<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2024:6791</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-25T10:43:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9653287 \ CV EXPL  22-378</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOBR:2022:3067" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOBR:2022:3067</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOBR:2025:4008" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:RBOBR:2025:4008</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:6791">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:6791</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-25T10:42:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2024:6791 Rechtbank Oost-Brabant , 02-05-2024 / 9653287 \ CV EXPL  22-378</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2024:6791:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Agentuurovereenkomst. Vordering van handelsagent tot betaling van provisie over geannuleerde orders is toegewezen o.g.v. artikel 7:432 lid 2 BW. Ook is toegewezen gevorderde provisie over uitgevoerde orders (tijdens en na de duur van de agentuurovereenkomst) o.g.v. artikel 7:431 lid 2 BW. Hierbij is van belang dat de agentuurovereenkomst weliswaar op papier regelmatig is opgezegd, maar dat de principaal tijdens de opzegperiode de handelsagent heeft afgesloten van alle voordien gebruikelijke communicatiemiddelen en de werkzaamheden zelf ter hand heeft genomen. Daarmee heeft de principaal de exclusiviteit van de handelsagent geschonden en dit is een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 BW (wanprestatie). </para>
        <para>Verder is de vordering tot betaling van een klantenvergoeding toegewezen o.g.v. artikel 7:442 BW.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2024:6791:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">OOST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 9653287 \ CV EXPL  22-378</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 2 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar Pools recht <emphasis role="bold">LOFOTEN SP. Z O.O.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Szczecin (Polen),</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: “Lofoten”,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.B. Houtappel,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap <emphasis role="bold">NATEC SUNERGY B.V.</emphasis>, </para>
      <para>statutair gevestigd te Rotterdam, kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: “Natec”,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.E. van den Heuvel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding met producties, tevens houdende een incidentele vordering met bijbehorende producties (genummerd 1 t/m 18),</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak met bijbehorende producties (genummerd 1 t/18),</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 7 juli 2022, waarin beslist is op de vorderingen in het incident en waarin in de hoofdzaak een mondelinge behandeling is bepaald,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>driemaal een akte aanvullende producties ingebracht aan de zijde van Lofoten op <?linebreak?>19 januari 2023 (genummerd 19 t/m/ 36), op 23 januari 2023 (genummerd 36 t/m 39) en op 25 januari 2023 (genummerd 40),</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het bezwaar van Natec tegen de nader ingebrachte producties van Lofoten, ingekomen op 1 februari 2023, met daarbij het verzoek om deze de ingediende stukken buiten beschouwing te laten, dan wel Natec de mogelijkheid te geven om alsnog schriftelijk te mogen reageren op deze stukken,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling van 2 februari 2023, waarbij de gemachtigden van beide partijen gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat Natec binnen een week onderzoekt of de e-mailaccounts van Lofoten, te weten [e-mailadres] en [e-mailadres] nog te raadplegen zijn en zo ja, dat de inhoud daarvan binnen twee weken aan de gemachtigde van Lofoten wordt overgedragen. <?linebreak?>Vervolgens krijgen partijen dan gelegenheid om een conclusie van repliek en conclusie van dupliek te nemen, waarin zo specifiek mogelijk wordt verwezen naar producties. <?linebreak?>Aldus is gebeurd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de conclusie van repliek van Lofoten, tevens houdende wijziging van eis en tevens houdende een vordering ex artikel 843a tot het geven van een afschrift van diverse documenten aan Lofoten, met bijbehorende producties (genummerd 19 t/m 36),</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van dupliek van Natec, met bijbehorende producties (genummerd 19 t/m 35),</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte na dupliek van Lofoten betreffende de bij dupliek overgelegde producties, met bijlage en vertaling (ongenummerd).  </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere relevante feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Na de mondelinge behandeling is gebleken dat Natec - in strijd met het verbod en gebod van de kantonrechter dat is geformuleerd in het vonnis in incident - de <?linebreak?>e-mailaccounts van [e-mailadres] en [e-mailadres] heeft gewist. Verder is gebleken dat Natec evenmin de e-mails die verstuurd en ontvangen zijn door of namens Lofoten ( [A] en [B] ) vanuit de e-mailsaccounts  [e-mailadres] en [e-mailadres] , heeft opgeslagen en opgeslagen heeft gehouden voor de duur van het geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het enige dat Natec naar eigen zeggen nog in het geding kan brengen, zijn de gereconstrueerde e-mailboxen, per usb-stick ingebracht als productie 27.</para>
        <para>De ICT-dienstverlener van Natec, genaamd Sincere IT, heeft een onafhankelijke IT-dienstverlener ingeschakeld, genaamd Running IT Support B.V. die hierover als volgt verklaart:</para>
      </parablock>
      <para>1. Op de vraag 'in hoeverre is de inhoud van de e-mailboxen gewist': <emphasis role="italic">"Conclusie is</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">dat de mailboxen permanent zijn gedelete en hierbij niet te herstellen."</emphasis>
      </para>
      <para>2. Op de vraag 'wanneer zijn de e-mailboxen gewist': <emphasis role="italic">"Er is geen datum in de tenant</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">te achterhalen van soft delete of hard delete van het userobject."</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Natec heeft bij dupliek nieuwe overzichten van omzetgegevens met achterliggende facturen ingebracht bij productie 19 t/m 23 en productie 35.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het gewijzigde geschil </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Lofoten heeft bij conclusie van repliek haar vordering aangevuld c.q. gewijzigd, deels onder instandhouding van het gevorderde bij dagvaarding van 22 december 2021.</para>
