<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2025:2608</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T15:23:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02.224603.24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:2608">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:2608</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-17T12:58:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2025:2608 Rechtbank Oost-Brabant , 26-03-2025 / 02.224603.24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2025:2608:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Veroordeling voor belediging van een rechter en een openbare instelling (rechtbank).</para>
        <para>Verwerping van niet-ontvankelijkheidsverweren. Uitlatingen van veroordeelde vallen niet onder de vrijheid van meningsuiting. </para>
        <para>De rechtbank legt aan veroordeelde een taakstraf op van 80 uren alsook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.</para>
        <para>Daarnaast gelast de rechtbank de tenuitvoerlegging van een eerder aan veroordeelde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor soortgelijke feiten als het onderhavige.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2025:2608:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="baed94f8-bead-4946-a39b-a774f82e8619" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="c697c3b8-f039-4371-b5cb-4c032dad3d9f" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>vonnis</para>
  <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
  <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
  <para>Team strafrecht</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Parketnummer: 02.224603.24<?linebreak?>Parketnummer vordering: 05.014866.20</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 26 maart 2025</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold underline">
        [verdachte]
      </emphasis>
      <emphasis role="bold">,</emphasis>
    </para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,</para>
    <para>wonende te [adres] . </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 februari 2025 en 12 maart 2025.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte) naar voren is gebracht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">De tenlastelegging.</emphasis>
    </para>
    <para>De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 oktober 2024.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
  </parablock>
  <para />
  <bridgehead role="italic">1. </bridgehead>
  <para>
    <emphasis role="italic">hij, in of omstreeks de periode van 23 november 2023 tot en met 13 december 2023 te Breda, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (rechter bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (schriftelijk) heeft beledigd, door in een of meerdere schriftelijke stukken (te weten bezwaarschriften) onder andere de volgende teksten op te nemen:</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">- ‘De uitspraak is gedaan door [slachtoffer] , ja, dat zegt alles natuurlijk!! Dan weet je dat je genaaid wordt in dit kutland!’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">- ‘ [slachtoffer] is kennelijk – buiten elke mogelijke twijfel verheven – gevoelig gebleken voor externe factoren, waaronder de invloed van de heffende en wetgevende nationale autoriteit. Hij deugt per definitie niet!’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘Waar haalt die man het allemaal vandaan? Hij wekt tenminste de indruk (veel) geld gestort te krijgen op bv een rekening op de Kaaimaneilanden?? Waarom naai je anders burgers zo intens, loop je ze te naaien en op te lichten’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘ [slachtoffer] wekt de indruk heel veel geld en/of goederen en/of gunsten via de achterdeur te krijgen om burgers zo hun fundamentele rechten te doen verneuken!! Hij doet ons geloven als ‘rechtertje’ onafhankelijk en onpartijdig te zijn, maar feitelijk is hij natuurlijk een grote boef!! Een hele grote viezerik die structureel burgers ontdoet van hun gerechtvaardigde belangen! Echt een vies, intens gemeen, naargeestig mannetje!’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘Uw intens nare, kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke rechtbank in Breda, volzet met viezerds als [slachtoffer] .’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘Dat kan louter en alleen dan wanneer je gebleken en bewezen en aangetoond kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk acteert, zoals [slachtoffer] .’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘ [slachtoffer] is een regelrechte schande voor elke democratie en voor elke rechtsstaat, die uiteraard in Nederland geheel ontbreekt’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘ [slachtoffer] , buiten elke mogelijke twijfel kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk, blijkbaar buiten elke mogelijke twijfel verheven gevoelig voor externe factoren (…), heeft teneinde weer eens in zijn nimmer aflatende drang burgers te bestelen in het belang zijn persoonlijke en nationale belangen te laten prevaleren op het algemeen belang van de unie (…)’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘door [slachtoffer] , hij laat altijd en eeuwig zijn persoonlijke en nationale belangen prevaleren boven het recht van de Unie (…)’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘ [slachtoffer] is niet alleen een ongekende boef, maar ook een hele nare zielige niksnut die burgers structureel naait, bedriegt en misleid en schuwt daarbij helemaal niks.’;</emphasis>
  </para>
  <para />
  <para>
    <emphasis role="italic">2.</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">hij, in of omstreeks de periode van 23 november 2023 tot en met 13 december 2023 te Breda, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk het openbaar gezag of een openbaar lichaam of een openbare instelling, te weten de rechtbank Zeeland-West-Brabant, heeft beledigd door in een of meerdere ingestuurde en/of overlegde schriftelijke stukken (te weten bezwaarschriften) onder andere de teksten op te nemen:</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘Kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke rechtbank in Breda, ongekend criminele organisatie met maffiose trekken’ en/of</emphasis>
    <?linebreak?>
    <emphasis role="italic">-‘Ik wil gehoord worden alvorens Uw boevenclub uitspraak doet op verzet’.</emphasis>
    <?linebreak?>
