<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2024:5247</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-19T13:11:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">82/227903-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:5247">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:5247</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-18T16:14:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2024:5247 Rechtbank Oost-Brabant , 24-06-2024 / 82/227903-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2024:5247:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rechtbank komt o.b.v. wettig en overtuigend bewijs tot bewezenverklaringen ter zake van artikel 197a en artikel 197b van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt ten aanzien van feit 1 tot ontslag van alle rechtsvervolging omdat er ten aanzien van het bewezenverklaarde delict een bijzondere strafbepaling bestaat die bij uitsluiting in aanmerking genomen dient te worden. Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op voor de duur van 80 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van 2 jaren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2024:5247:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="05faa106-29d5-4bb8-9d38-d69fa384fd2a" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="d34130e9-b01c-4b5c-9225-020cd7bd12a4" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>vonnis</para>
  <section>
    <title>RECHTBANK OOST-BRABANT</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
      <para>Team strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 82.227903.22</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 24 juni 2024	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [1969] ,</para>
      <para>wonende te [adres] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 juni 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De tenlastelegging.</title>
    <para>De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 april 2024. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 1:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 6 maart 2020 tot en met 30 september 2020 te ‘s Roermond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, één persoon, te weten [slachtoffer] , met de Chinese nationaliteit,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, dan wel voornoemde persoon daartoe gelegenheid en/of middelen en/of/ inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft hij, verdachte, bovengenoemde persoon arbeid laten verrichten en/of gehuisvest bij en/of boven het door verdachte gedreven restaurant Hinata;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 2 primair:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 6 maart 2020 tot en met 30 september 2020 te ‘s Roermond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, één persoon, te weten [slachtoffer] , met de Chinese nationaliteit,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen laten verrichten en/of heeft gehuisvest,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">terwijl verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was, en hij aldus van het plegen van dit misdrijf zijn beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 2 subsidiair:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 6 maart 2020 tot en met 30 september 2020 te ‘s Roermond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, één persoon, te weten [slachtoffer] , met de Chinese nationaliteit,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen laten verrichten en/of heeft gehuisvest, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De formele voorvragen.</title>
    <para>Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De bewijsbeslissing.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie.</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van beide feiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging.</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de rechtbank het rapport van verhoor inhoudende de verklaring, die de wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte op 14 mei 2021 ten overstaan van de Inspectie SZW heeft afgelegd, van het bewijs zal worden uitgesloten. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand. Op 14 mei 2021 was er, aldus de raadsman, reeds een redelijk vermoeden van schuld en was het strafrechtelijk onderzoek al aangevangen. In navolging hierop is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit te kunnen komen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank bespreekt eerst het door de verdediging gevoerde 359a Sv-verweer, alvorens over te gaan tot de beoordeling van het bewijs.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> <emphasis role="italic">Het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting. </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de inhoud van het rapport van verhoor stelt de rechtbank vast dat verdachte het verhoor op 14 mei 2021 niet is gewezen op de mogelijkheid om voorafgaand aan dit verhoor een advocaat te raadplegen. De rechtbank laat in het midden of de arbeidsinspecteurs gehouden waren om verdachte te wijzen op de mogelijkheid om voorafgaand aan het verhoor een advocaat te raadplegen omdat hetgeen door de verdediging is aangevoerd, reeds op een andere grond niet tot bewijsuitsluiting kan leiden. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. Hieronder worden in het bijzonder normschendingen bij de opsporing begrepen. Op grond van artikel 132a Sv wordt onder opsporing verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Nu de verdachte een verklaring aflegde in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek door de Inspectie SZW, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van (mogelijke) vormverzuimen bij “het voorbereidend onderzoek” als bedoeld in artikel 359a Sv. Reeds daarom verwerpt de rechtbank het verweer. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De bewijsmiddelen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omwille van de leesbaarheid van het vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelenbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para> <emphasis role="italic">Het opzet en de wetenschap van de verdachte. </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wist dat [slachtoffer] onrechtmatig in Nederland verbleef. Hij koos er gedurende de gehele tenlastegelegde periode bewust voor om haar slechts schoonmaak- en afwaswerkzaamheden te laten verrichten terwijl hij wist dat het rechtmatig verblijf van [slachtoffer] direct gekoppeld was aan haar werkzaamheden als Chinese specialiteitenkok. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para> <emphasis role="italic">De partiële vrijspraak. </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor wat betreft het tenlastegelegde medeplegen. Verdachte wordt hier dan ook van vrijgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bewezenverklaring.</title>
