<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2025:1726</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-06T08:07:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/1697T</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:1726">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:1726</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-05T09:22:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2025:1726 Rechtbank Oost-Brabant , 28-03-2025 / 24/1697T</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2025:1726:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WOZ. Waardering woning. Ten onrechte afgezien van horen in bezwaar. Meningsverschil over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan. Eiser stemt niet in met inhoudelijke behandeling door de rechtbank zonder door de heffingsambtenaar te zijn gehoord. Toepassing bestuurlijke lus om dit gebrek in de besluitvorming te herstellen (vgl. ECLI:NL:GHSHE:2021:1677). Aansporing aan eiser(s gemachtigde) om kenbaar te maken wat zijn waardestandpunt is en wat daarvoor als onderbouwing moet dienen. Verzoek aan heffingsambtenaar om na de hoorzitting een verweerschrift en taxatie in te dienen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2025:1726:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SHE 24/1697</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de heffingsambtenaar van de gemeente Nuenen, de heffingsambtenaar </title>
    <para>(gemachtigde: E. van der Reijden).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Met deze tussenuitspraak stelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de gelegenheid om een geconstateerd gebrek in de uitspraak op bezwaar van 20 december 2022 te herstellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van eisers woning aan de [adres] in [woonplaats] met de beschikking van 28 februari 2023 vastgesteld op € 446.000. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) voor het kalenderjaar 2023 is bekend gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met de uitspraak op bezwaar van 21 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 21 februari 2024 beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft partijen aanvankelijk uitgenodigd voor een zitting op 2 april 2025, maar in verband met het doen van deze tussenuitspraak besloten die zitting niet te laten doorgaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. Eiser voert in beroep aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte van het horen in de bezwaarfase heeft afgezien, hoewel eiser wel expliciet om een hoorzitting heeft verzocht. Eiser vindt dat vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing naar de heffingsambtenaar is aangewezen, zodat hij alsnog in de bezwaarfase kan worden gehoord.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voorafgaand aan het doen van de uitspraak op bezwaar van 21 februari 2024 eiser ten onrechte niet heeft gehoord<emphasis role="italic">.</emphasis> Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In het belastingrecht geldt – in afwijking van de overige rechtsgebieden binnen het bestuursrecht – als uitgangspunt dat als ten onrechte van een hoorzitting in bezwaar is afgezien de rechtbank de uitspraak op bezwaar moet vernietigen en de zaak naar de heffingsambtenaar moet terugwijzen. De heffingsambtenaar moet dan eiser in de gelegenheid stellen om alsnog te worden gehoord. Daarna moet de heffingsambtenaar vervolgens (opnieuw) uitspraak op bezwaar doen.<footnote-ref linkend="_44b5b117-fd55-4a89-ac2e-5e97b30a8c95" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Een uitzondering op deze hoofdregel doet zich voor als eiser door het niet houden van de hoorzitting niet is benadeeld. Eiser is niet benadeeld als er tussen hem en de heffingsambtenaar geen meningsverschil is over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan en de heffingsambtenaar ter zake geen beleidsvrijheid heeft.<footnote-ref linkend="_18f5fa76-2cbb-4e25-aacc-02ec3a70a985" /> Als zo’n uitzondering zich niet voordoet kan toch van terugwijzing naar de heffingsambtenaar worden afgezien als eiser uitdrukkelijk wenst dat de rechtbank ondanks de schending van de hoorplicht door de heffingsambtenaar het beroep inhoudelijk behandelt.<footnote-ref linkend="_a48c529e-80f0-4da7-89b2-06afde751487" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Tot slot is het mogelijk dat de rechtbank de heffingsambtenaar in de gelegenheid stelt om dit gebrek in de besluitvorming binnen een daartoe te stellen termijn te herstellen. Dit wordt een bestuurlijke lus genoemd en die is wettelijk geregeld in artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bestuurlijke lus kan – als alternatief voor de in overweging 3.1. genoemde vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de terugwijzing naar de heffingsambtenaar – worden toegepast als de rechter vaststelt dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden.<footnote-ref linkend="_e6cccb0a-994e-41ae-8d7f-22aa73f8e708" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>In het bezwaarschrift van eiser staat het volgende:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Namens onze client, de heer [woonplaats] ( [adres] , [woonplaats]  ), maken wij hierbij bezwaar tegen de in de aanhef genoemde beschikking de data 28 februari jl. waarbij de woz-waarde van genoemd object is vastgesteld op € 446.000.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bijgaand treft u onze machtiging aan.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Helaas is de vastgestelde waarde door u niet onderbouwd, zodat wij onze bezwaren op dat punt thans niet nader kunnen motiveren.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Graag zullen wij onze bezwaren nader mondeling toelichten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bij gegrondverklaring van onze bezwaren verzoeken wij u voorts om vergoeding van de kosten ex art, 7:15 Awb.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Eiser verzoekt in zijn bezwaarschrift om zijn bezwaar mondeling te mogen toelichten. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt niet dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Ook staat niet in die uitspraak of zich een van de wettelijke uitzonderingsgronden heeft voorgedaan op grond waarvan de heffingsambtenaar (ondanks het verzoek van eiser om te worden gehoord) van het horen kon afzien.