  </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">De vordering na voorwaardelijke veroordeling.</emphasis>
    </para>
    <para>De zaak met parketnummer 05.014866.20 is aangebracht bij vordering van 23 oktober 2024. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland van 2 februari 2022 (bijlage 1). </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">De formele voorvragen.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">De geldigheid van de dagvaarding.</emphasis>
    </para>
    <para>Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">De bevoegdheid van de rechtbank. </emphasis>
    </para>
    <para>De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">De ontvankelijkheid van de officier van justitie.</emphasis>
    </para>
    <para>De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Aan dat verweer heeft de verdediging drie pijlers ten grondslag gelegd. Naar de mening van de verdediging is de vervolging van verdachte in strijd met het “ne bis in idem” beginsel (I). Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat de huidige strafvervolging voor een oneigenlijk doel wordt gebruikt, hetgeen in strijd is met de beginselen van een goede procesorde (II). Tot slot is de verdediging van mening dat er niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen aangifte is gedaan van de thans aan verdachte verweten feiten (III). </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank verwerpt de voornoemde door de verdediging gevoerde verweren op alle punten en komt tot de slotsom dat de officier van justitie in zijn vervolging kan worden ontvangen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. </para>
  </parablock>
  <para />
  <paragroup>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geen schending van het “ne bis in idem” beginsel. </emphasis>
      </para>
      <para>De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in de bestuursrechtelijke procedure, waarvan het verzetschrift van 23 november 2023 in deze strafzaak is opgenomen en die mede aanleiding heeft gevormd voor de strafvervolging van de verdachte, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant met toepassing van het bepaalde in artikel 8:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geweigerd als gemachtigde. Naar de mening van de verdediging is deze weigering de facto een strafmaatregel en daarmee een “criminal charge” als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en is de onderhavige vervolging om die reden in strijd met het “ne bis in idem” beginsel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat artikel 8:25 van de Awb bedoeld is als uiterste maatregel tegen gemachtigden of bijstandsverleners in een bestuursrechtelijke procedure, van wie moet worden aangenomen dat hun optreden ernstige schade kan toebrengen. Dit criterium is daarbij niet beperkt tot gedrag, waardoor de gemachtigde of bijstandsverlener schade toebrengt aan concrete individuele belangen van zijn cliënt. Die ernstige bezwaren kunnen ook ontstaan door gedrag van de gemachtigde of bijstandsverlener, waardoor een behoorlijke rechtsbedeling in gevaar wordt gebracht.<footnote-ref linkend="_0ecc35a1-d523-4133-a4bf-3890a0972187" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een weigering op grond van artikel 8:25 van de Awb is naar het oordeel van de rechtbank aldus (a) een bestuursrechtelijke maatregel, die (b) kan worden genomen om een procedure ordentelijk te laten verlopen. Het is dus een bestuursrechtelijke procesbeslissing die niet het oogmerk heeft van leedtoevoeging en niet gelijk is te stellen met een strafrechtelijke sanctie en daarmee naar het oordeel van de rechtbank dus ook geen “criminal charge” oplevert als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het “ne bis in idem” beginsel is daarom niet geschonden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geen schending van de beginselen van een goede procesorde.</emphasis>
      </para>
      <para>De verdediging heeft betoogd dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant enkel en alleen aangifte heeft gedaan tegen de verdachte om hem, na een eventueel veroordelend vonnis, permanent te kunnen weigeren in bestuursrechtelijke procedures. Aldus meent de verdediging dat de strafvervolging als oneigenlijk middel wordt gebruikt om via het strafrecht te bereiken wat niet over de boeg van het bestuursrecht kan. Daarmee zijn de aangifte en de vervolging in strijd met de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder het recht op een eerlijk proces, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de stelling van de verdediging dat de onderhavige strafzaak is geïnitieerd om verdachte als gemachtigde in bestuurszaken permanent uit de zittingszaal te kunnen weren, is naar het oordeel van de rechtbank geen begin van aannemelijkheid gegeven. Het procesdossier biedt daar ook geen aanknopingspunten voor. De rechtbank begrijpt uit de aangifte dat het doel daarvan niet is het permanent weren van de verdachte, maar dient om verdachte een halt toe te roepen voor wat betreft zijn taalgebruik dat door de rechtbank Zeeland-West-Brabant en de rechter als grof en beledigend is ervaren. Er is pas aangifte gedaan, nadat verdachte meermalen en op verschillende wijzen tevergeefs erop is gewezen dat zijn taalgebruik niet passend is. Bovendien behoort het permanent weigeren van een gemachtigde of bijstandsverlener in bestuursrechtelijke geschillen niet tot de mogelijkheden, nu volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad de aard van de in artikel 8:25, eerste lid, van de Awb geregelde weigering met zich brengt dat het rechtsgevolg ervan beperkt moet blijven tot die ene zaak en tot die instantie, waarin de beslissing is genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is dan ook van oordeel dat in deze strafzaak geen sprake is van een oneigenlijk doel, maar van strafrechtelijke doelen van preventie en vergelding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daar komt bij dat krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) neergelegde opportuniteitsbeginsel, het aan het Openbaar Ministerie is om zelfstandig te beslissen of – en zo ja – wie vervolgd wordt. Hierbij heeft het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid. Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen raken. Dit betekent dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld, doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet, terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in de onderhavige zaak geen sprake. De door verdachte gebezigde bewoordingen in de door hem opgestelde en ingestuurde verzetschriften naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant vormden voor het Openbaar Ministerie meer dan voldoende aanleiding om middels strafvervolging te handelen in het belang van de openbare orde en veiligheid, omdat die uitlatingen bijdragen aan de ondermijning van het gezag van een rechter en een rechtbank. Ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een uitzonderlijk geval dat de conclusie rechtvaardigt dat de vervolging door het Openbaar Ministerie onverenigbaar is met het verbod van willekeur. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van schending van de beginselen van goede procesorde is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geen schending van de wettelijke bepalingen ter zake van de aangifte. </emphasis>
