<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2024:5873</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-03T07:23:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C-01-383649 - HA ZA 22-375</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2025/237</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2025-0343</rdf:li>
          <rdf:li>VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0343</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:5873">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:5873</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T10:30:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2024:5873 Rechtbank Oost-Brabant , 06-11-2024 / C-01-383649 - HA ZA 22-375</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2024:5873:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verdeling nalatenschap</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2024:5873:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Oost-Brabant</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rolnummer: C/01/383649 / HA ZA 22-375</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 6 november 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>pro se, als deelgenoot in na te melden nalatenschappen en als legitimaris, <?linebreak?>eiseres,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>advocaat: mr. G.M. de Weerd te Doorn, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde 1] , </title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>pro se, als deelgenoot in na te melden nalatenschappen en als executeur in na te melden nalatenschap, </para>
      <para>gedaagde,  </para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde 1] , </para>
      <para>advocaat: mr. M. van Hunnik te Ede Gld,  <?linebreak?>2. 	<emphasis role="bold">[gedaagde 2]</emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>pro se en als deelgenoot in na te melden nalatenschappen, </para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde 2] , </para>
      <para>niet verschenen,<?linebreak?>3. 	<emphasis role="bold">[gedaagde 3]</emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>pro se en als deelgenoot in na te melden nalatenschappen, </para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde 3] , </para>
      <para>advocaat: mr. A.B. Noordhof te Eindhoven, <?linebreak?>4. 	<emphasis role="bold">[gedaagde 4]</emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>pro se en als deelgenoot in na te melden nalatenschappen, </para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde 4] , </para>
      <para>advocaat: mr. A.B. Noordhof te Eindhoven <?linebreak?>5. 	<emphasis role="bold">[gedaagde 5]</emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>pro se en als deelgenoot in na te melden nalatenschappen, </para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde 5] , </para>
      <para>niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding tevens vordering in incident tot het verstrekken van stukken en het gelasten van een deskundigenbericht met producties 1 tot en met 17, </para>
      <para>- de incidentele conclusie van antwoord van [gedaagde 1] met productie 1, </para>
      <para>- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , </para>
      <para>- de conclusie van antwoord van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] met productie 1, </para>
      <para>- de akte van [eiser] van 22 september 2023 met een eisvermeerdering en de aanvullende producties 18 tot en met 21,</para>
      <para>- het incidenteel vonnis van 5 oktober 2022, </para>
      <para>- het vonnis van 19 oktober 2022, waarin de mondelinge behandeling is bepaald, </para>
      <para>- de aanvullende productie 22 van [eiser] , </para>
      <para>- de aanvullende productie 2 van [gedaagde 1] ,  <?linebreak?>- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, </para>
      <para>- de spreekaantekeningen van [eiser] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 5] zijn zussen van elkaar. Zij hadden ook een broer, [A] , maar hij is overleden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De heer [B] (hierna: vader) is vooroverleden op [datum 1] 2001, met achterlating van zijn echtgenote mevrouw [C ] (hierna: moeder) en hun 5 kinderen ( [eiser] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 5] ) als erfgenamen, ieder voor een gelijk deel. Moeder en de kinderen hebben de nalatenschap van vader zuiver aanvaard. Op grond van zijn laatste testament van 11 juli 1986 was op de nalatenschap de ouderlijke boedelverdeling van toepassing. De erfdelen van de kinderen zijn omgezet in vorderingen op moeder, althans op haar nalatenschap. Uit de aangifte erfbelasting na overlijden van vader blijkt dat de omvang van de nalatenschap € 278.850,- bedroeg. De erfdelen van de kinderen bedroegen € 46.475,- voor [gedaagde 5] en € 44.876 voor de andere vier kinderen. Het erfdeel van [gedaagde 5] is hoger omdat zij werd vrijgesteld van erfbelasting omdat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding. Op de vorderingen uit hoofde van de erfdelen geldt een rente van 6% per jaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Moeder is als langstlevende overleden op [datum 2] 2019 met, blijkens haar laatste testament van 28 januari 2019, achterlating van de kinderen als haar erfgenamen, ieder voor een gelijk deel. De kinderen hebben de nalatenschap van moeder zuiver aanvaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Moeder heeft bij voornoemd testament [gedaagde 1] en [A] benoemd tot twee sterren executeurs (beheersexecuteurs), welke benoeming door beiden is aanvaard. Ze zijn niet ook benoemd tot afwikkelingsbewindvoerders.