        <para>Lofoten vordert thans:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- Een onafhankelijk accountant te benoemen die op kosten van Natec:</para>
      <parablock>
        <para>* de door Natec verschafte overzichten van de omzet over de periode 1 januari tot 31 december 2021 in Polen vanwege de verkochte zonnepanelen en accessoires controleert - specifiek de daarop vermelde aantallen verkochte modules en de prijzen daarvoor - aan de hand van verkoopfacturen en interne verkoopadministratie van Natec en</para>
        <para>* controleert in hoeverre er in de administratie van Natec order confirmations of order bevestigingen aanwezig zijn, die betrekking hebben op de 131 niet uitgevoerde orders - dit aan de hand van de VON Nummers, zoals door partijen opgegeven en zoals deze volgen uit het overzicht dat als productie 41 bij deze conclusie is overgelegd en/of </para>
        <para>* controleert of betaald is op deze bestellingen, </para>
        <para>dit alles, al dan niet na het geven aan partijen van nadere gelegenheid tot het gezamenlijk voorstellen van een accountant, en om nadere vragen aan deze accountant te formuleren, met bevel aan Natec om hieraan mee te werken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- Althans Natec te veroordelen om op straffe van een dwangsom, zoals in incident gevorderd en omschreven in de dagvaarding van 22 december 2021, binnen 7 dagen na een te wijzen vonnis inzage te geven, op een nader af te stemmen wijze, van alle verkoopfacturen over de periode 1 januari 2021 tot 31 december 2021 van de verkopen van zonnepanelen en accessoires in Polen, alsmede overzichten te verschaffen uit eigen administratie van alle verkopen in deze periode in Polen, alles zoals omschreven in de dagvaarding en het petitum (in incident) daarvan van 22 december 2021 onder het tweede</para>
      <para>liggende streepje;</para>
      <para />
      <para>- Althans het vonnis van 7 juli 2022 te herroepen en het in incident gevorderde alsnog toe te wijzen, althans terug te komen op de in dit vonnis gegeven beslissingen;</para>
      <para />
      <para>- Een onafhankelijk IT expert te benoemen die onderzoekt in hoeverre de inhoud van de <?linebreak?>e-mailboxen [e-mailadres] en [e-mailadres] zijn gewist, wanneer dat is gebeurd, en of alle zich daarin bevindende e-mails daadwerkelijk verloren zijn gegaan;</para>
      <para />
      <para>- Aan Natec te bevelen om van alle genoemde 131 geannuleerde orders met VON nummers als opgesomd in productie 46, afschrift te geven van de bijbehorende order confirmations of order bevestiging, zoals Natec deze heeft afgegeven aan Lofoten en zoals deze zijn omschreven in deze conclusie;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voorts wijzigt c.q. vermindert Lofoten haar eis in hoofdzaak, zoals geformuleerd in de dagvaarding van 22 december 2021 bij de vordering in hoofdzaak, en vordert zij in plaats daarvan Natec, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling aan Lofoten van:</para>
      </parablock>
      <para>- € 762.077,60, € 762.077,60, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van <?linebreak?>€ 5.585,38, en de wettelijke handelsrente berekend over € 112.197,31 vanaf 1 april 2021, en over € 304.099,82, vanaf de data zoals gespecificeerd in punt 149 van deze conclusie, en over € 345.780,46 vanaf 1 januari 2022, althans vanaf de dag van beëindiging van de overeenkomst van 1 januari 2020 tussen partijen, alles tot de dag der algehele voldoening;</para>
      <para />
      <para>- En voorts meer subsidiair Natec te veroordelen tot betaling van € 112.197,31 en <?linebreak?>€ 345.780,46, en vergoeding van schade ter hoogte van € 304.099,82.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>dit alles, met instandhouding van het verzoek tot veroordeling van Natec in de kosten van dit geding, en in de na-kosten, zoals gevorderd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Als grondslag van haar gewijzigde vorderingen voert Lofoten aan dat tijdens de mondelinge behandeling van 2 februari 2023 is besproken dat na re- en dupliek een</para>
        <para>tweede mondelinge behandeling bepaald zou kunnen worden. Lofoten is daar voorstander van, ook nu is gebleken dat de cijfers niet volledig zijn en de e-mails in hoge mate missen, zodanig dat een andere bewijslastverdeling voor de hand ligt. Lofoten mag niet in een processueel slechtere positie komen door het handelen van Natec.</para>
        <para>Lofoten vraagt voorafgaande aan deze mondelinge behandeling duidelijkheid over de vraag hoe de bewijslastverdeling zou kunnen uitvallen, welk bewijs nog overgelegd dient te worden of kan worden, en/of wat daarbij besproken kan worden en in hoeverre dit bewijs relevant is of kan zijn. Feit is volgens Lofoten dat Natec zich niet heeft gehouden aan het tussenvonnis van 7 juli 2022. Meer concreet heeft dit laatste vooral gevolgen voor het debat over de 131 niet uitgevoerde orders. </para>
        <para>Lofoten zou voorafgaande aan een tweede mondelinge behandeling ook graag duidelijk hebben wat de omzet van Natec is geweest. De overzichten van Natec (overgelegd als productie 17, 18 en 19 bij conclusie van antwoord) zijn onvolledig. Deze zijn weliswaar gecorrigeerd, maar blijven onvoldoende. Met deze overzichten heeft Natec de omvang van de omzet onvoldoende onderbouwd. Daarom heeft Lofoten haar vordering gewijzigd en vraagt zij de kantonrechter nu om op kosten van Natec een accountant te benoemen die de omzetgegevens op de overzichten voor de periode van heel 2021 controleert aan de hand van de administratie van Natec en de verkoopfacturen. Subsidiair vordert Lofoten Natec te  veroordelen om op straffe van een dwangsom de volledige omzetgegevens met onderliggende stukken (verkoopfactuur, en uitdraai uit de administratie van alle bestellingen in de periode (1 april tot 31 december 2021) over te leggen.</para>
        <para>Als dat niet gebeurt, kunnen de cijfers niet of onvoldoende gecontroleerd worden. In dat geval wil Lofoten (meer subsidiair) dat haar provisieaanspraak (als correctie) met 10% wordt verhoogd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Natec heeft bij dupliek verweer gevoerd tegen de gewijzigde vordering van Lofoten en voert daartoe het volgende aan.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <para>Natec stelt allereerst dat controle van de omzetcijfers (die door Natec zijn overgelegd als producties 16, 17 en 18) door een onafhankelijk accountant geen enkel nut heeft, omdat deze overzichten erkend onjuist zijn en vervangen zijn door nieuwe overzichten, ingebracht als productie 19 t/m 23 en productie 35. Hiermee én met de achterliggende facturen heeft Natec het gevraagde inzicht in de omzetten geboden en kan Lofoten haar provisievordering en klantenvergoeding berekenen. Natec heeft deze berekeningen in haar conclusie van dupliek reed uitgevoerd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2.</nr>