      </para>
      <para>De verdediging heeft aangevoerd dat de betrokken rechter zelf geen aangifte heeft gedaan van belediging en dat hij de president van de rechtbank Zeeland-West-Brabant evenmin heeft gemachtigd tot het doen van aangifte daarvan. Nu die machtiging in het dossier ontbreekt, is de aangifte naar de mening van de verdediging niet gedaan overeenkomstig het bepaalde in artikel 163, eerste lid, Sv. Verder is met betrekking tot feit 2 in zijn geheel geen aangifte gedaan. Deze onvolkomenheden staan volgens de verdediging in de weg aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt het volgende vast.</para>
      <para>Artikel 161 Sv geeft eenieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit de bevoegdheid om daarvan aangifte te doen. Dit betekent dat iedereen, ongeacht of diegene direct benadeeld is, een strafbaar feit kan melden bij de politie of een andere opsporingsinstantie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 1 februari 2024 namens het gerechtsbestuur ten behoeve van de betrokken rechter schriftelijk aangifte gedaan van belediging bij de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant. Op 17 maart 2024 is deze aangifte geverbaliseerd in een proces-verbaal aangifte van de politie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het stond het bestuur, de functionele autoriteit van de betrokken rechter, vrij deze aangifte te doen. Zij had immers kennis van de gedragingen van verdachte en het betroffen bovendien verdenkingen die een ernstige verstoring van de rechtsgang inhielden. Ook in dit geval was een bijzondere volmacht van de betrokken rechter aan de president van de rechtbank ex artikel 163, eerste lid, Sv niet nodig voor het Openbaar Ministerie om vervolging tegen de verdachte in te zetten. Zij heeft daartoe – zoals hiervoor vermeld –  immers ambtshalve die bevoegdheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer dat er een gebrek kleeft aan de aangifte kan om deze reden niet slagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt verder dat uit artikel 269 jo 267 Sv volgt dat het klachtvereiste voor vervolging niet aan de orde is, omdat het in deze strafzaak belediging betreft aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (de betrokken rechter) en een openbare instelling (de rechtbank). Het eventuele ontbreken van een aangifte en klacht ten aanzien van feit 2 kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook evenmin tot enig rechtsgevolg leiden.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van schending van de wettelijke bepalingen ter zake van de aangifte is geen sprake. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De gronden voor schorsing van de vervolging. </emphasis>
      </para>
      <para>Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De inleiding. </emphasis>
      </para>
      <para>De verdachte is een professionele gemachtigde die landelijk procedeert in bestuursrechtelijke geschillen. In dat kader heeft verdachte in verschillende procedures twee verzetschriften opgesteld en aan de afdeling belastingrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gezonden. De inhoud van deze verzetschriften hebben er toe geleid dat de president van voornoemde rechtbank aangifte heeft gedaan van belediging/smaad/laster begaan tegen een (bestuurs)rechter. Als gevolg daarvan is het Openbaar Ministerie tot strafvervolging van de verdachte overgegaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte worden thans twee beledigingen tenlastegelegd. Onder feit 1 wordt hem verweten dat hij in de periode van 23 november 2023 tot en met 13 december 2023 in Breda een rechter bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft beledigd en onder feit 2 wordt hem verweten dat hij in diezelfde periode en plaats een openbare instelling, te weten de rechtbank Zeeland-West-Brabant, heeft beledigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De standpunten. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie.</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie acht de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging.</emphasis>
      </para>
      <para>De verdediging heeft om uiteenlopende, hierna te bespreken, gronden bepleit dat verdachte vrijgesproken moet worden van de hem verweten feiten, dan wel behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De bewijsmiddelen.</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_03335835-c913-41b3-82d5-ed3714c4824e" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. <emphasis role="bold underline">een proces-verbaal van aangifte met bijlagen, opgemaakt d.d. 17 maart 2024, na aangeleverde schriftelijk aangifte vanuit de rechtbank, dossierpagina's 5-6, voor zover - zakelijk weergegeven: –</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik, [aangever] , doe namens het slachtoffer, mr. [slachtoffer] (handelend in zijn hoedanigheid van rechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant), aangifte van belediging. Voor alle informatie over de gedane beledigingen verwijs ik naar de bijlagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. <emphasis role="bold underline">een geschrift, te weten een schriftelijke aangifte van belediging/smaad/laster, ondertekend op 1 februari 2024, dossierpagina’s 8-10, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende de verklaring van [aangever] :</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens het gerechtsbestuur van de rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt door mij aangifte gedaan van belediging/smaad/laster ten aanzien van mr. [slachtoffer] , handelend in zijn