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Vanwege het overlijden van [A] hebben zijn kinderen, [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , als rechtsopvolgers onder algemene titel, zijn plaats ingenomen als erfgenamen in de nalatenschappen van vader en moeder. [gedaagde 1] was sindsdien de enige executeur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>In de aangifte erfbelasting van moeder is een totaal aan bezittingen van € 182.518,- opgenomen, en een schuld van € 276.792 aan de erfgenamen, vanwege het vooroverlijden van vader. Er is sprake van een negatieve boedel. Alle uitkeringen die aan de erfgenamen zijn gedaan, zijn betalingen op de vorderingen die de erfgenamen hadden op moeder uit hoofde van hun erfdelen als gevolg van het overlijden van vader. [eiser] heeft in totaal een bedrag van € 23.502,89 op haar vordering ontvangen, in vier verschillende overboekingen vanaf de ervenrekening.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Bij vonnis in incident van 5 oktober 2022 zijn de vorderingen van [eiser] , tot afgifte van diverse stukken en tot het gelasten van een deskundigenbericht om de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] vast te stellen, afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert in de hoofdzaak - integraal weergegeven – het volgende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: </para>
      <para />
      <para>1. [gedaagde 1] te veroordelen inzake de nalatenschap van moeder de volgende stukken aan [eiser] te verstrekken, voor zover niet reeds in incident toegewezen:</para>
      <parablock>
        <para>a. gespecificeerde notariële boedelbeschrijving per overlijdensdatum, waaruit de samenstelling en waarde van de (vermogensbestanddelen van de) nalatenschap blijkt, waaronder ook de roerende (inboedel)zaken en de getaxeerde waarde daarvan;</para>
        <para>b. alle onderliggende bescheiden bij voornoemde boedelbeschrijving;</para>
        <para>c. de laatste tien definitieve aangiftes inkomstenbelasting en de bijbehorende aanslagen;</para>
        <para>d. een opgave van alle schenkingen en/of giften die door moeder zijn gedaan;</para>
        <para>e. alle bankafschriften per overlijdensdatum en vanaf in ieder geval zeven jaar vóór het overlijden van moeder. Dit gelet op de wettelijke bewaartermijn van de bank;</para>
        <para>f. informatie en stukken met betrekking tot eventuele levensverzekeringen en polissen van moeder. Dit omdat een levensverzekering in sommige gevallen kan worden aangemerkt als een quasi-legaat ex artikel 4:126 BW;</para>
        <para>dan wel [gedaagde 1] te veroordelen door uw rechtbank in goede justitie te bepalen stukken te verstrekken; </para>
        <para>zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; <?linebreak?>althans een veroordeling met gelijke strekking uit te spreken; </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Een deskundigenbericht te gelasten voor de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak te ( [postcode] ) [plaats] , [adres] , per de datum van overlijden van vader ( [datum 1] 2001), dat wil zeggen: de woning met de bijgebouwen en de bijbehorende ca 7 hectare bos en 1 hectare weiland; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Actio Pauliana </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>3. <emphasis role="underline">Primair</emphasis> in het kader van de verdeling van de nalatenschap van moeder ex artikel 3:185 BW de bekende en nog op te helderen schenkingen/giften te vernietigen o.g.v. artikel 3:45 BW en de ongedaanmakings/terugbetalingsverplichting zoveel mogelijk ex artikel 3:184 BW toe te rekenen op de erfdelen van de betreffende begunstigden. Voor zover toerekening ex 3:184 BW niet mogelijk is wordt verzocht de begunstigden te veroordelen de ontvangen schenkingen/giften aan de nalatenschap terug te betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subsidiair</emphasis> via artikel 3:171 BW de bekende en nog op te helderen schenkingen/giften te vernietigen o.g.v. artikel 3:45 BW en de ongedaanmakings-/terugbetalingsverplichting zoveel mogelijk ex artikel 3:184 BW toe te rekenen op de erfdelen van de betreffende begunstigden. Voor zover toerekening ex 3:184 BW niet mogelijk is wordt verzocht de begunstigden te veroordelen de ontvangen schenkingen/giften aan de nalatenschap terug te betalen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Benevens</emphasis> voor zover noodzakelijk ex artikel 3:168 lid 2 BW een beheersregeling vast te stellen, zo nodig met verwijzing naar de Kantonrechter, teneinde een beheersregeling te verkrijgen waarbinnen [eiser] als deelgenoot in de nalatenschap alsdan zelfstandig bevoegd is de schenkingen/giften te vernietigen o.g.v. Pauliana. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Meer subsidiair</emphasis> [gedaagde 1] in hoedanigheid van executeur te veroordelen de bekende en nog op te helderen schenkingen/giften te vernietigen o.g.v. artikel 3:45 BW, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vaststelling vaderlijke erfdelen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. <emphasis role="underline">Primair</emphasis> in het kader van de verdeling van de nalatenschap van moeder ex artikel 3:185 BW de vaderlijke erfdelen van de kinderen inclusief rente vast te stellen; </para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subsidiair</emphasis> een verklaring voor recht te geven inzake de omvang inclusief rente van de vaderlijke erfdelen van de kinderen; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vaststelling en uitbetaling legitieme portie nalatenschap moeder </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. De legitieme portie van [eiser] vast te stellen, mede op basis van de door [gedaagde 1] nog in het geding te brengen stukken ten aanzien van de omvang en samenstelling van de nalatenschap en de voor de legitimaire massa relevante schenkingen/giften; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde 1] en – ingeval van beëindiging van de executele – de erfgenamen te veroordelen tot uitbetaling van de legitieme portie aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen datum en bedrag; </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gelasten wijze van verdelen nalatenschap moeder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. De wijze van verdeling van de nalatenschap van moeder gelasten op basis van een – mede op basis van de door [gedaagde 1] nog in het geding te brengen stukken – nader in te dienen verdelingsvoorstel, met inachtneming van de vernietiging wegens Pauliana van de door moeder bij leven gedane schenkingen/giften en met toerekening van de terugbetalings-/ongedaanmakingsverplichtingen op de erfdelen van de betreffende begunstigden en overigens met veroordeling van de betreffende begunstigden tot terugbetaling van deze schenkingen/giften aan de nalatenschap; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rekening en verantwoording </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. [gedaagde 1] te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording ex artikel 4:151 BW zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten [gedaagde 1]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>8. Een verklaring voor recht te geven dat de proceskosten van [gedaagde 1] , inclusief de gevorderde proceskostenveroordelingen in het incident en in de bodemzaak, niet kwalificeren als kosten van executele, althans door haar niet ten laste van de nalatenschap van moeder gebracht mogen worden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskostenveroordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>9. [gedaagde 1] te veroordelen in de kosten in de hoofdzaak, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover voor zover zij in gebreke blijft met voldoening daarvan na de veertiende dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis, alsmede [gedaagde 1] te veroordelen in de nakosten, voor wat betreft het salaris van de advocaat (voorwaardelijk) begroot op € 157,00 zonder betekening (…) en verhoogd met € 82,00 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis en, voor het geval betaling niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten te rekenen van die termijn van voldoening; </para>
      <para>Althans een veroordeling met gelijke strekking uit te spreken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij akte van 22 september 2023 heeft [eiser] daarnaast de volgende vorderingen ingesteld, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Inkorting schenkingen/giften</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>10. <emphasis role="underline">Primair</emphasis> [gedaagde 1] als executeur te veroordelen over te gaan tot inkorting van schenkingen/giften aan deelgenoten in de nalatenschap van moeder en waar nodig eveneens van schenkingen/giften aan derden, een en ander voor zover noodzakelijk om de legitieme portie van eiser te kunnen uitkeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde 1] daarmee in gebreke mocht blijven na daartoe te zijn veroordeeld;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subsidiair</emphasis> de schenkingen/giften aan gedaagden in te korten voor zover noodzakelijk om de legitieme portie van eiser te kunnen uitkeren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verklaring voor recht onbevoegde verkoop Schilderij Lambert Simon en Mariabeeld</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>11. Voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] als executeur niet bevoegd was het schilderij van Lambert Simon en het Mariabeeld aan derden te verkopen; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Veroordeling ongedaanmaking verkoop en levering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>12. [gedaagde 1] te veroordelen alles in het werk te stellen om de verkoop en levering van het schilderij van Lambert Simon en het Mariabeeld ongedaan te maken; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schadevergoeding onrechtmatige daad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>13. [gedaagde 1] in het kader van de verdeling te veroordelen tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad ad € 14.500,- (verschil verkoopprijs € 9.500,- en werkelijke waarde € 24.000,-) wegens het onbevoegd verkopen voor een te lage waarde van het Mariabeeld, indien het haar niet lukt de verkoop en levering ongedaan te maken, voor zover noodzakelijk met benoeming van een deskundige om de werkelijke waarde van het Mariabeeld te bepalen; </para>