        <para>Verder bestaat volgens Natec geen belang voor Lofoten bij inzage in c.q. afschrift van order confirmations. Het al dan niet opgesteld en/of verzonden zijn van order confirmations is namelijk irrelevant, omdat partijen zijn overeengekomen dat pas een recht op provisie ontstaat over een geplaatste order bij de uitvoering van de overeenkomst. <?linebreak?>Volgens Natec is dit een overeengekomen beding als bedoeld in artikel 7:432 lid 2 BW, waaruit blijkt wat van meet af aan de bedoeling is geweest van beide partijen. Deze bedoeling is ook als zodanig besproken. Dit blijkt onder andere uit het door [A] gepresenteerde businessplan: <emphasis role="italic">“The commission will be paid only after the customer completes the purchase, i.e. after recieving the goods”. </emphasis>Deze bedoeling is ook in de agentuurovereenkomst opgenomen in de bepaling: <emphasis role="italic">“Natec pays [A] the commission at the end of the month of the sales generated; e.g. sales of delivered goods”</emphasis>. De betaling en daarmee het recht op commissie is gekoppeld aan de levering van de goederen aan de klant door Natec. <?linebreak?>Van 119 van de 131 geannuleerde orders zijn bestelde producten niet door Natec aan de klanten geleverd en daarover is dus geen provisie verschuldigd, aldus Natec.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Voor het geval de kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een uitdrukkelijk overeengekomen beding dat provisie afhankelijk stelt van de uitvoering van de overeenkomst, moet volgens Natec worden geconcludeerd dat de inname van een order en het opmaken en aan Lofoten toesturen van een order confirmation moet worden gezien als een reservering, dus als aanvaarding van de order onder voorbehoud, waardoor nog geen recht op provisie ontstaat. De reden voor het al dan niet in vervulling gaan van de order is dus niet relevant voor de vraag of Lofoten recht had op provisie over een geannuleerde order. Bepalend is slechts het in vervulling gaan van de voorwaarde/het vervullen van het voorbehoud. </para>
          <para>In het verlengde daarvan dient volgens Natec het verzoek afgewezen te worden tot het benoemen van een onafhankelijke accountant om vast te stellen of die order confirmations er zijn voor de 131 geannuleerde orders. Natec erkent immers dat er order confirmations voor alle (119) geannuleerde orders zijn verzonden. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.4.</nr>
        <para>Verder stelt Natec, onder verwijzing naar productie 29, dat zij aan de vordering tot benoeming van een onafhankelijk IT-expert die kan verklaren over de verwijdering van de (inhoud van de) e-mailboxen, reeds vrijwillig heeft voldaan.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.5.</nr>
        <parablock>
          <para>Met betrekking tot de door Lofoten gevorderde betaling uit hoofde van de agentuurovereenkomst volhardt Natec in haar standpunt dat de brief van 1 april 2021 bedoeld is als opzegging met in achtneming van de contractueel overeengekomen opzegtermijn van 90 dagen en ook als zodanig door Lofoten is beschouwd dan wel had moeten worden beschouwd. Dit heeft geleid tot het eindigen van de agentuurovereenkomst per 31 juli 2021, zodat er volgens Natec geen grond is voor enige schadevergoeding gebaseerd op artikel 7:439 BW. </para>
          <para>Natec betwist verder dat zij misbruik heeft gemaakt van haar opzeggingsbevoegdheid en stelt dat zij om valide redenen de beslissing heeft genomen om afscheid te nemen van Lofoten als agent. Die beslissing resulteert niet in een dusdanige onevenredigheid van belangen dat Natec daarom geen gebruik zou hebben mogen maken van haar contractuele opzegbevoegdheid. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De verdere beoordeling in de hoofdzaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoe nu verder?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Alvorens in te gaan op de inhoudelijke wijziging van eis in de hoofdzaak van Lofoten, zal de kantonrechter eerst ingaan op het verzoek van Lofoten om een tweede mondelinge behandeling te bepalen. Daaraan gekoppeld zal zij ingaan op de vraag of er aanleiding is om partijen op voorhand aanwijzingen te geven over de bewijslastverdeling en duidelijkheid te verschaffen over de vraag hoe om te gaan met de 131 c.q. 119 door Lofoten aangebrachte en door Natec niet uitgevoerde orders.</para>
        <para>De kantonrechter zal instemmen met het verzoek van Lofoten om een tweede mondelinge behandeling te bepalen en hierna uitgangspunten geven die leidend zullen zijn bij/voor die tweede mondelinge behandeling.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bewijslastverdeling - algemeen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Inmiddels staat vast dat Natec - in strijd met het verbod en gebod van de kantonrechter zoals geformuleerd in het vonnis in incident - de e-mailaccounts van [e-mailadres] en [e-mailadres] heeft gewist en dat Natec de e-mails die verstuurd en ontvangen zijn door of namens Lofoten ( [A] en [B] ) vanuit de e-mailsaccounts [e-mailadres] en [e-mailadres] ook niet heeft opgeslagen en opgeslagen heeft gehouden voor de duur van het geding. Voor zover de e-mailaccounts al waren verwijderd en gewist voor de datum waarop het verbod en gebod door de kantonrechter is uitgesproken, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat Natec dit heeft gedaan in de wetenschap dat de afwikkeling van de handelsrelatie tussen haar en Lofoten nog niet was afgerond en daarover mogelijk een geschil zou ontstaan of al was ontstaan. Natec had behoren te onderkennen dat de e-mailaccounts van [B] van belang zouden (kunnen) zijn bij de afwikkeling van die handelsrelatie en dat behoud daarvan dus van belang was. In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat Natec van een dergelijke verwijdering in haar conclusie van antwoord in het incident geen enkele melding heeft gemaakt. Lofoten en de kantonrechter zijn in het geval de accounts al waren verwijderd en gewist, door Natec in de veronderstelling gebracht en gelaten dat de accounts nog aanwezig waren.<?linebreak?>Zowel het een als het ander vindt de kantonrechter laakbaar en de gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van Natec. Mocht er sprake zijn van bewijsnood aan de zijde Lofoten als gevolg van het feit dat Natec zich niet heeft gehouden aan het haar oplegde ver- en gebod, dan zal dit ten nadele strekken van Natec op een wijze die de kantonrechter alsdan geraden voorkomt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bewijslast provisie-aanspraak over niet uitgevoerde orders</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Lofoten maakt aanspraak op betaling van provisie over de door Natec niet uitgevoerde orders, die zijn aanvaard in de periode tot 1 april 2021. Zij vordert betaling van € 109.959,16 over 131 orders die niet zouden zijn uitgevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Natec heeft bij conclusie van antwoord erkend dat Lofoten recht heeft op provisie op grond van artikel 7:431 lid 1 onder a BW ten bedrage van <emphasis role="bold">€ 1.803,72</emphasis> over 12 in productie 7 genoemde orders, omdat deze orders niet zijn geannuleerd maar gewoon zijn uitgevoerd. <?linebreak?