    <para>Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 1:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de periode van 6 maart 2020 tot en met 30 september 2020 te Roermond één persoon, te weten [slachtoffer] , met de Chinese nationaliteit, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij, verdachte, wist dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft hij, verdachte, bovengenoemde persoon arbeid laten verrichten en gehuisvest bij en/of boven het door verdachte gedreven restaurant Hinata;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van feit 2 primair:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de periode van 6 maart 2020 tot en met 30 september 2020 te Roermond één persoon, te weten [slachtoffer] , met de Chinese nationaliteit, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had verschaft, krachtens overeenkomst arbeid heeft laten verrichten en heeft gehuisvest, terwijl verdachte wist dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was, en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. </emphasis>
      </para>
      <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De strafbaarheid van het feit.</title>
    <para>De rechtbank zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde. Dit doet de rechtbank, omdat voor het bewezenverklaarde delict een bijzondere strafbepaling bestaat die bij uitsluiting in aanmerking dient te worden genomen. De rechtbank legt dit hieronder uit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de wetsgeschiedenis bij de eerste strafverhoging van artikel 197a Sr wordt onder meer vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Ten slotte vermelden wij nog dat in de artikelen 197b en volgende van het Wetboek van Strafrecht geen wijzigingen worden aangebracht. Deze artikelen, ingevoegd bij de Wet van 23 december 1993, Stb. 707, tot wijziging van de Vreemdelingenwet en van het Wetboek van Strafrecht, stellen als misdrijf strafbaar de tewerkstelling van wederrechtelijk hier te lande verblijvende vreemdelingen. Ten aanzien van die specifieke vorm van begunstiging van illegaal verblijf zijn de hierboven genoemde redenen tot verhoging van de strafbedreiging niet van toepassing. Het betreft hier immers delicten met een geheel andere achtergrond, ten aanzien waarvan de hoogte van de strafbedreiging nog steeds in overeenstemming kan worden geacht met de ernst van het delict en welke ook overigens de effectiviteit van de rechtshandhaving niet belemmert. <emphasis role="italic">De hier voorgestelde wijzigingen van artikel 197a hebben daardoor tot gevolg dat de artikelen 197b en 197c voortaan als een geprivilegieerd delict moeten worden beschouwd ten opzichte van artikel 197a</emphasis> [curs. rechtbank].”<footnote-ref linkend="_4891665b-2b55-4ed1-8ac6-d8b45469d414" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Sindsdien heeft de wetgever zich niet uitgelaten over de bijzondere status van artikel 197b Sr, ook niet bij de tweede verhoging van de maximumstraf ten aanzien van artikel 197a Sr in 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wetgever noemt artikel 197b Sr met zoveel woorden een ‘geprivilegieerd delict’. Hoewel dit geen wettelijk begrip is, wordt de term in rechtsgeleerde literatuur uitsluitend gebruikt om bijzondere strafbepalingen aan te duiden, waarvan de maximale strafdreiging lager is dan voor de relevante algemene strafbepaling het geval is. In het licht van dit bestendige gebruik van het begrip kan de wetgever niet anders hebben bedoeld dan dat artikel 197b ten opzichte van artikel 197a Sr een bijzondere strafbepaling vormt in de zin van artikel 55 lid 2 Sr.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wetgever heeft aldus ondubbelzinnig tot uitdrukking gebracht dat de tewerkstelling als specifieke vorm van begunstiging van illegaal verblijf een verlaagde strafmaat verlangt. De wetgever heeft kennelijk bij voortduring gemeend dat het behulpzaam zijn bij wederrechtelijk verblijf in Nederland door middel van werkverschaffing minder strafwaardig is dan wanneer sprake is van andere vormen van hulp. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze keuze van de wetgever te doorkruisen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat in deze zaak tevens sprake is geweest van huisvesting van de werknemer, [slachtoffer] , doet daar niet aan af, omdat de huisvesting onlosmakelijk verbonden was met de werkverschaffing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande betekent dat artikel 197b Sr is aan te merken als een specialis van artikel 197a Sr. In een dergelijk geval dient te zaak te worden beoordeeld op grond van de specialis. Dit brengt mee dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor zover die rechtsvervolging is ingestoken op grond van de generalis (feit 1). Het bewezenverklaarde levert daarom uitsluitend het in de uitspraak vermelde strafbare feit op.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De strafbaarheid van verdachte.</title>