      <para>
        <?linebreak?>Alsmede<?linebreak?>[gedaagde 1] te veroordelen tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad wegens haar weigering de schenkingen te vernietigen op grond van Pauliana en haar weigering tot inkorting over te gaan van de voor inkorting vatbare schenkingen/giften, zulks voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat eiser als gevolg daarvan tekort komt inzake haar vaderlijk erfdeel respectievelijk legitieme portie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben verweer gevoerd. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad. [gedaagde 2] en [gedaagde 5] zijn niet verschenen in de procedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Er is geen sprake van rechtsverwerking of verjaring </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft per e-mail van 2 juni 2021 van [gedaagde 1] gevorderd dat zij overgaat tot uitkering vanaf de ervenrekening van hetgeen [eiser] toekomt. [gedaagde 1] is vervolgens tot uitkering overgegaan. Volgens [gedaagde 1] is sprake van rechtsverwerking, omdat [eiser] heeft aangedrongen op verdeling van de gelden. Dit beroep op rechtsverwerking slaagt niet. Gelet op de al bestaande discussie tussen partijen over de afwikkeling van de nalatenschap van moeder, mocht [gedaagde 1] er op basis van het verzoek tot betaling van [eiser] niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser] geen vordering meer zou instellen. Ook het beroep van [gedaagde 1] op verjaring van de vorderingen van [eiser] , slaagt niet. [gedaagde 1] heeft dit verweer ook niet onderbouwd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vorderingen worden afgewezen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft verschillende vorderingen ingesteld die zien op de afwikkeling van de nalatenschappen van vader en moeder. Zij heeft geen vertrouwen in hoe dat gegaan is.  [eiser] wil inzicht in alle beschikbare informatie en wil feitelijk dat de nalatenschappen opnieuw worden afgewikkeld, of dat de rechtbank uitspraak doet over hoe die afwikkeling eruit moet zien. De rechtbank komt tot de conclusie dat daar geen aanleiding voor is. Hierna zal per vordering worden uitgelegd hoe de rechtbank tot dat oordeel is gekomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">
            [gedaagde 1] wordt niet veroordeeld om stukken te verstrekken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Voor de door [eiser] gevorderde verstrekking van de stukken onder a tot en met f sluit de rechtbank aan bij wat in het vonnis in incident (vanaf 4.3 van dat vonnis) is overwogen. Er bestaat geen aanleiding om in de hoofdzaak anders te oordelen, ook omdat hiertoe geen nadere stellingen zijn ingenomen door partijen. Zoals in het vonnis in incident is overwogen was [eiser] zelf, als erfgenaam, in staat om stukken zoals aangiften IB of bankafschriften op te vragen bij de betreffende instanties. Niet is daarna gebleken dat [eiser] dit heeft gedaan. Dat zij deze stukken blijkbaar niet heeft opgevraagd, en haar vorderingen in de hoofdzaak niet nader heeft onderbouwd, dient voor haar rekening te blijven. De vorderingen die zien op het verstrekken van stukken worden afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Geen deskundigenbericht </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Ten tijde van het overlijden van vader was hij eigenaar van de onroerende zaak [adres] te ( [postcode] ) [plaats] . In de aangifte erfbelasting van vader is de woning meegenomen tegen een waarde in bewoonde staat van € 334.890,-. Dit was 60% van een waarde in vrije staat van € 558.150,-. De onroerende zaak is enkele jaren voor het overlijden van moeder verkocht aan de Vereniging [D] en maakt dan ook geen onderdeel uit van de nalatenschap van moeder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat er onduidelijkheid bestaat over de samenstelling en omvang van de nalatenschap van vader en wil dat een deskundige zich uitlaat over de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] per datum van overlijden van vader, [datum 1] 2001. De rechtbank begrijpt uit de stellingen bij dagvaarding dat [eiser] de waarde waar in de aangifte erfbelasting vanuit is gegaan, te laag vindt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De rechtbank zal niet overgaan tot het gelasten van een deskundigenbericht. [eiser] heeft niet gesteld wat de waarde van de onroerende zaak zou moeten zijn en wat dit betekent voor de afwikkeling. Dit had wel van [eiser] verwacht mogen worden ter onderbouwing van haar vordering. Zoals [gedaagde 1] terecht aanvoert is niet gebleken dat [eiser] belang heeft bij dit deskundigenbericht. Indien een deskundige zou vaststellen dat de onroerende zaak een hogere waarde had ten tijde van het overlijden van vader, vergroot dit namelijk niet de omvang van de nalatenschap van moeder. Een hogere waarde van de onroerende zaak zou betekenen dat de erfgenamen hogere vorderingen op de nalatenschap van moeder hebben uit hoofde van hun kindsdeel. Maar aangezien vaststaat dat de nalatenschap van moeder negatief is en de vorderingen van de erfgenamen niet volledig kunnen worden voldaan, is niet gebleken dat [eiser] belang heeft bij de eventuele vaststelling