>De verschuldigdheid van € 108.155,44 voor de 119 geannuleerde orders, wordt door Natec betwist. Natec voert daartoe aan dat partijen zijn overeengekomen dat pas een recht op provisie ontstaat bij uitvoering van de overeenkomst (“<emphasis role="italic">commission (…) of the sales generated; e.g. sales of delivered goods</emphasis>”). De betaling, en daarmee het recht op commissie/provisie, is contractueel gekoppeld aan de levering van de goederen aan de klant door Natec. De via de 119 geannuleerde orders bestelde producten zijn niet door Natec aan de klanten geleverd, waardoor de overeenkomsten niet zijn uitgevoerd, aldus Natec <?linebreak?>Voor zover een klant al betaald had voor de order, is dat volgens Natec een onverplichte betaling van de klant geweest op een order confirmation in plaats van op een eindfactuur. Een dergelijke betaling kan niet worden aangemerkt als nakoming door de klant van een uit een koopovereenkomst voortvloeiende verbintenis. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Lofoten betwist dat er is overeengekomen dat er pas een recht op provisie ontstaat bij uitvoering van een aanvaarde order of een tot stand gekomen overeenkomst en ook betwist zij dat een betaling anders dan op een eindfactuur een onverschuldigde betaling is. Lofoten stelt dat de werkwijze van partijen als volgt was: </para>
        <para>(1) de order werd door Lofoten in het klantportaal of anderszins geplaatst;</para>
        <para>(2) Natec checkt beschikbaarheid en bevestigt de order met een order confirmation;</para>
        <para>(3) de klant betaalt op order confirmation;</para>
        <para>(4) de goederen worden verzonden;</para>
        <para>(5) door Natec wordt aan de klant (direct na verzending) een eindfactuur gestuurd.</para>
        <para>Er werd volgens Lofoten <emphasis role="italic">altijd</emphasis> betaald op de orderbevestiging en dit betekent volgens haar dat na betaling van de klant er een perfecte overeenkomst ontstaat, waarover Natec provisie verschuldigd is. De eindfactuur werd pas opgesteld <emphasis role="italic">nadat</emphasis> de order was verstuurd, aldus Lofoten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt hierover het volgende.<?linebreak?></para>
      <paragroup>
        <nr>4.6.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Tussen partijen is niet in geschil dat wat betreft het recht op provisie artikel 7:432 BW op hen van toepassing is. Hierin wordt het volgende bepaald:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“</emphasis>
            <emphasis role="bold italic">1</emphasis>
            <emphasis role="italic">. Indien de rol van de handelsagent zich heeft beperkt tot het verlenen van bemiddeling bij de totstandkoming van de overeenkomst, wordt de order die hij aan zijn principaal heeft doen toekomen, voor wat betreft het recht op provisie krachtens artikel 426 geacht te zijn aanvaard, tenzij de principaal de handelsagent binnen de redelijke termijn, bedoeld in artikel 430 lid 4, mededeelt dat hij de order weigert of een voorbehoud maakt. Bij gebreke van een in de agentuurovereenkomst bepaalde termijn bedraagt de termijn een maand vanaf het tijdstip waarop hem de order is medegedeeld.</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">2. </emphasis>
          <emphasis role="italic">Het beding dat het recht op provisie doet afhangen van de uitvoering van de overeenkomst, dient uitdrukkelijk te worden gemaakt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">3. </emphasis>
          <emphasis role="italic">Indien het beding, bedoeld in het tweede lid, is gemaakt, ontstaat het recht op provisie uiterlijk wanneer de derde zijn deel van de overeenkomst heeft uitgevoerd, of dit had moeten doen, indien de principaal zijn deel van de transactie had uitgevoerd.”</emphasis>
        </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.2.</nr>
        <parablock>
          <para>In de agentuurovereenkomst zijn partijen wat betreft het recht op provisie het volgende overeengekomen:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Natec pays [A] the commission at the end of the month of the sales generated; e.g. sales of delivered goods.”</emphasis>
          </para>
          <para>Dit betreft een beding als genoemd in artikel 7:432 lid 2 BW, want het recht op commissie wordt gekoppeld aan de levering van de goederen aan de klant door Natec, en dat betekent dat artikel 7:432 lid 1 BW geen rol speelt<footnote-ref linkend="_92d2d771-b6a0-47c9-8feb-424575813294" />. </para>
          <para>Natec kan zich alleen beroepen op een dergelijk beding, wanneer de niet-uitvoering van de overeenkomst niet aan hem toerekenbaar is, zo volgt uit artikel 7:426 lid 2 BW. </para>
          <para>Dit brengt met zich dat wanneer de overeenkomst niet wordt uitgevoerd vanwege een oorzaak die aan de Natec valt toe te rekenen, Lofoten toch recht heeft op provisie<footnote-ref linkend="_8e64914c-3c45-427b-8c6d-ee393c5954bb" />. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Het is dus aan Natec om te bewijzen dat de niet-uitvoering van de 119 orders haar niet toe te rekenen is. </para>
          <para>De enkele verwijzing in dit verband naar productie 7 bij conclusie van antwoord is daartoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de stelling dat alle aanvaardingen van bestellingen door Natec altijd onder voorbehoud zijn gedaan en dat Lofoten en haar klanten hiervan op de hoogte waren, omdat de markt voor zonnepanelen in 2020/2021 een zeer overspannen markt  was. Door Lofoten wordt in haar conclusie van repliek namelijk gemotiveerd betwist dat een order confirmation slechts werd gebruikt als reservering en dat dit haar bekend was. Ook wordt betwist dat het de taak van Lofoten was om de klant te informeren over de status van de orderbevestiging en dat op basis daarvan niet betaald hoefde te worden, zoals door Natec is toegelicht. </para>
          <para>Volgens Lofoten betaalden klanten <emphasis role="italic">altijd</emphasis> op de orderbevestiging en werd door Natec (direct na verzending van het bestelde product) een eindfactuur gestuurd. Natec bevestigt deze gang van zaken want zij stelt in haar conclusie van dupliek namelijk dat van Poolse klanten werd verwacht dat zij de factuur volledig vooruitbetaalden voordat het product werd verzonden. Bij (vooruit)betaling van de klant ontstaat er bij Lofoten op grond van artikel 7:432 lid 3 BW het recht op provisie, want dat is het moment dat de klant zijn deel van de overeenkomst uitvoert. Van Natec mag worden verwacht dat zij haar deel van de transactie vervolgens uitvoert, want zij heeft immers de geplaatste order aanvaard en bevestigd. </para>