hoedanigheid van rechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het gerechtsbestuur is de functionele autoriteit van mr. [slachtoffer] . De aangifte is gericht tegen [verdachte] , optredend als gemachtigde in bestuursrechtelijke geschillen (belastingkamer). [verdachte] is een professionele gemachtigde die veelvuldig (en landelijk) procedeert. De afgelopen jaren is [verdachte] regelmatig als gemachtigde geweigerd (op grond van artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht) wegens grof en beledigend taalgebruik. Hij laat zich op een wijze uit over de rechtspraak en rechters die op zijn minst beledigend is. Door het gerechtsbestuur is niet eerder aangifte gedaan, maar wordt dit nu, vanwege het voortdurend strafbaar handelen door [verdachte] en ter bescherming van bij onze rechtbank werkzame collega's, noodzakelijk geacht. Bij deze aangifte zijn twee verzetschriften gevoegd, waaruit het strafbaar handelen door het beledigende en lasterlijke taalgebruik jegens mr. [slachtoffer] kan blijken. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>3. <emphasis role="bold underline">een geschrift, te weten een verzetschrift 23 november 2023, ondertekend door verdachte, dossierpagina’s 17-19 , voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende: </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[...] Hierbij stuur ik uw gebleken en aangetoond kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke rechtbank in Breda, ongekend criminele organisatie met maffiose trekken, mijn verzetschrift.[...] De uitspraak is gedaan door [slachtoffer] , ja, dat zegt alles natuurlijk!! Dan weet je dat je genaaid wordt in dit kutland! [slachtoffer] is kennelijk - buiten elke mogelijke twijfel verheven - gevoelig gebleken voor externe factoren, waaronder de invloed van de heffende en wetgevende nationale autoriteit. Hij deugt per definitie niet! [...] [slachtoffer] is niet alleen een ongekende boef, maar ook een hele nare zielige niksnut die burgers structureel naait, bedriegt en misleid en schuwt daarbij helemaal niks. [...] Waar haalt die man het allemaal vandaan? Hij wekt tenministe de indruk (veel) geld gestort te krijgen op b.v. een rekening op de Kaaimanelanden?? Waarom naai je anders burgers zo intens, loop je ze te naaien en te bestelen en op te lichten [...] [slachtoffer] wekt de indruk heel veel geld en/of goederen en/of gunsten via de achterdeur te krijgen om burgers zo hun fundamentele rechten te doen verneuken!! Hij doet ons geloven als "rechtertje" onafhankelijk en onpartijdig te zijn, feitelijk is hij natuurlijk een grote boef!! Een hele grote viezerik die structureel burgers ontdoet van hun gerechtvaardigde belangen!! Echt een vies, intens, gemeen, naargeestig mannetje!! [...] Uw intens nare, kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke rechtbank in Breda, volzet met viezierds als [slachtoffer] [...] Ik wil gehoord worden alvorens Uw boevenclub uitspraak doet op verzet [...]<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>4. <emphasis role="bold underline">een geschrift, te weten een verzetschrift 13 december 2023, ondertekend door verdachte, dossierpagina’s 11-16 , voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[...] [slachtoffer] , buiten elke mogelijke twijfel kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk, blijkbaar buiten elke mogelijke twijfel verheven gevoelig voor externe factoren [...] heeft teneinde weer eens in zijn nimmer aflatende drang burgers te bestelen in het belang zijn persoonlijke en nationale belangen te laten prevaleren op het algemeen belang van de Unie [...] Door [slachtoffer] , hij laat altijd en eeuwig zijn persoonlijke en nationale belangen prevaleren boven het recht van de Unie [...] Dat kan louter en alleen dan wanneer je gebleken en bewezen en aangetoond kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk acteert, zoals [slachtoffer] . [...] [slachtoffer] is een regelrechte schande voor elke democratie en voor elke rechtstaat, die uiteraard in Nederland geheel ontbreekt [...]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De bewijsbeslissing. </emphasis>
      </para>
      <para>De door de verdediging gevoerde verweren, strekkende tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging, zijn gegrond op zes ankers. Ten eerste is de verdediging van mening dat de tenlastegelegde uitlatingen van verdachte onder de vrijheid van meningsuiting vallen zoals onder meer neergelegd in artikel 10 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verdediging heeft zich ten tweede op het standpunt gesteld dat de uitlatingen niet als eenvoudige belediging kunnen worden gekwalificeerd, maar hoogstens als smaad of smaadschrift. Ten derde meent de verdediging dat het Openbaar Ministerie expliciet een keuze had moeten maken in de tenlastelegging voor één van de drie genoemde varianten van eenvoudige belediging als bedoeld in artikel 266 Sr en ten vierde wordt betoogd dat de belediging niet in het openbaar heeft plaatsgevonden. Ten vijfde is de verdediging van mening dat niet bewezen kan worden dat het slachtoffer kennis heeft genomen van de tenlastegelegde uitlatingen. Tot slot meent de verdediging dat aan verdachte een vruchtbaar beroep toekomt op de exceptie, genoemd in artikel 266, tweede lid, Sr. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert dat de gevoerde verweren niet kunnen slagen en dat zij om die reden worden verworpen. De rechtbank zal hierna gecombineerd toelichten waarom zij tot dat oordeel is gekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijheid van meningsuiting en de kwalificatie van de gedragingen.</emphasis>
      </para>