dat de onroerende zaak in 2001 meer waard was dan waar in de aangifte erfbelasting vanuit is gegaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Geen vernietiging van schenkingen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat er diverse schenkingen zijn gedaan aan onder andere de erfgenamen, die moeder niet had mogen verrichten omdat haar vermogen als gevolg van de vorderingen van de erfgenamen uit hoofde van hun kindsdeel ten tijde van die schenkingen al negatief was. Door desondanks schenkingen te doen zijn de erfgenamen van vader in hun hoedanigheid van schuldeisers benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Moeder heeft daarmee paulianeus gehandeld en de schenkingen zijn vernietigbaar op grond van artikel 3:45 BW, aldus [eiser] . </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Welke schenkingen heeft moeder gedaan? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat in ieder geval sprake is van de volgende schenkingen door moeder aan de kinderen: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde 2] : € 60.500,- (€ 35.000 + € 10.500 + € 15.000 (3 x € 5000)) </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [A] : € 60.500,- (€ 35.000 + € 10.500 + € 15.000 (3 x € 5000)) </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde 1] : € 60.500,- (€ 35.000 + € 10.500 + € 15.000 (3 x € 5000)) </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [eiser] : € 10.500,- </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde 5] : € 0,- (na het overlijden moeder alsnog € 10.500 ontvangen). </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat ook sprake is van schenkingen door moeder aan [E] , [F] en de Vereniging [D] , samen voor een totaalbedrag van € 188.990,-. Ten aanzien van deze schenkingen vordert [eiser] geen vernietiging.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat alle vijf de kinderen € 10.500,- hebben ontvangen. [gedaagde 2] , [A] , [gedaagde 1] en [eiser] bij leven van moeder en [gedaagde 5] na het overlijden van moeder. Verder staat ook vast dat [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] drie maal € 5.000,- hebben ontvangen, dus ieder € 15.000,- en totaal € 45.000,-. Dat [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] daarnaast nog € 35.000,- zouden hebben ontvangen, wordt door [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] betwist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>
        [eiser] verwijst ter onderbouwing van de gestelde schenkingen naar diverse e-mails en brieven van [gedaagde 1] (productie 7). Anders dan [eiser] stelt, blijkt hieruit niet dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [A] (ook) een schenking van € 35.000,- van moeder hebben ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>
        [gedaagde 1] schrijft in haar brief van 30 maart 2020 aan [gedaagde 5] en [eiser] : “<emphasis role="italic">Ma heeft na het overlijden van Pa een testament gemaakt. Haar wil daarin was dat [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] ieder € 35.000 zouden krijgen waarna de rest gelijkelijk onder de vijf kinderen verdeeld zou worden. Maar Ma wilde ook voorkomen dat er na haar dood ruzie tussen ons zou ontstaan vanwege haar testament. (…) We hebben afgesproken dat ieder afstand zou doen van die € 35.000, in ruil voor tweemaal het schenkingsvrije bedrag (ongeveer € 10.500).</emphasis>” Volgens [eiser] maakt de ‘<emphasis role="italic">verklaring mbt bevoordelingsbedoeling schenkingen’</emphasis> van [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] (productie 8 bij dagvaarding) het hiervoor genoemde bericht van 30 maart 2020 van [gedaagde 1] ongeloofwaardig en inconsistent. Indien [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] werkelijk hebben afgezien van de schenkingen van € 35.000,- was deze verklaring immers niet nodig, aldus [eiser] . Uit de voornoemde verklaring blijkt echter niet dat hiermee een schenking van € 35.000,- aan [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] wordt verantwoord, zoals [eiser] stelt. In die verklaring is, net als in de brief van 30 maart 2020, opgenomen dat moeder aanvankelijk van plan was € 35.000,- te schenken aan drie van de kinderen, maar hiervan af heeft gezien.  Ook uit de e-mail van 17 oktober 2018 van [gedaagde 1] aan [E] en [eiser] (productie 7A bij dagvaarding) kan niet worden afgeleid dat schenkingen van € 35.000,- aan drie van de kinderen zijn gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Als productie 10 heeft [eiser] het testament van 23 januari 2007 van moeder overgelegd. Zij voert hierbij aan dat uit dit testament geen regeling blijkt die [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] bevoordeelde. Dit terwijl in de hiervoor genoemde verklaring is opgenomen dat in het testament 2007 van moeder stond dat [gedaagde 2] [A] en [gedaagde 1] ieder € 35.000,- zouden krijgen. Uit het testament 2007 blijkt inderdaad niet van het voornemen om aan drie van de kinderen meer na te laten. Dit betekent echter niet dat hieruit kan worden afgeleid dat [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] de gestelde schenkingen van € 35.000,- wel hebben ontvangen. Dat schenkingen van € 35.000,- aan [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] zijn gedaan heeft [eiser] , mede in het licht van de betwistingen, onvoldoende gemotiveerd en dit