          <para>Dit is slechts anders indien de uitvoering achterwege blijft vanwege een omstandigheid die niet aan Natec kan worden toegerekend. Het is aan Natec om dit te bewijzen. De kantonrechter is van oordeel dat het vanwege overspannenheid op de markt niet in staat zijn om de bestelde producten te leveren niet zo’n omstandigheid is. Natec wist immers dat zij werkzaam was in een overspannen markt en heeft bewust de keuze gemaakt om klantorders niet te weigeren, zo blijkt uit haar conclusie van dupliek. Daarmee heeft zij een ondernemersrisico genomen, waarvan zij de gevolgen niet kan afwentelen op Lofoten.</para>
          <para>Indien en voor zover Natec bewijs wil aanbrengen voor haar stelling dat de niet-uitvoering van de 119 orders haar niet toe te rekenen is, dan zal zij dit bewijs uiterlijk tien dagen voor de datum van de tweede mondelinge behandeling bij akte in het geding moeten brengen. Lofoten kan hierop dan tijdens de tweede mondelinge behandeling reageren.<?linebreak?></para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.4.</nr>
        <para>Voor zover Natec stelt dat (vooruit)betaling van een klant op een order confirmation in plaats van op een eindfactuur een onverplichte betaling van de klant is geweest, slaagt dat verweer niet. De juistheid van die stelling blijkt nergens uit. De verklaring van [C] , ingebracht als productie 33 bij conclusie van dupliek als onderbouwing van de werkwijze en de kennis van Lofoten daaromtrent, is in de akte na dupliek door Lofoten betwist en daarmee is de gestelde onverschuldigdheid niet aangetoond.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Omzetgegevens – benoeming deskundige?</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Lofoten wil voorafgaand aan een tweede mondelinge behandeling ook graag duidelijkheid hebben over de vraag wat de omzet van Natec is geweest. Natec heeft in dit verband bij conclusie van dupliek een aantal uitdraaien van haar administratie (ERP-pakket) ingebracht, betreffende verkopen aan Poolse klanten in bepaalde perioden:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>productie 19: overzicht van alle verkopen aan Poolse klanten in heel 2021 (per maand uitgesplitst);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>productie 20: overzicht van alle verkopen aan Poolse klanten in de periode april t/m juli 2021;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>productie 21: overzicht van alle verkopen aan Poolse klanten in de periode augustus t/m december 2021</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>productie 22: uitsplitsing omzet periode april t/m juli 2021 naar bestaande en nieuwe klanten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>productie 23: uitsplitsing omzet periode augustus t/m december 2021 naar bestaande en nieuwe klanten.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Als productie 24 heeft Natec daarnaast alle facturen in het geding gebracht met betrekking tot verkopen aan Poolse klanten in 2021. Deze facturen vormen een onderbouwing van de hierboven genoemde overzichten. Op basis van de overzichten kan Lofoten haar provisievordering en klantenvergoedingsvordering vaststellen en aan de hand van de facturen kan Lofoten controleren of de overzichten juist zijn, dus voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige bestaat geen noodzaak, aldus Natec.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Volgens Lofoten zijn de door Natec ingebrachte stukken, waaruit de omzet zou moeten blijken, tegenstrijdig met elkaar, althans er volgen verschillende totalen uit. De omzet, zoals weergegeven in de verschillende tabellen in de conclusie van dupliek, is volgens Lofoten een foutieve omzet (ook als deze wordt vergeleken met de eigen cijfers van Natec). Lofoten stelt dat door haar dus niet te bepalen is wat de daadwerkelijke omzet is geweest. Daarbij stelt zij in haar akte na dupliek dat er in juli 2021 met de omzet is geschoven, dat het vaak niet duidelijk is op welke order de credit nota’s betrekking hebben en hoe de creditering is afgewikkeld. Volgens Lofoten zijn dit allemaal redenen om een onafhankelijk deskundige te benoemen en deze de omvang van de omzet vast te laten stellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter overweegt hierover het volgende.</para>
        <para>De kantonrechter begrijpt, gelet op het (mede door het handelen van Natec opgeroepen)  wantrouwen bij Lofoten, het verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen en deze de omvang van de omzet vast te laten stellen. Echter, gelet op de tijdspanne die daarmee gemoeid is en mede bezien in het licht van de reeds verstreken tijd sinds het aanbrengen van deze procedure, zal de kantonrechter Natec tijdens de tweede mondelinge behandeling eerst gelegenheid geven om zich uit te laten over de stellingen van Lofoten betreffende foutieve omzetgegevens, gedaan in haar akte na dupliek. In het bijzonder gaat het dan om de stellingen gedaan onder: <emphasis role="underline">“A. FOUTEN IN OPGEGEVEN OMZET EN DE FACTUREN (04-2021 tot 12-2021)”</emphasis>  en onder: “<emphasis role="underline">B: FOUTEN IN OPGEGEVEN OMZET EN FACTUREN (01-2020 tot 03-2021)”.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling kan - als alternatief voor het benoemen van een deskundige en in het kader van een minnelijke regeling tussen partijen - ook de (meer subsidiaire) vordering van Lofoten besproken worden, namelijk dat de provisieaanspraak van Lofoten (als correctie) met 10% wordt verhoogd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De gewijzigde geldvordering van Lofoten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Bij conclusie van repliek heeft Lofoten haar eis gewijzigd. Lofoten vordert thans om Natec te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 762.077,60 te vermeerderen met rente en kosten. Dit bedrag omvat - kort gezegd - provisie, klantenvergoeding en nevenvorderingen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <parablock>
        <para>Zoals de kantonrechter reeds heeft aangegeven tijdens de eerste mondelinge behandeling, dient bij de berekening van de provisieaanspraken van Lofoten als uitgangspunt te gelden dat de brief van 1 april 2021 moet worden aangemerkt als een opzegging met inachtneming van de contractueel overeengekomen opzegtermijn van 90 dagen. Voor zover de verwijzing naar de ‘final period’ in de brief van 1 april voor enige onduidelijkheid heeft gezorgd, is deze onduidelijkheid weggenomen met de expliciete benoeming van de 90 dagen termijn in de e-mail van 6 april 2021. Natec heeft gebruik gemaakt van haar contractuele opzegbevoegdheid en van misbruik van bevoegdheid is de kantonrechter niet gebleken. </para>