      <para>Het fundamentele recht op vrije meningsuiting is onder meer gewaarborgd in artikel 10, eerste lid, EVRM. Dit recht is echter niet absoluut en kent beperkingen, zoals bepaald in het tweede lid van dat artikel, waarin onder meer is bepaald dat het in dat lid omschreven recht kan worden beperkt op een bij de wet voorziene wijze, wanneer het een gerechtvaardigd doel dient en daartoe in een democratische samenleving de noodzaak bestaat. In het Nederlands recht is de beperking van het recht als bedoeld in artikel 10, lid 2 EVRM onder andere neergelegd in de artikelen 266 en 267 Sr, waarin belediging strafbaar is gesteld.  Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet een beperking als bedoeld in artikel 10, lid 2 EVRM beantwoorden aan een dringende maatschappelijke behoefte. In een goed functionerende democratische samenleving is het van essentieel belang dat burgers hun mening kunnen uiten en aan maatschappelijke discussies kunnen deelnemen. Een beperking op de vrijheid van meningsuiting is, waar het gaat om uitlatingen die een bijdrage leveren aan de maatschappelijke discussie, niet snel gerechtvaardigd, ook niet als het gaat om uitlatingen die kwetsen, shockeren of verontrusten. Het beperken van de vrijheid van meningsuiting is zonder verdragsschending slechts mogelijk indien, bij een weging van belangen, het maatschappelijk belang bij een vrij en open debat niet langer de doorslag kan geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De strafbaarstelling van belediging in artikel 266, 267 Sv dient een gerechtvaardigd doel en is daartoe in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen, waaronder ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en openbare instellingen. Van een niet noodzakelijke en ongeoorloofde beperking van het recht op vrije meningsuiting is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft geen omstandigheden aangevoerd die tot de door haar voorgestane conclusie zouden kunnen leiden dat het sanctioneren van belediging onevenredig is en in de weg zou staan aan een juiste toepassing van het Unierecht. Niet onderbouwd is tot welke disproportionele gevolgen dit buiten het strafrecht zou leiden. De door de verdediging voorwaardelijk gedane verzoeken om prejudiciële vragen over de reikwijdte en bescherming van artikel 11 Handvest te stellen aan het Hof van Justitie dan wel aan de Hoge Raad, worden afgewezen, nu de noodzaak daarvan, mede gezien het voorgaande, aan de rechtbank niet is gebleken.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beoordeling van de strafbaarheid van een uitlating wegens eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 en 267 Sr dient rekening te worden gehouden met (I) de bewoordingen van die uitlating en de vraag of sprake is van een waardeoordeel of een feitelijke beschuldiging, (II) de context waarin de uitlating is gedaan, waaronder ook (de functie van) de persoon die de uitlating deed en (de functie van) de persoon op wie de uitlating betrekking heeft, (III) de manier van openbaarmaking van de uitlating, (IV) de vraag of de uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie, en (V) de vraag of de uitlating onnodig grievend is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat verdachte zich jegens een rechter en een rechtbank heeft uitgelaten, zoals bij punt 3. en 4. onder het kopje “de bewijsmiddelen” is opgenomen. De uitlatingen heeft verdachte gedaan in zijn hoedanigheid van een landelijk procederende professionele gemachtigde in bestuursrechtelijke geschillen in twee verzetschriften in verschillende procedures. Deze verzetschriften zijn afzonderlijk van elkaar verstuurd naar het algemene postadres van de afdeling belastingrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De daarin gebezigde bewoordingen vormen naar het oordeel van de rechtbank een waardeoordeel en een feitelijke beschuldiging aan het adres van de betrokken rechter en de rechtbank. De gekozen bewoordingen zijn naar hun aard zonder meer beledigend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat deze waardeoordelen en beschuldigingen niet gestoeld zijn op enig door verdachte aangedragen bewijs over de juistheid van zijn beweringen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de uitingen van verdachte, bezien naar de inhoud van de bewoordingen en de context waarin die bewoordingen zijn geuit, evenmin worden beschouwd als een bijdrage leverend aan het publieke debat noch van een artistieke expressie. Dat ligt reeds besloten in de gekozen bewoordingen en de inhoud van de beweringen, die immers op geen enkel doel dienen in het juridische debat in de gevoerde bestuursrechtelijke procedures. De uitlatingen zijn louter en onnodig grievend en door verdachte kennelijk gedaan om zijn frustraties te uiten en de betrokken rechter en de rechtbank in een kwaad daglicht te zetten. Het ventileren van frustraties is nooit passend, zeker niet voor een professionele gemachtigde als verdachte. Iedereen die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer heeft aanspraak op een respectvolle bejegening. De onnodig grievende uitlatingen van verdachte aan het adres van een rechter en rechtbank klemmen des te meer, gezien de rol van de rechtspraak in de democratische samenleving en de afbreuk die daaraan gedaan wordt als die respectvolle bejegening achterwege blijft. De uitlatingen van verdachte tasten het gezag van de rechter en de rechtbank aan en zijn ondermijnend voor de rechtspraak.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert aldus dat de uitlatingen van de verdachte niet onder het bereik van de vrijheid van meningsuiting vallen. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte strafbare belediging opleveren en kwalificeert deze ook als zodanig. Gelet hierop faalt ook het verweer van de verdediging dat de gedragingen van de verdachte gekwalificeerd zouden moeten worden als smaad(schrift). </para>
    </parablock>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Expliciete keuze van de tenlastelegging, openbaarheid en kennisname uitlatingen . </emphasis>
      </para>
      <para>Uit de wettelijke bepalingen van artikel 266 Sr volgt dat een strafbare belediging op meerdere wijzen kan plaatsvinden, namelijk (1) in het openbaar (mondeling, bij geschrift of afbeelding), (2) in de tegenwoordigheid van de beledigde (mondeling of door feitelijkheden) en (3) door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de tenlastelegging wordt verdachte verweten dat de beledigingen hebben plaatsgevonden door “schriftelijke stukken (te weten bezwaarschriften)”.  