is niet komen vast te staan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft ten slotte nog gesteld dat moet worden opgehelderd welke schenkingen hebben plaatsgevonden, aan wie en wanneer. De rechtbank begrijpt hieruit dat [eiser] het vermoeden heeft dat mogelijk meer schenkingen zijn gedaan dan de door haar gestelde schenkingen. Mede in dit kader vordert [eiser] dat diverse stukken worden overgelegd. Die vordering is echter niet toewijsbaar, zoals eerder in dit vonnis is overwogen. Ook uit de overige stellingen van [eiser] blijkt niet dat nog sprake is van andere schenkingen waar in de beoordeling rekening mee moet worden gehouden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling pauliana</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat alle kinderen een schenking van € 10.500,- hebben ontvangen, leidt vernietiging van die schenkingen niet tot een andere uitkomst in de afwikkeling van de nalatenschap. [eiser] heeft dan ook geen belang bij vernietiging van deze schenkingen. </para>
        <para>Verder is niet komen vast te staan dat schenkingen van € 35.000,- aan drie van de kinderen zijn gedaan. De beoordeling of moeder paulianeus heeft gehandeld ziet daarom alleen nog op de schenkingen van totaal € 45.000,- aan [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiser] aan dat zowel ten tijde van de schenkingen als per datum overlijden van moeder, het vermogen van moeder onvoldoende was om de vaderlijke erfdelen inclusief rente volledig te voldoen. Door de schenkingen zijn de kinderen in hun hoedanigheid van schuldeiser van moeder benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Volgens [eiser] wist moeder, of anders behoorde zij te weten, dat de schenkingen tot benadeling zouden leiden, omdat zij bekend was met de schulden uit hoofde van de vaderlijke erfdelen. Zij was immers bekend met het testament van vader en de fiscale omvang van de schulden op basis van de aangifte erfbelasting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Artikel 3:45 BW bepaalt dat indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, die rechtshandeling vernietigbaar is. Een kans op benadeling is daarvoor onvoldoende. De vraag die moet worden beantwoord is daarom of moeder ten tijde van het doen van de schenkingen aan [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] , wist of behoorde te weten dat [eiser] (en de andere kinderen als erfgenamen van vader) daardoor in hun verhaalsmogelijkheden zouden worden benadeeld. De rechtbank concludeert dat [eiser] onvoldoende stelt om tot dat oordeel te komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft niet gesteld wanneer de schenkingen van drie keer € 5.000,- aan [gedaagde 2] , [A] en [gedaagde 1] precies hebben plaatsgevonden en wat het vermogen van moeder op dat moment was. Of op dat moment door die betreffende schenkingen de schuldeisers zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden, kan daarom niet worden vastgesteld. Ook is daarmee niet bekend op welk moment bij moeder de wetenschap moest bestaan dat zij door het doen van schenkingen schuldeisers benadeelde. [eiser] heeft bovendien in het geheel niet duidelijk gemaakt wat vernietiging van de schenkingen financieel zou betekenen voor de nalatenschap van moeder. Dit had wel van [eiser] verwacht mogen worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat moeder op de hoogte moet zijn geweest van de schulden uit hoofde van de vaderlijke erfdelen, nu zij bekend was met het testament en de aangifte erfbelasting. Om die reden had zij de schenkingen niet mogen doen. [eiser] heeft echter niet aangevoerd waaruit blijkt dat moeder bekend was de schulden aan de kinderen én dat zij wist dat de kinderen door de schenkingen in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. De enkele bekendheid met het testament en de aangifte erfbelasting - als moeder zich al bewust was van de implicaties daarvan - was daarvoor in ieder geval niet voldoende. Zoals [gedaagde 1] terecht aanvoert brengt het enkele feit dat de vaderlijke erfdelen niet volledig kunnen worden voldaan uit de nalatenschap van moeder niet met zich mee dat alle schenkingen die moeder bij leven heeft gedaan per definitie paulianeus zijn. Om tot die conclusie te kunnen komen moet vaststaan dat moeder ten tijde van die schenkingen wist van de benadeling. Daarvoor heeft [eiser] dus onvoldoende gesteld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Geen vaststelling vaderlijke erfdelen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert vaststelling van de vaderlijke erfdelen van de kinderen inclusief rente of anders een verklaring voor recht inzake de omvang van die vaderlijke erfdelen. Zij stelt in dit kader dat de waarde van de tot de nalatenschap van vader behorende vermogensbestanddelen moet worden gecorrigeerd naar de waarde in het economisch verkeer en dat een correctie moet plaatsvinden naar de werkelijke omvang van de nalatenschap omdat niet alle vermogensbestanddelen zouden zijn opgenomen in de aangifte erfbelasting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft ten aanzien van het pand in [plaats] gesteld dat ten onrechte is uitgegaan van de fiscale waarde van het pand in bewoonde staat, die 60% bedroeg van de destijds vastgestelde waarde in vrij opleverbare staat. Waarom dit onjuist is, legt [eiser] echter niet uit. De rechtbank begrijpt dat het