        <para>Wel heeft de opzegging abrupte gevolgen gehad voor Lofoten en dit is (deels) te wijten geweest aan de handelwijze van Natec. Lofoten is door Natec namelijk op of kort na 1 april 2021 de toegang tot de door haar gebruikte e-mailaccounts ontzegd. Bovendien is namens Natec bericht dat Lofoten enkel nog telefonisch mocht communiceren met [D] , terwijl Lofoten - begrijpelijkerwijs - alle verdere (beëindigings)afspraken schriftelijk wenste vast te leggen. De stelling van Natec tijdens de eerste mondelinge behandeling dat Lofoten desondanks toch kon en heeft doorgewerkt, zal de kantonrechter meenemen in de hierna te bespreken uitgangspunten voor berekening van de provisieaanspraken van Lofoten. Hierbij zal de kantonrechter uitgaan van de stellingen van partijen na de eerste mondelinge behandeling en van de door Natec bij conclusie van dupliek ingebrachte nieuwe financiële overzichten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">I. Nog verschuldigde provisie tot 1 april 2021:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens Lofoten bedraagt de totale provisie tot 1 april 2021, die nog betaald zou moeten worden, <emphasis role="bold">€ 112.197,31</emphasis>, bestaande uit een bedrag van <emphasis role="bold">€ 2.238,15 </emphasis>wegens onbetaald gebleven provisie en een bedrag van <emphasis role="bold">€ 109.959,16 </emphasis>voor de niet uitgevoerde orders. </para>
        <para>Lofoten heeft in haar administratie 51 (van de in totaal 131) order confirmations terug kunnen vinden van niet uitgevoerde orders, die zijn aanvaard in de periode tot 1 april 2021.Dit betreffen orders die recht geven op een provisie van <emphasis role="bold">€ 82.064,51</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Natec heeft (als gezegd) bij conclusie van antwoord erkend dat Lofoten recht heeft op provisie als bedoeld in artikel 7:431 lid 1 onder a BW ten bedrage van <emphasis role="bold">€ 1.803,72</emphasis> over 12 in productie 7 genoemde orders, omdat deze orders niet zijn geannuleerd maar gewoon zijn uitgevoerd. De verschuldigdheid van € 108.155,44 voor de 119 niet uitgevoerde orders, waarvoor ook order confirmations zijn afgegeven volgens Natec, wordt door Natec betwist. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Lofoten in beginsel wel recht op provisie over deze niet uitgevoerde orders. Dit is slechts anders wanneer Natec bewijst dat deze orders niet zijn uitgevoerd vanwege een omstandigheid die niet aan Natec kan worden toegerekend. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">II. Provisie (over bestaande klanten en nieuwe klanten) in de periode april t/m 31 juli 2021 ex artikel 7:431 lid 1 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Allereerst overweegt de kantonrechter dat het primaire verweer van Natec, inhoudende dat Lofoten in de periode april t/m juli 2021 geen provisie toekomt over nieuwe klanten vanwege het ontbreken van exclusiviteit in Polen, niet opgaat. Uit de gedingstukken blijkt immers niet dat Natec uitdrukkelijk met Lofoten is overeengekomen dat zij ten aanzien van haar Poolse klanten <emphasis role="italic">niet </emphasis>het alleenrecht heeft <footnote-ref linkend="_74b75765-b665-4fda-b028-70cc9e5f4b85" />. <?linebreak?>De stelplicht en bewijslast van een dergelijke uitdrukkelijke afspraak ligt bij Natec.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens Natec blijkt uit productie 22 dat in de periode april t/m juli 2021 met de verkoop aan bestaande klanten een omzet is gerealiseerd van € 2.582.185,08. De provisieaanspraak van Lofoten, gestoeld op artikel 7:431 lid 1 sub b BW, bedraagt </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">€ 51.643,70</emphasis> (2% van € 2.582.185,08).</para>
        <para>Verder heeft Natec berekend dat de provisieaanspraak van Lofoten voor nieuwe klanten in de periode april t/m juli 2021, gestoeld op artikel 7:431 lid 1 sub c BW, <emphasis role="bold">€ 16.144,60</emphasis> (2% van € 807.229,85) bedraagt. </para>
        <para>In totaal komt dit neer op een provisieaanspraak van <emphasis role="bold">€ 67.788,30. </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens Lofoten bedraagt de provisie vanaf 1 april tot 29 juli 2021 in totaal <?linebreak?><emphasis role="bold">€ 67.770,89</emphasis>. Hierbij gaat zij uit van de overzichten van Natec. </para>
        <para>Met een correctie van 10% ‘naar boven’ komt Lofoten uit op een bedrag van € 74.547,98.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>De kantonrechter merkt op dat de uitkomst van de provisieberekening van partijen grotendeels overeenkomt. Voor zover nodig kunnen partijen tijdens de tweede mondelinge behandeling nader toelichten hoe de kleine verschillen te verklaren zijn.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">III. Provisie over overeenkomsten gesloten na beëindiging van de agentuurovereenkomst ex artikel 7:431 lid 2 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>De provisie over bestaande klanten bedraagt <emphasis role="bold">€ 138.406,73 </emphasis>over de periode augustus tot en met december 2021, aldus Lofoten. In redelijkheid stelt zij hierbij de einddatum waarna geen bestellingen meer te verwachten zijn op 31 december 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <parablock>
        <para>Natec betwist dat er na de einddatum van de agentuurovereenkomst nog orders zijn geplaatst die hoofdzakelijk aan Lofoten te danken zijn. <?linebreak?>Verder heeft Lofoten volgens Natec niet voldoende gesteld of aannemelijk gemaakt om te kunnen vaststellen dat, en welke overeenkomsten uit de groep bestaande klanten in de periode augustus t/m december 2021 binnen een redelijke tijd na het einde van de agentuurovereenkomst zijn gesloten. Verder is niet aannemelijk dat er reeds voor het einde van de agentuurovereenkomst bestellingen waren geplaatst, die pas geruime tijd na het einde van de agentuurovereenkomst tot totstandkoming van koopovereenkomsten hebben geleid.</para>
        <para>Volgens Natec blijkt uit productie 23 bij conclusie van dupliek dat in de periode augustus t/m december 2021 met de verkoop aan bestaande klanten een omzet is gerealiseerd van </para>
        <para>€ 6.923.698,64, zodat de provisieaanspraak van Lofoten voor de periode augustus t/m december 2021, gestoeld op artikel 7:431 lid 1 sub b BW hooguit neerkomt op <emphasis role="bold">€ 138.473,97</emphasis> (2% van € 6.923.698,64).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt hierover als volgt.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.21.1.</nr>