    <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De oplegging van straf.</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De eis van de officier van justitie.</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden geëist, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging.</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft gelet op de in het bestuursrechtelijke traject opgelegde boete aan [medeverdachte] en gelet op het gegeven dat [slachtoffer] reeds is gecompenseerd, verzocht om aan verdachte geen andere straf op te leggen dan een voorwaardelijke straf. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de rechtbank.</title>
    <para>Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De ernst van de feiten. </emphasis>
      </para>
      <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tewerkstellen van een persoon, waarvan hij wist dat zij wederrechtelijk in Nederland verbleef. Immers was haar gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid slechts afgegeven voor werkzaamheden als Chinese specialiteitenkok en heeft verdachte er van de eerste tot de laatste dag van haar tewerkstelling een gewoonte van gemaakt om haar slechts schoonmaak- en afwaswerkzaamheden te laten verrichten. Dit feit is strafbaar gesteld, omdat de openbare orde hierdoor wordt aangetast en omdat er een acute gevaarzetting mee wordt gevormd voor de publieke kas. De tewerkgestelden draaien immers niet mee in het stelsel van sociale verzekeringen en genieten niet de sociale rechten die een rechtmatig verblijvende werknemer heeft. Daarnaast verkeren de tewerkgestelden  in een onwenselijk afhankelijke positie van hun werkgever. Door [slachtoffer] werk te verschaffen terwijl hij wist dat [slachtoffer] op deze wijze geen rechtmatig verblijf had in Nederland frustreerde hij tevens het Nederlandse migratiebeleid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat een zodanige situatie kan leiden tot onwenselijke omstandigheden wordt in deze zaak op trieste wijze geïllustreerd. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] meerdere malen een (groot) deel van haar salaris moest terugbetalen aan verdachte, dat zij verdachte moest betalen om een loonstrook van hem te ontvangen en dat verdachte haar veelvuldig onder druk zette tijdens haar werkzaamheden. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij op deze wijze misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheidspositie van [slachtoffer] . Daarbij is het als bijzonder ernstig aan te merken dat verdachte feitelijk bezien loon inhield van [slachtoffer] , terwijl zijn financiële verplichting om [slachtoffer] te betalen grotendeels werd ondervangen door de destijds geldende NOW-regeling in de coronatijd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel van de justitiële documentatie van de verdachte van 10 mei 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De redelijke termijn en de ouderdom van de feiten. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de raadsman constateert de rechtbank dat er ten tijde van deze uitspraak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de afdoening van strafzaken. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 16 juni 2022 toen verdachte voor het eerst werd gehoord in het kader van de tenlastegelegde feiten. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn niet is aangevangen op het moment van het gesprek met de arbeidsinspectie op 14 mei 2021. Immers vond dit gesprek met verdachte plaats in het kader van het bestuursrechtelijke handhavingstraject. </para>
      <para>Nu de redelijke termijn slechts beperkt is overschreden en verdachte hierdoor niet in zijn belangen is geschaad zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Anderzijds houdt de rechtbank wel rekening met het gegeven dat het bewezenverklaarde feit inmiddels bijna vier jaren geleden is gepleegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De straf. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alles afwegende acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, niet langer passend en geboden. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De toepasselijke wetsartikelen.</title>
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op de artikelen:</para>
      <para>9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 197b, 197c van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>DE UITSPRAAK</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De rechtbank: </title>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">verklaart</emphasis> het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;</para>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">verklaart </emphasis>niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;</para>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">verklaart </emphasis>– ingevolge artikel 55, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht – het onder feit 1 bewezenverklaarde niet strafbaar; </para>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">ontslaat</emphasis> verdachte ter zake van feit 1 van alle rechtsvervolging;</para>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">verklaart</emphasis> dat het bewezenverklaarde onder feit 2 op levert het misdrijf:  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl hij weet dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">verklaart </emphasis>verdachte hiervoor strafbaar;<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">legt op</emphasis> de volgende straf: </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para> <emphasis role="bold">Een taakstraf voor de duur van 80 uren </emphasis>subsidiair 40 dagen hechtenis</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> <emphasis role="bold">Een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand</emphasis> voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. <?linebreak?>Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. A.C. Palmboom, voorzitter,</para>
      <para>mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. N. Gonzalez Bos, leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,</para>
      <para>en is uitgesproken op 24 juni 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_4891665b-2b55-4ed1-8ac6-d8b45469d414" label="1">
    <para>Kamerstukken II 1994/95, 24 269, nr. 3, p. 3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>