pand destijds bewoond was en begrijpt daarom niet, zonder nadere toelichting waaruit dit blijkt, waarom toch van een hogere waarde zou moeten worden uitgegaan. [eiser] heeft bovendien geen belang bij vaststelling van een hogere waarde voor het pand, zoals eerder in dit vonnis is overwogen. Een grotere omvang van haar vordering op moeder, uit hoofde van de nalatenschap van vader, leidt immers niet tot een hogere uitkering voor [eiser] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>Verder heeft [eiser] niet toegelicht waarom en voor welke vermogensbestanddelen uitgegaan moet worden van de economische waarde en ook niet welke vermogensbestanddelen ten onrechte niet zouden zijn meegenomen in de aangifte erfbelasting van vader althans in de afwikkeling van de nalatenschap van vader. Dit leidt tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat om de vaderlijke erfdelen opnieuw vast te stellen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Geen legitieme portie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert vaststelling van haar legitieme portie, mede op basis van nog in het geding te brengen stukken. Zij vordert ook dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld om tot uitbetaling van haar legitieme portie over te gaan. Volgens [eiser] is er sprake van een schending van de legitieme portie, indien de schenkingen die moeder heeft gedaan, niet worden vernietigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>De legitieme portie ziet op de waarde van het vermogen van de erflater, waarop – in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen – door de legitimaris aanspraak kan worden gemaakt. De legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <para>De nalatenschap van moeder is negatief. Van een legitieme portie kan om die reden geen sprake zijn. [eiser] heeft niet gesteld of onderbouwd op basis waarvan haar legitieme portie anders dan nihil is. Vernietiging van de schenkingen die volgens [eiser] paulianeus zijn, maakt de nalatenschap in ieder geval niet positief. Ook dan zijn de betalingen die aan [eiser] zijn gedaan, betalingen op haar vordering uit hoofde van haar kindsdeel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <para>Bij eiswijziging heeft [eiser] kort gezegd nog gevorderd dat over wordt gegaan tot inkorting van schenkingen/giften, voor zover noodzakelijk om haar legitieme portie uit te kunnen keren. [eiser] heeft deze vordering niet toegelicht dan wel onderbouwd. De rechtbank begrijpt dat [eiser] hier een beroep doet op artikel 4:67 BW, dat bepaalt welke giften in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de legitieme portie. [eiser] heeft niet gesteld voor welke giften inkorting moet plaatsvinden en wat dit financieel betekent voor de omvang van de nalatenschap van moeder. Zij heeft daarmee onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat na inkorting wél sprake zou zijn van een legitieme portie. Het had op de weg van [eiser] gelegen om te stellen en inzichtelijk te maken dat zij belang heeft bij deze vordering. Dit heeft zij niet gedaan. Bovendien staat vast dat ook aan [eiser] een gift is gedaan van € 10.500,-. Aangezien giften die door een erflater aan de legitimaris zijn gedaan, in mindering komen op diens legitieme portie (artikel 4:70 BW) is ook in dat licht onvoldoende onderbouwd dat inkorting maakt dat sprake is van een legitieme portie voor [eiser] . Toewijzing van de vorderingen die zien op vaststelling van de legitieme portie, is dan ook niet aan de orde. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vaststelling verdeling nalatenschap moeder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27.</nr>
      <para>Aangezien de schenkingen niet worden vernietigd en de vaderlijke erfdelen niet opnieuw worden vastgesteld, bestaat er ook geen aanleiding tot het opnieuw vaststellen van de verdeling van de nalatenschap van moeder. Deze vordering wordt dan ook afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Rekening en verantwoording</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde 1] tot het afleggen van rekening en verantwoording op grond van artikel 4:151 BW, op straffe van een dwangsom. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29.</nr>
      <para>Artikel 4:151 BW ziet op het afleggen van rekening en verantwoording door de executeur, aan degene die daarna bevoegd is tot het beheer van de nalatenschap. Aangezien de executele volgens [eiser] nog niet is geëindigd, en bovendien niet is gesteld of gebleken dat zij nadien bevoegd is geworden tot het beheer over de nalatenschap van moeder, gaat toepassing van dit artikel niet op. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.30.</nr>
      <para>Volgens [eiser] moet [gedaagde 1] ook op basis van artikel 4:78 BW meer informatie verschaffen. Dit artikel ziet echter op de bevoegdheden van een legitimaris die geen erfgenaam is. [eiser] is echter wel erfgenaam en kan hier dus geen beroep op doen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31.</nr>
      <para>Ten slotte doet [eiser] nog een beroep op artikel 4:148 BW. Dit artikel ziet op het geven van alle gewenste inlichtingen door de executeur aan een erfgenaam, omtrent de uitoefening van haar taak. [eiser] stelt onder meer dat [gedaagde 1] niet bereid is geweest om de andere erfgenamen volledige inzage te geven in de administratie, en dat er onduidelijkheid bestaat over (grotere) uitgaven die moeder bij leven heeft gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.32.</nr>