        <para>Lofoten heeft op grond van artikel 7:431 lid 2 BW recht op provisie wegens de voorbereiding van na het einde van de agentuurovereenkomst tot stand gekomen overeenkomsten:<?linebreak?>a. indien deze hoofdzakelijk aan de tijdens de duur van de agentuurovereenkomst door haar verrichte werkzaamheden zijn te danken en binnen een redelijke termijn na de beëindiging van die overeenkomst zijn afgesloten, of<?linebreak?>b. indien Lofoten of Natec, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het eerste lid, de bestelling van de klant heeft ontvangen voor de beëindiging van de agentuurovereenkomst.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.21.2.</nr>
        <para>De redelijke termijn (genoemd in sub a.) zal moeten worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Hierbij zal de kantonrechter in overweging nemen dat, zoals door Natec onweersproken is gesteld, het proces van in- en verkoop een lange tijd omvat, over veel schakels gaat en met onzekerheden en schommelingen te maken heeft, omdat de markt van zonnepanelen een zeer overspannen markt is. Daarbij uitgaande van de stelling van Natec dat Lofoten werkzaamheden verrichtte voor bestellingen ‘voor ongeveer maximaal drie maanden vooruit’ en van de omstandigheid dat Lofoten volgens Natec tot aan 31 juli 2021<footnote-ref linkend="_ebc9ed77-3026-4806-8fc1-c1bc669b669a" /> ondanks het feit dat zij geen toegang meer had tot haar e-mailaccounts orders heeft kunnen aanbrengen, vindt de kantonrechter het redelijk om de einddatum waarna geen bestellingen meer te verwachten zijn, te stellen op 31 december 2021. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.21.3.</nr>
        <parablock>
          <para>De stelplicht en - bij betwisting - de bewijslast ten aanzien van de stelling dat de door Lofoten verrichte werkzaamheden voor het einde van de agentuurovereenkomst hebben geleid tot overeenkomsten na het einde van de agentuurovereenkomst rusten op Lofoten. In dit verband is echter van belang dat Natec de e-mailaccounts van Lofoten heeft gewist, waardoor Lofoten belemmerd is in de mogelijkheid om te onderbouwen dat klanten al hadden aangegeven dat zij ook na 1 april 2021 c.q. 29 juli 2021 bestellingen zouden doen, wat deze waren en wat daarover is vastgelegd. De kantonrechter stelt vast dat Lofoten er in haar conclusie na dupliek onder V. desondanks in is geslaagd om een opsomming te geven van door Natec bij conclusie van dupliek gestelde en nog niet eerder aan Lofoten gepresenteerde nieuwe klanten, die volgens Lofoten oude klanten van haar blijken te zijn, die verdere bestellingen bij Lofoten zouden plaatsen, maar dit blijkbaar (onder een andere naam) bij Natec zelf hebben gedaan. </para>
          <para>Lofoten heeft hiermee - in aanmerking genomen de door Natec veroorzaakte belemmeringen - voldoende aannemelijk gemaakt dat er na de einddatum van de agentuurovereenkomst nog orders zijn geplaatst, die hoofdzakelijk aan Lofoten zijn te danken. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.21.4.</nr>
        <para>Het ligt daarom op de weg van Natec om naar aanleiding van voornoemde opsomming van Lofoten nader onderzoek te doen naar de juistheid van de stellingen van Lofoten. Voor zover Natec volhardt in haar betwisting dat overeenkomsten van na 31 juli 2021 niet hoofdzakelijk te danken zijn aan de inspanningen van Lofoten, dient zij haar betwisting aan de hand van voornoemde opsomming van Lofoten gemotiveerd en puntsgewijs te onderbouwen. Deze onderbouwing moet zij aan Lofoten en aan de kantonrechter verstrekken, uiterlijk tien dagen voordat een tweede mondelinge behandeling plaatsvindt. Lofoten kan hierop dan tijdens de tweede mondelinge behandeling reageren.<?linebreak?></para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.21.5.</nr>
        <parablock>
          <para>Ook draagt de kantonrechter Natec op om uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de tweede mondelinge behandeling een nieuwe berekening in het geding te brengen, op grond waarvan de provisie over de overeenkomsten gesloten na beëindiging van de agentuurovereenkomst in de periode van 29 juli 2021 t/m 31 december 2021 berekend kan worden. Net als bij de eerdere in het geding gebrachte berekeningen, zal daarbij een onderscheid moeten worden gemaakt tussen ‘bestaande klanten’ en ‘nieuwe klanten’. </para>
          <para>Uit overweging 141 bij conclusie van dupliek volgt namelijk dat in de periode augustus t/m december 2021 met de verkoop aan ‘nieuwe klanten’ een aanzienlijke omzet is gegenereerd (€ 3.551.233,78), op basis waarvan Lofoten op grond van artikel 7:431 lid 2 BW ook (deels) aanspraak maakt op provisie, althans zo begrijpt de kantonrechter de opsomming van Lofoten in haar akte na dupliek. </para>
          <para>Bezien in het licht van artikel 7:431 lid 3 BW kan het onder omstandigheden billijk zijn om de provisie te verdelen. In het kader van een eventuele minnelijke regeling tussen partijen, kan een dergelijk onderscheid tussen ‘bestaande klanten’ en ‘nieuwe klanten’ dus helpend zijn. </para>
          <para>Lofoten kan tijdens de tweede mondelinge behandeling reageren op de nieuwe berekening van Natec.<?linebreak?></para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Klantenvergoeding</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>Bij een einddatum van de agentuurovereenkomst op 29 juli 2021, verzoekt Lofoten bij conclusie van repliek de klantvergoeding vast te stellen op <emphasis role="bold">€ 291.795,22 </emphasis>(overweging 141).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>Natec betwist de door Lofoten gestelde hoogte van de (maximale) klanten-vergoeding en heeft bij conclusie van dupliek het wettelijk maximum voor de klantenvergoeding berekend op <emphasis role="bold">€ 202.846,20</emphasis> (overweging 176 en 177).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter overweegt hierover het volgende. <?linebreak?>Lofoten heeft na het einde van de agentuurovereenkomst (29 juli 2021) recht op klantenvergoeding. Zij ziet zich, als agent, immers geconfronteerd met de situatie dat zij geen profijt meer heeft van orders van klanten die zij heeft aangebracht, terwijl Natec als principaal daarvan nog wel voordeel heeft. Billijkheidshalve moet dit voordeel met de agent worden gedeeld, wat wordt bewerkstelligd met de wettelijke klantenvergoeding, zoals bepaald in artikel 7:442 lid 1 en 2 BW<footnote-ref linkend="_98c0180b-6042-46b0-8de3-db91169b2ed3" />. </para>
        <para>De vaststelling van de klantenvergoeding verloopt in drie fasen (vgl. HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865). In de eerste fase moeten de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren, worden gekwantificeerd (artikel 7:442 lid 1 sub a BW). In de tweede fase moet beoordeeld worden of reden bestaat dit bedrag naar boven of beneden aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de handelsagent gederfde provisie (artikel 7:442 lid 1 sub b BW). Ten slotte wordt in de derde fase getoetst of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van artikel 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <parablock>