Nu het in deze gaat om verzetschriften en duidelijk is dat daarop wordt gedoeld, zal de rechtbank de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen. De officier van justitie heeft in reactie op het pleidooi van de raadsman, inhoudende dat de tenlastegelegde beledigingen niet in het openbaar hebben plaatsgevonden, gereageerd dat die constatering juist is en dat dit daarom ook niet aan de verdachte is tenlastegelegd. De rechtbank concludeert dan ook dat de tenlastegelegde beledigingen geënt zijn op variant 3, namelijk dat de beledigingen hebben plaatsgevonden door een toegezonden of aangeboden geschrift, in dit geval de verzetschriften, die naar hun aard dienen om ingediend te worden en ook als zodanig aan de rechtbank zijn toegezonden of aangeboden. Dit maakt dat de bespreking van het door de verdediging gevoerde verweer over de openbaarheid achterwege kan blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal voor wat betreft feit 1 (de belediging van de rechter) wel ingaan op de vraag of het toezenden of aanbieden van een geschrift met een beledigende tekst aan een derde, niet zijnde de beledigde, kan worden aangemerkt als het toezenden of aanbieden van geschriften in de zin van artikel 266, eerste lid, Sr. Bij de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte heeft de door hem opgestelde en ingestuurde verzetschriften weliswaar niet rechtstreeks aan de betrokken rechter geadresseerd, maar wel aan de “afdeling belastingrecht” van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarmee heeft verdachte beoogd dat deze in behandeling zouden worden genomen en dat kennis van de inhoud zou worden genomen. Het is naar het oordeel van de rechtbank evident dat betrokkenen ten behoeve van de te verrichten administratieve handelingen, rolhandelingen en de inhoudelijke behandeling van de verzetschriften al dan niet summier kennisnemen van de inhoud van deze verzetschriften. Hoewel al die betrokkenen een geheimhoudingsplicht hebben, zoals de verdediging heeft aangevoerd, geldt deze plicht alleen ten aanzien van anderen buiten de kring van de medewerkers die werkzaam zijn op de afdeling belastingrecht van die rechtbank. Temeer gezien de gebezigde bewoordingen die rechtstreeks geadresseerd worden aan de desbetreffende rechter, acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat deze de rechter niet zouden hebben bereikt. Als professioneel gemachtigde in bestuursrechtelijke procedures moet verdachte geacht worden ervan op de hoogte te zijn dat verzetschriften door meerdere betrokkenen binnen de desbetreffende afdeling gezien worden en dat de inhoud daarvan, wanneer deze een bepaalde rechter aangaat, de desbetreffende rechter zal bereiken. De bekendheid van de betrokken rechter met de inhoud van het verzetschrift  blijkt uit de hiervoor besproken omstandigheid dat de president van de rechtbank aangifte heeft gedaan ten behoeve van de betrokken rechter en de betrokken rechter voorts middels een zogenaamd “wensenformulier’ heeft aangegeven informatie over het verloop van de strafzaak te willen ontvangen. De rechtbank concludeert dan ook dat de betrokken rechter op de hoogte is geraakt van de door verdachte jegens hem gedane uitlatingen en dat deze hem hebben bereikt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte (1) op zijn minst de bedoeling of de wetenschap heeft gehad dat zijn verzetschriften de betrokken rechter zouden bereiken en (2) dat hij deze verzetschriften heeft doen uitgaan op zodanige wijze dat inderdaad te verwachten valt dat deze de betrokken rechter (al dan niet langs indirecte weg) zouden bereiken, terwijl de verzetschriften de betrokken rechter ook daadwerkelijk hebben bereikt. </para>
    </parablock>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Exceptie. </emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft hiervoor, onder punt I, overwogen dat de gedragingen van verdachte er niet toe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen en dat de uitingen van verdachte onnodig grievend zijn. Een beroep op de zogenaamde exceptie van artikel 266, tweede lid, Sr kan om die reden niet slagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de gevoerde verweren niet kunnen slagen, komt de rechtbank tot de eindconclusie dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn als na te melden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De bewezenverklaring.</emphasis>
      </para>
      <para>Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen – bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">1. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">in de periode van 23 november 2023 tot en met 13 december 2023 te Breda opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (rechter bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (schriftelijk) heeft beledigd, door in schriftelijke stukken (te weten verzetschriften) onder andere de volgende teksten op te nemen:</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- ‘De uitspraak is gedaan door [slachtoffer] , ja, dat zegt alles natuurlijk!! Dan weet je dat je genaaid wordt in dit kutland!’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- ‘ [slachtoffer] is kennelijk – buiten elke mogelijke twijfel verheven – gevoelig gebleken voor externe factoren, waaronder de invloed van de heffende en wetgevende nationale autoriteit. Hij deugt per definitie niet!’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘Waar haalt die man het allemaal vandaan? Hij wekt tenminste de indruk (veel) geld gestort te krijgen op bv een rekening op de Kaaimaneilanden?? Waarom naai je anders burgers zo intens, loop je ze te naaien en op te lichten’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘ [slachtoffer] wekt de indruk heel veel geld en/of goederen en/of gunsten via de achterdeur te krijgen om burgers zo hun fundamentele rechten te doen verneuken!! Hij doet ons geloven als ‘rechtertje’ onafhankelijk en onpartijdig te zijn, maar feitelijk is hij natuurlijk een grote boef!! Een hele grote viezerik die structureel burgers ontdoet van hun gerechtvaardigde belangen! Echt een vies, intens gemeen, naargeestig mannetje!’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘Uw intens nare, kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke rechtbank in Breda, volzet met viezerds als [slachtoffer] .’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘Dat kan louter en alleen dan wanneer je gebleken en bewezen en aangetoond kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk acteert, zoals [slachtoffer] .’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘ [slachtoffer] is een regelrechte schande voor elke democratie en voor elke rechtsstaat, die uiteraard in Nederland geheel ontbreekt’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘ [slachtoffer] , buiten elke mogelijke twijfel kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk, blijkbaar buiten elke mogelijke twijfel verheven gevoelig voor externe factoren (…), heeft teneinde weer eens in zijn nimmer aflatende drang burgers te bestelen in het belang zijn persoonlijke en nationale belangen te laten prevaleren op het algemeen belang van de unie (…)’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘door [slachtoffer] , hij laat altijd en eeuwig zijn persoonlijke en nationale belangen prevaleren boven het recht van de Unie (…)’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘ [slachtoffer] is niet alleen een ongekende boef, maar ook een hele nare zielige niksnut die burgers structureel naait, bedriegt en misleid en schuwt daarbij helemaal niks.’;</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">2.