      <para>Door [eiser] is inzage gevorderd in diverse stukken, maar die vordering wordt afgewezen, zoals is gemotiveerd in het vonnis in incident. Verder staat vast dat [gedaagde 1] een onderhandse boedelbeschrijving heeft verstrekt aan de erfgenamen en dat voor de roerende zaken een catalogus is gemaakt en diverse (verdeel)bijeenkomsten zijn gehouden. Ook de bankafschriften van de ervenrekening en de aangifte erfbelasting zijn door [gedaagde 1] verstrekt, zodat het verloop van het beschikbare actief inzichtelijk is gemaakt. Zoals [gedaagde 1] terecht aanvoert, heeft [eiser] niet concreet gemaakt op welk onderdeel de rekening en verantwoording dan nog ontbreekt. Deze vordering wordt dan ook afgewezen. Ook gelet op het feit dat [eiser] als erfgenaam zelf bankafschriften kon opvragen, is het niet aan [gedaagde 1] als executeur om eventuele onduidelijkheid weg te nemen over uitgaven die moeder bij leven heeft gedaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Roerende zaken </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.33.</nr>
      <para>Volgens [eiser] zijn een aantal roerende zaken in de nalatenschap van moeder nog altijd niet verdeeld. In haar akte eisvermeerdering is ter zake een verdelingsvoorstel opgenomen. Hieraan is echter geen vordering verbonden, zodat de rechtbank in dit vonnis niet oordeelt over dit verdelingsvoorstel.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.34.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat [gedaagde 1] is overgegaan tot verkoop van het schilderij van Lambert Simon en het Mariabeeld, terwijl zij daartoe niet bevoegd was. Zij vordert een verklaring voor recht en veroordeling van [gedaagde 1] tot ongedaanmaking van die verkoop. Het schilderij was volgens [eiser] in de derde verdeelbijeenkomst aan [gedaagde 5] en [eiser] toegedeeld. In weerwil daarvan heeft [gedaagde 1] het schilderij vervolgens verkocht aan de [F] voor € 1.000,-. Het Mariabeeld is volgens [eiser] , tegen de wensen van haar en [gedaagde 5] in, verkocht aan Vereniging [D] voor € 9.500,-. Dit terwijl een door [eiser] geraadpleegde deskundige de waarde van het beeld op minstens € 24.000,- heeft geschat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.35.</nr>
      <para>
        [gedaagde 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling betwist dat zaken eigenhandig zijn verkocht en verdeeld. Er is gewerkt met een lijst en er zijn foto’s gedeeld van de zaken die onderdeel zijn van de nalatenschap. Daarover zijn verdelingsbijeenkomsten gehouden. Voor zover er geen belangstelling was, is een deskundige ingeschakeld en zijn de zaken vervolgens verkocht. Dit is ook gecommuniceerd aan de erfgenamen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.36.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft niet verwezen naar stukken waaruit blijkt dat het schilderij aan haar en [gedaagde 5] is toegedeeld. Haar stelling dat het Mariabeeld een veel hogere waarde vertegenwoordigde, heeft zij ook niet met stukken onderbouwd. Gelet op de betwisting door [gedaagde 1] had dit wel op de weg van [eiser] gelegen. Dat [gedaagde 1] niet mocht overgaan tot verkoop van het schilderij en het Mariabeeld, komt dan ook niet vast te staan en de vorderingen die hierop zien worden afgewezen.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Geen schadevergoeding </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.37.</nr>
      <para>Ten slotte vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad. Ten eerste omdat [gedaagde 1] de roerende zaken voor een te lage waarde zou hebben verkocht. En ten tweede omdat [gedaagde 1] weigert de schenkingen te vernietigen en tot inkorting over te gaan van voor inkorting vatbare schenkingen/giften. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.38.</nr>
      <para>Niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] tot vernietiging of inkorting van schenkingen moest overgaan dan wel dat zij roerende zaken voor een te lage waarde heeft verkocht. Van een onrechtmatige daad door [gedaagde 1] is daarom geen sprake en de vordering tot betaling van schadevergoeding wordt afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Proceskosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.39.</nr>
      <para>Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.40.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft nog gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de proceskosten van [gedaagde 1] niét kwalificeren als kosten van de executele, althans niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht. [gedaagde 1] heeft hierop aangevoerd dat uitgangspunt is dat dergelijke kosten wel als kosten van de boedel hebben te gelden. Zij heeft niet aangevoerd welke kosten zijn gemaakt. [gedaagde 1] heeft bovendien aangevoerd dat de nalatenschap van moeder is afgewikkeld en haar taak als executeur afgerond is. Dat zij nog voornemens is kosten ten laste van de nalatenschap te laten komen, voor zover dit al mogelijk zou zijn, is daarom niet gebleken. Deze verklaring voor recht wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [eiser] af; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2024. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>