        <para>Als uitgangspunt voor de tweede mondelinge behandeling neemt de kantonrechter aan dat Natec een serieuze speler op de Poolse markt is geworden (eerste fase) en dat de door beide partijen genoemde omstandigheden geen reden vormen voor een billijkheidscorrectie naar boven of naar beneden (tweede fase). Hierbij overweegt de kantonrechter dat Lofoten met de klantenvergoeding wordt gecompenseerd voor de gevolgen van de beëindiging van de agentuurovereenkomst. Het wegvallen van de provisie-inkomsten is als zodanig geen reden om een billijkheidscorrectie in haar voordeel uit te voeren. Bovendien is - zoals door Natec onweersproken is gesteld – aan [A] en [B] de mogelijkheid geboden om bij Natec in loondienst te komen. Uiteraard stond het hen vrij om niet op dit aanbod in te gaan, maar het afslaan daarvan ligt wel in hun risicosfeer. </para>
        <para>De door Natec aangevoerde redenen – de korte duur van de overeenkomst, het grote verloop van klanten en de door Lofoten betwiste stelling dat [A] niet bereid was om de strategie van Natec te volgen - rechtvaardigen niet dat een billijkheidscorrectie in het nadeel van Lofoten wordt uitgevoerd.</para>
        <para>Het wettelijk maximum dient berekend te worden naar het gemiddelde van de gehele duur van de overeenkomst, namelijk van 1 januari 2020 t/m 29 juli 2021. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <para>Het grootste twistpunt tussen partijen bij de berekening van de klantenvergoeding lijkt nu nog te zijn of de provisie over de niet uitgevoerde orders moet worden opgeteld bij de provisie over de wel uitgevoerde orders tot 1 april 2021. De kantonrechter verwijst wat dat betreft naar hetgeen eerder is overwogen in rechtsoverweging 4.6. en 4.14.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter draagt aan Natec op om uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de tweede mondelinge behandeling een nieuwe berekening van de klantenvergoeding in het geding te brengen, op basis van de hiervoor in 4.25. geformuleerde uitgangspunten en met in achtneming van dat wat in 4.26. is overwogen. </para>
        <para>Lofoten kan dan tijdens de tweede mondelinge behandeling reageren op deze nieuwe berekening van de klantenvergoeding.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28.</nr>
      <parablock>
        <para>Slotsom is dat op een zo’n kort mogelijke termijn een tweede mondelinge behandeling wordt bepaald, waarbij Natec wordt opgedragen om op voorhand:</para>
        <para>(1)  bewijs aan te leveren voor haar stelling dat de niet-uitvoering van de 119 orders haar niet toe te rekenen is (zie rechtsoverweging 4.6);</para>
        <para>(2) zich uit te laten over de stellingen van Lofoten betreffende foutieve omzetgegevens (zie rechtsoverweging 4.9);</para>
        <para>(3) een nadere onderbouwing te geven van haar betwisting dat overeenkomsten na <?linebreak?>29 juli 2021 niet hoofdzakelijk te danken zijn aan de inspanningen van Lofoten, dit aan de hand van de door Lofoten gegeven opsomming in haar akte na dupliek (rechtsoverweging 4.21.4);</para>
        <para>(4) een nieuwe berekening in het geding te brengen op grond waarvan de provisie over de overeenkomsten gesloten na beëindiging van de agentuurovereenkomst in de periode van <?linebreak?>29 juli 2021 t/m 31 december 2021 berekend kan worden (rechtsoverweging 4.21.5); </para>
        <para>(5) een nieuwe berekening van de klantenvergoeding in het geding te brengen, op basis van de hiervoor in 4.25. geformuleerde uitgangspunten en met in achtneming van dat wat in 4.26. is overwogen (rechtsoverweging 4.27). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29.</nr>
      <para>Natec dient voornoemde stukken uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan Lofoten en de kantonrechter toe te sturen.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De verdere beslissing in de hoofdzaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>bepaalt een zitting op een nader vast te stellen datum en tijdstip in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8, 5223 BA ’s-Hertogenbosch;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>bepaalt dat beide partijen op de zitting aanwezig moeten zijn, waarbij een rechtspersoon vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en gemachtigd is om inlichtingen te geven en een schikking aan te gaan;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>bepaalt dat partijen uiterlijk op 16 mei 2024 per brief hun verhinderdagen en de verhinderdagen van hun eventuele gemachtigden in de periode van juni tot en met december  2024 kunnen opgeven, waarna dag en tijdstip van de zitting worden bepaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>bepaalt dat de kantonrechter, indien een partij niet dan wel niet tijdig de verhinderdata opgeeft, de datum en het tijdstip van de zitting zelfstandig vaststelt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>bepaalt dat de datum en het tijdstip van de zitting na vaststelling ervan in beginsel niet meer worden gewijzigd;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>draagt Natec op om uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling de in rechtsoverweging 4.28 opgesomde stukken in het geding te brengen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.7.</nr>
      <para>houdt verder iedere beslissing aan.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_92d2d771-b6a0-47c9-8feb-424575813294" label="1">
    <para> Zie: Kamerstukken II 1988/1989, 20843, 3, p. 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e64914c-3c45-427b-8c6d-ee393c5954bb" label="2">
    <para>Zie: art. 10 (https://www.inview.nl/openCitation/id998bfb7e9c9d20a4994c6d51cbe94890) Richtlijn 86/653/EEG en art. 11 lid 1 (https://www.inview.nl/openCitation/id7b96b18eb404a48ec0abf9507d495b51) tweede streepje Richtlijn 86/653/EEG.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_74b75765-b665-4fda-b028-70cc9e5f4b85" label="3">
    <para> Zie: <emphasis role="italic">Kamerstukken II 1988/1989, 20842, 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/resultaten?q=(c.product-area==%22sgd%22)and(dt.creator==%22Tweede%20Kamer%20der%20Staten-Generaal%22)and(w.vergaderjaar==%221988-191989%22)and((dt.type==%22Kamerstuk%22)and(w.dossiernummer==%2220842%22)and(w.ondernummer==%223%22))&amp;zv=&amp;col=Kamerstuk&amp;hist=1&amp;idp=LegalIntelligence)</emphasis>, p. 5 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ebc9ed77-3026-4806-8fc1-c1bc669b669a" label="4">
    <para> Formeel is de agentuurovereenkomst geëindigd op 31 juli 2021, aldus Natec (zie overweging 159 conclusie van repliek)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_98c0180b-6042-46b0-8de3-db91169b2ed3" label="5">
    <para>Met artikel 7:442 BW is uitvoering gegeven aan artikel 17 Agentuurrichtlijn (richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>