<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2025:5635</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-15T13:14:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/01/417814 / HA ZA 25-479</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:5635">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:5635</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-09T12:38:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2025:5635 Rechtbank Oost-Brabant , 10-09-2025 / C/01/417814 / HA ZA 25-479</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2025:5635:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incident. Voorlopige voorziening tot betaling voorschot.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2025:5635:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Oost-Brabant</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/01/417814 / HA ZA 25-479</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 10 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [eiser 1] , </title>
    <parablock>
      <para>te [woonplaats] ,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">[eiser 2]</emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,<?linebreak?>3. <emphasis role="bold">[eiser 3]</emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,<?linebreak?>4. <emphasis role="bold">[eiser 4]</emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.J.S. Bezemer,</para>
      <para>eisende partijen in de hoofdzaak,</para>
      <para>eisers sub 2 en 4 zijn eisende partijen in het incident,</para>
      <para>hierna samen te noemen: eisers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde 1] , </title>
    <parablock>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat: mr. W.P.G. Verstappen,</para>
    </parablock>
    <para>2. <emphasis role="bold">[gedaagde 2]</emphasis>, </para>
    <parablock>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat: mr. R. Janssen,</para>
    </parablock>
    <para>3. <emphasis role="bold">[gedaagde 3] B.V.</emphasis>, </para>
    <parablock>
      <para>te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>advocaat: mr. R. Janssen,<?linebreak?>gedaagde partijen in de hoofdzaak,</para>
      <para>gedaagde sub 2 is verwerende partij in het incident,</para>
      <para>hierna samen te noemen: gedaagden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding tevens houdende een incidentele vordering</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie van antwoord van gedaagde sub 2.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het incident is gericht tegen gedaagde sub 2. Ten onrechte is ook gedaagde sub 1 door de rechtbank in de gelegenheid gesteld te reageren op de incidentele vordering en heeft dat ook gedaan. De rechtbank zal bij de beoordeling van dit incident daaraan voorbij gaan. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het geschil in de hoofdzaak gaat volgens de dagvaarding kort gezegd om het volgende. Eisers sub 1, 2 en 3 en gedaagden sub 1 en 2 zijn eigenaar van een aantal onroerende zaken. Partijen, behalve eiser sub 4, hebben in november 2023 een overeenkomst gesloten waarin onder andere is afgesproken dat gedaagde sub 3 de onroerende zaken zou herontwikkelen en daar een appartementengebouw en parkeergarage zou bouwen (hierna: de Overeenkomst). Daarnaast hebben eisers sub 2 en 4 een bedrag van € 50.000,00 geleend aan gedaagde sub 2 en zijn echtgenote voor de dekking van mogelijke planschade. Dit bedrag is overgemaakt aan gedaagde sub 3. Volgens eisers hebben eisers sub 1, 2 en 3 geen vertrouwen meer in een normale uitvoering van de Overeenkomst. Eisers sub 1, 2 en 3 willen daarom niet langer in een onverdeelde boedel zitten met gedaagden sub 1 en 2 en willen dat de onroerende zaken worden verkocht. Eisers sub 1, 2 en 3 hebben ook de Overeenkomst ontbonden, omdat niet binnen de termijn van artikel 3 van de Overeenkomst een onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend. Omdat er daarom geen planschade meer kan ontstaan, is het doel van de geldlening vervallen. Eisers sub 2 en 4 willen daarom dat het geleende bedrag wordt terugbetaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande, vorderen eisers – samengevat – in de hoofdzaak dat de rechtbank:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>voor recht verklaart dat de Overeenkomst is ontbonden door de brief van 24 juni 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>gedaagden sub 1 en 2 veroordeelt om mee te werken aan de verkoop van de onroerende zaken en de eigendom aan kopers over te dragen voor een koopprijs van tenminste € 1.762.616,00 k.k., met bepaling dat het vonnis in de plaats komt van de medewerking van gedaagden sub 1 en 2 indien zij gedurende vier weken na overlegging van de koopovereenkomst weigerachtig blijven hun medewerking te verlenen, en onder de verplichting van eisers sub 1, 2 en 3 om de notaris opdracht te verstrekken om de koopsom te verdelen zoals in de dagvaarding staat;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>gedaagden sub 2 en 3 hoofdelijk veroordeelt om aan eisers sub 2 en 4 € 50.000,00 te betalen, te verhogen met de wettelijke rente,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>gedaagden veroordeelt in de proceskosten.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Eisers sub 2 en 4 vorderen daarnaast in het incident dat de rechtbank, zoals de rechtbank begrijpt bij wijze van voorlopige voorziening, gedaagde sub 2 veroordeelt om aan eisers sub 2 en 4 te betalen een bedrag van € 50.000,00 en gedaagde sub 2 veroordeelt in de kosten van het incident. Gedaagde sub 2 voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer eisers daarbij voldoende belang hebben. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat eisers de afloop van de hoofdzaak niet kunnen afwachten of dat een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing reeds toewijsbaar is. De rechtbank zal de provisionele vordering afwijzen, omdat geen van deze omstandigheden zich voordoet en er ook geen sprake is van een andere grond die voldoende belang bij de toewijzing oplevert. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Eisers sub 2 en 4 vorderen alvast betaling van de hierboven onder 3 genoemde vordering in de hoofdzaak, maar dan alleen van gedaagde sub 2. Gedaagde sub 2 heeft in de incidentele conclusie van antwoord gemotiveerd betwist dat eisers sub 2 en 4 een vordering op gedaagde sub 2 hebben. Tussen partijen is dus nog in geschil of gedaagde sub 2 gehouden is een bedrag aan eisers sub 2 en 4 te betalen. Het is aan de rechter in de hoofdzaak om daarover te oordelen. Daarnaast hebben eisers sub 2 en 4 niets gesteld waaruit blijkt dat zij de afloop van de hoofdzaak niet kunnen afwachten, zoals gedaagde sub 2 ook als verweer heeft aangevoerd. Eisers sub 2 en 4 stellen dat eiser sub 2 bijna 80 jaar is en het bedrag deels wil gebruiken om samen met de kinderen een mooie reis te maken. Los van de vraag of dit ‘voldoende belang’ is zoals hiervoor bedoeld, blijkt niet dat eiser sub 2 deze kosten vanwege zijn financiële situatie niet zelf zou kunnen dragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Eisers sub 2 en 4 zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten van het incident (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagde sub 2 worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>614,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(1 punt × € 614,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>792,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt eisers sub 2 en 4 hoofdelijk in de proceskosten van het incident van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2025.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>