</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">op 23 november 2023 te Breda opzettelijk een openbare instelling, te weten de rechtbank Zeeland-West-Brabant, heeft beledigd door in een ingestuurd schriftelijk stuk (verzetschrift) onder andere de teksten op te nemen:</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘Kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke rechtbank in Breda, ongekend criminele organisatie met maffiose trekken’ en</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">-‘Ik wil gehoord worden alvorens Uw boevenclub uitspraak doet op verzet’.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De strafbaarheid van de feiten.</emphasis>
      </para>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De strafbaarheid van verdachte.</emphasis>
      </para>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De oplegging van straffen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De eis van de officier van justitie.</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis (bijlage 2). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging.</emphasis>
      </para>
      <para>De verdediging heeft onder verwijzing naar een aantal, binnen de rechtspraak gehanteerde,  uitgangspunten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte verzocht om bij een eventuele veroordeling voor één of meer feiten aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank.</emphasis>
      </para>
      <para>Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover deze ter terechtzitting zijn gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft als professionele gemachtigde in bestuursrechtelijke zaken in een tweetal verzetschriften zich onnodig grievend en strafbaar uitgelaten richting een bestuursrechter én de openbare instelling rechtbank Zeeland-West-Brabant.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op deze manier zijn frustraties tot uiting heeft gebracht tegen een rechter die kennelijk eerder voor verdachte en/of zijn cliënten onwelgevallige beslissingen heeft genomen. Een rechtzoekende hoeft het niet eens te zijn met een beslissing van een rechter. Het wettelijk systeem voorziet in de mogelijkheden om op te komen tegen beslissingen van een rechter. Daarbij is binnen de grenzen van het toelaatbare ook ruimte om op het scherpst van het snede kritiek te hebben en weerstand te bieden. Die ruimte wordt begrensd door hetgeen bij de strafwet als belediging wordt aangemerkt. Juist als professional had verdachte dit moeten weten en een andere weg moeten inslaan dan de weg die hij nu met zijn uitlatingen heeft genomen. Door ervoor te kiezen om zich beledigend uit te laten, heeft de verdachte de strafbare grens betreden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorafgaand aan de aangifte die tot deze strafzaak heeft geleid, is verdachte door de rechtbank Zeeland-West-Brabant herhaaldelijk verzocht om te stoppen met grof en beledigend taalgebruik in zijn communicatie met de rechtbank, waarbij hij in verschillende bestuursrechtelijke procedures regelmatig ook als gemachtigde werd geweigerd. Dit alles heeft echter niet het gewenste resultaat gehad. Verdachte is blijven doorgaan met zijn ontoelaatbare handelingen. Het gedrag van verdachte getuigt dan ook van een enorm gebrek aan fatsoen en respect voor (het gezag van) een rechter en de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Door de beledigende uitlatingen heeft verdachte niet alleen de eer en goede naam van die betrokken rechter en rechtbank geschaad, maar ook hun gezag, hetgeen ernstig ondermijnend is voor de rechtspraak en daarmee ook voor de rechtstaat. Dit is verwerpelijk en onacceptabel. Rechters en rechtbanken moeten immers in het belang van de openbare orde en veiligheid kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met deze beledigingen van verdachte. Bovendien is het gedrag van verdachte in strijd met alle normen en waarden in een beschaafd land en hoe een betamelijk handelend professionele dienstverlener zicht dient te gedragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat de rechtbank Midden-Nederland op 2 februari 2022 verdachte (thans onherroepelijk) heeft veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00 en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaar voor het beledigen van de rechtbank Gelderland, de Hoge Raad en twee rechters op een soortgelijke wijze als in de onderhavige zaak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat verdachte het verwerpelijke van zijn handelingen niet inziet, blijkt uit het feit dat hij ondanks deze veroordeling, en lopende in een proeftijd, zich wederom schuldig heeft gemaakt aan een belediging van een rechter en een rechtbank. De omstandigheid dat verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij hulp heeft gezocht bij, en onder behandeling heeft gestaan van, een psycholoog en daar baat bij heeft gehad, verhoudt zich niet met zijn latere verklaring op zitting dat hij zich nu in de communicatie met de rechtbank ‘sociaal wenselijk’ gedraagt. Uit die opmerking maakt de rechtbank op dat verdachte de laakbaarheid van zijn gedragingen niet inziet. De rechtbank voelt in deze indruk gesterkt door de uitlatingen die nog altijd geplaatst staan op de bedrijfswebsite van verdachte, te weten: “<emphasis role="italic">Wij hebben de nationale rechtspraak ‘ontmaskert’ als zijnde kennelijk partijdig en kennelijk afhankelijk(…). Wij hebben – terecht in onze beleving – 0,00% vertrouwen in de rechtspraak in lidstaat Nederland</emphasis>.”