplaatsingskosten van het chalet tot aan de poort van het vakantiepark, berust op een onjuiste uitleg van het bepaalde in artikel 12 van de RECRON-voorwaarden. Ook de stelling van [eiser] dat hij aanspraak kan maken op beide vergoedingen uit artikel 12 van de RECRON-voorwaarden, berust op een verkeerde lezing van dit artikel. Dit zou immers dubbelop zijn, en het bepaalde in artikel 12.5 in combinatie met artikel 12.6 biedt daarvoor ook geen grondslag. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende kunnen uitleggen waarom hij tegelijkertijd aanspraak zou kunnen maken op beide vergoedingen uit artikel 12 van de RECRON-voorwaarden. De kantonrechter is dus van oordeel dat op grond van artikel 12.5 onder a in combinatie met artikel 12.6 van de RECRON-voorwaarden € 2.653,00 toewijsbaar is (forfaitaire vergoeding). Over dit bedrag wordt vanaf 27 januari 2024 de wettelijke rente toegewezen zoals is gevorderd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Daarnaast vordert [eiser] betaling van € 800,20 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is gebaseerd op de gevorderde hoofdsom van € 5.726,40. Omdat een deel van de hoofdsom echter niet toewijsbaar is, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het bedrag van € 2.653,00 dat aan hoofdsom wordt toegewezen. Dit brengt mee dat een bedrag van € 390,30 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Tot slot en proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente. Op basis van het toe te wijzen bedrag, worden de proceskosten van [eiser] vastgesteld op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>148,04</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>257,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris gemachtigde</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>506,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2 punten × € 253,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>126,50</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.037,54</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.653,00 aan vergoeding op basis van artikel 12.5 onder a in combinatie met artikel 12.6 van de RECRON-voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2024 tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 390,30 aan buitengerechtelijke incassokosten,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] vastgesteld op € 1.037,54, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na aanschrijving tot de dag van voldoening en te vermeerderen met de eventuele explootkosten van de betekening van het vonnis,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_369c6f20-9989-4b7f-b58e-6c9cc48fdbd7" label="1">
    <para> Op de eerste pagina van het exploot van dagvaarding staat: <emphasis role="italic">“Heden de vijfentwintigste juli tweeduizendvierentwintig”</emphasis>. De kantonrechter gaat er echter vanuit dat dit berust op een kennelijke verschrijving. Daarom wordt uitgegaan van 25 juli 2025.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c73593f7-1717-4ff8-a1d6-d41c63176eae" label="2">
    <para> Overlegd als bijlage I bij aanvullende conclusie van antwoord.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>