<footnote-ref linkend="_95967b84-1627-46bc-8841-13ab56c95fda" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar ten onrechte van horen in bezwaar heeft afgezien. Eiser zegt in zijn beroepschrift dat er tussen hem en de heffingsambtenaar een meningsverschil over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan. De heffingsambtenaar refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank het niet houden van een hoorzitting niet passeren.<footnote-ref linkend="_61aebe24-e460-4466-8f91-ab04185be8c8" /> Uit eisers beroepschrift blijkt verder dat hij alsnog door de heffingsambtenaar wenst te worden gehoord.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen om zo de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen om de schending van de hoorplicht te herstellen. Om dit geconstateerde gebrek te herstellen zal de heffingsambtenaar eiser voor een hoorgesprek moeten uitnodigen, waarbij de dag, het tijdstip en de locatie van het hoorgesprek concreet bij de uitnodiging aan eiser worden medegedeeld.<footnote-ref linkend="_b8ab4969-3f3d-4382-916c-4882a89e8768" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Als de heffingsambtenaar gebruik maakt van de hiervoor geboden gelegenheid, dan stelt de rechtbank hem in de gelegenheid om eiser alsnog uit te nodigen voor een hoorgesprek en te horen. Hiervoor stelt de rechtbank de heffingsambtenaar een termijn van acht weken na de datum van de verzending van de tussenuitspraak. De heffingsambtenaar dient vervolgens zo spoedig mogelijk, dat wil in dit geval zeggen uiterlijk binnen acht weken na de datum van de verzending van de tussenuitspraak, de rechtbank te berichten over de volgende punten:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>of en wanneer het hoorgesprek heeft plaatsgevonden; en zo ja,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>wat de uitkomst is van het hoorgesprek.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para>4. De rechtbank heeft ook nog een opmerking over het procesgedrag van eisers gemachtigde. Hij heeft gelijk met zijn standpunt dat de WOZ-waarde in de aanslag niet is onderbouwd, maar dat is in WOZ-zaken eerder regel dan uitzondering. Het gaat er bij de rechtbank verder niet in dat eiser zijn gemachtigde in de arm heeft genomen om bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde en daarbij zijn gemachtigde geheel in het duister heeft gelaten over de redenen waarom hij daartegen wenst te procederen. En zelfs al zou dat zo zijn, dan mag van een professioneel gemachtigde worden verwacht dat hij deze redenen alsnog opvraagt bij zijn cliënt. Het is de taak van een professioneel gemachtigde om vervolgens de heffingsambtenaar op de hoogte te stellen van de redenen waarom die waarde in de ogen van zijn cliënt – eiser – te hoog of te laag is. Zolang eiser(s gemachtigde) de heffingsambtenaar in het ongewisse laat over zijn standpunt of de waarde te hoog dan wel te laag is, mag de heffingsambtenaar er in beginsel van uitgaan dat eiser een lagere waarde nastreeft tenzij eiser kan onderbouwen dat hij belang heeft bij een hogere waarde.<footnote-ref linkend="_538176ad-379f-4606-886a-66c5783b8071" /> De rechtbank gaat ervan uit dat eiser(s gemachtigde) geen verdere aansporing nodig heeft om tijdig voor de hoorzitting aan te geven welke bezwaren eiser tegen de vastgestelde waarde heeft en daar in toekomstige zaken ook voor zal zorgdragen.</para>
      <para />
      <para>5. Verder verzoekt de rechtbank de heffingsambtenaar om zich door middel van een verweerschrift en een eventuele taxatie uit te spreken over het waardegeschil, zo dat na de hoorzitting er nog mocht zijn. Daartoe stelt de rechtbank een termijn van 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak (dus nog eens 8 weken na de maximale termijn die de heffingsambtenaar krijgt om het gebrek in de besluitvorming op de hiervoor omschreven wijze te herstellen).</para>
      <para />
      <para>6. De rechtbank houdt verder iedere beslissing aan in afwachting van nadere berichten van de heffingsambtenaar.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>schorst het onderzoek en heropent het vooronderzoek;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>stelt de heffingsambtenaar in de gelegenheid om binnen acht weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verzoekt de heffingsambtenaar om binnen zestien weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak een verweerschrift en een eventuele taxatie in te dienen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. De tussenuitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.</para>
  </section>
  <footnote id="_44b5b117-fd55-4a89-ac2e-5e97b30a8c95" label="1">
    <para> Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751, Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59, en Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:524.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_18f5fa76-2cbb-4e25-aacc-02ec3a70a985" label="2">
    <para> Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114, en Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2358.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a48c529e-80f0-4da7-89b2-06afde751487" label="3">
    <para> Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2937.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6cccb0a-994e-41ae-8d7f-22aa73f8e708" label="4">
    <para> Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1677.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_95967b84-1627-46bc-8841-13ab56c95fda" label="5">
    <para> Zie: artikel 7:3 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_61aebe24-e460-4466-8f91-ab04185be8c8" label="6">
    <para> Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b8ab4969-3f3d-4382-916c-4882a89e8768" label="7">
    <para> Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:524.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_538176ad-379f-4606-886a-66c5783b8071" label="8">
    <para> Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:649, overweging 4.8.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>