. Dat die website al geruime tijd niet wordt onderhouden en zelfs de webmaster niet meer in de omgeving kan om de inhoud van de website aan te passen, zoals de verdachte de rechtbank heeft willen doen geloven, acht de rechtbank bij gebrek aan enige onderbouwing volstrekt onaannemelijk en ongeloofwaardig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft bepleit dat bij de strafmaat in het voordeel van verdachte ermee rekening moet worden gehouden dat de feiten in eendaadse samenloop zijn begaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake, omdat daarvoor vereist is dat de bewezen verklaarde gedragingen in overwegende mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte de eerste beledigende uitlatingen op 23 november 2023 en de tweede op 13 december 2023 heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft aan elke belediging een apart wilsbesluit ten grondslag gelegen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van feiten en omstandigheden die in het voordeel van de verdachte zouden moeten meewegen is de rechtbank ook overigens niet gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al het voorgaande maakt dat de rechtbank tot het oordeel komt dat niet volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke straf, zoals gevorderd door de officier van justitie, en dat een stok achter de deur nodig is om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen (die kans acht de rechtbank gelet op het voorgaande immers groot). Daarbij komt de rechtbank tot de oplegging van een kortere taakstraf dan gevorderd, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht doet aan de feiten.     </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Concreet betekent het voorgaande dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien deze niet of niet naar behoren wordt verricht. De rechtbank zal daarnaast een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk opleggen. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de algemene voorwaarde verbinden dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal voorts een proeftijd van twee jaar vaststellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De formele voorvragen.</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat voornoemde vordering na voorwaardelijke veroordeling voldoet aan alle wettelijke eisen en dat krachtens de wettelijke bepalingen de rechtbank bevoegd is tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn voorts geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie. </emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf zal bevelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging. </emphasis>
      </para>
      <para>De verdediging heeft primair bepleit om de vordering af te wijzen, subsidiair om de proeftijd te verlengen en meer subsidiair om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te bevelen, maar die voor die helft om te zetten in een geldboete en/of taakstraf en voor het resterende deel de proeftijd te verlengen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank. </emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat verdachte door de rechtbank Midden-Nederland op 2 februari 2022 onder meer is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaar voor het beledigen van de rechtbank Gelderland, de Hoge Raad en twee rechters. Daarbij is als voorwaarde verbonden dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft gesteld dat hij niet op de hoogte was van deze voorwaardelijke veroordeling. Die stelling van de verdachte acht de rechtbank echter niet aannemelijk, omdat het veroordelend vonnis op tegenspraak is gewezen en verdachte bovendien verklaard heeft dat hij nadien met zijn toenmalige raadsman contact heeft gehad en de geldboete heeft betaald. Bij deze stand van zaken is het onwaarschijnlijk dat verdachte geen wetenschap had van het feit dat hij ook tot een voorwaardelijke gevangenisstraf was veroordeeld en dat daaraan een voorwaarde en een proeftijd was verbonden. Bovendien is de mededeling van deze voorwaardelijke veroordeling naar het verblijfadres van verdachte verzonden en deze mededeling – voor zover bekend – niet onbestelbaar retour is gekomen. </para>
      <para>De rechtbank concludeert derhalve dat verdachte wetenschap had van deze voorwaardelijke veroordeling en dat hij lopende de proeftijd daarvan zich schuldig heeft gemaakt aan de thans bewezenverklaarde strafbare feiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte was een gewaarschuwd mens en heeft zich desalniettemin aan soortgelijke feiten strafbaar gemaakt, hetgeen meebrengt dat de voorwaardelijke straf moet worden ondergaan. De door de verdediging aangedragen feiten en (persoonlijke) omstandigheden acht de rechtbank onvoldoende zwaarwichtig om tot een ander oordeel te komen. Nu ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan, zal de rechtbank daarom de tenuitvoerlegging bevelen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De toepasselijke wetsartikelen.</emphasis>
      </para>
      <para>De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het ten laste gelegde onder <emphasis role="bold">feit 1 en feit 2 bewezen,</emphasis> zoals hiervoor is omschreven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 1:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 2:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een openbare instelling </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart verdachte hiervoor strafbaar legt op de volgende straffen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 1 en feit 2:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para> een <emphasis role="bold">taakstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">80 uren</emphasis>, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door <emphasis role="bold">40 dagen hechtenis</emphasis>; </para>
    <para />
    <para> een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">2 weken</emphasis>; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de <emphasis role="bold">proeftijd van 2 jaar </emphasis>aan <emphasis role="bold">een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beveelt de tenuitvoerlegging van de straf</emphasis>, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 februari 2022, parketnummer 05.014866.20, te weten van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">1 week</emphasis>.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. M.A. Waals, voorzitter,</para>
      <para>mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. M.E.N. van Haren, leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,</para>
      <para>en is uitgesproken op 26 maart 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </paragroup>
  <footnote id="_0ecc35a1-d523-4133-a4bf-3890a0972187" label="1">
    <para> ECLI:NL:HR:2020:1730</para>
  </footnote>
  <footnote id="_03335835-c913-41b3-82d5-ed3714c4824e" label="2">
    <para> Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt en afgesloten op 24 april 2024, registratienummer PL2000-2024067854, aantal doorgenummerde (digitale) pagina’s: 26.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>