<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2024:3641</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-30T09:58:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/01/403015 / HA ZA 24-235</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:3641">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:3641</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-09T10:45:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2024:3641 Rechtbank Oost-Brabant , 17-07-2024 / C/01/403015 / HA ZA 24-235</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2024:3641:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>(incident niet-ontvankelijkheid): Gedaagde partij stelt dat hij had moeten worden gedagvaard om te verschijnen op de zitting van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven in plaats van locatie ’s-Hertogenbosch.  Ongeacht de zittingslocatie die in de dagvaarding is vermeld, is rechtbank Oost-Brabant bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Uit het zaakverdelingsreglement van de rechtbank Oost-Brabant, volgt dat alle nieuwe zaken worden ingediend bij de locatie ’s-Hertogenbosch. Geen nietigheid van de dagvaarding en eisende partij is ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2024:3641:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="cd3e5c6a-ddaa-4f74-8ca2-b21f7c697ef2" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="5e37fa32-a1ef-4c34-86d1-d13114473909" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel Recht</para>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/01/403015 / HA ZA 24-235</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 17 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser in hoofdzaak en verweerder in het incident]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerder in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. T. Kroes te Utrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] H.O.D.N. [bedrijfsnaam gedaagde hoofdzaak / eiser in het inicident]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiser in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. J.F.M. Verheij te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser in hoofdzaak en verweerder in het incident] en [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie van antwoord.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling in het incident</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] vordert in het incident dat de rechtbank [eiser in hoofdzaak en verweerder in het incident] niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen dan wel haar vorderingen afwijst. Hij legt daaraan het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 101 Rv is rechtbank Oost-Brabant relatief bevoegd. Ingevolge het zaaksverdelingsreglement rechtbank Oost-Brabant is in deze zaak</para>
        <para>bevoegd de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven. [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] is bij inleidende dagvaarding gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, maar hij had gedagvaard moeten worden om te verschijnen ter terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven. In het exploot van dagvaarding is daarom sprake van een overtreding van het bepaalde in artikel 101 <emphasis role="italic">(de rechtbank begrijpt dat is bedoeld ‘artikel 111’)</emphasis> lid 2 aanhef en onder e Rv, dat op de voet van artikel 120 lid 1 Rv met nietigheid is gesanctioneerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser in hoofdzaak en verweerder in het incident] voert gemotiveerd verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank Oost-Brabant, ongeacht de locatie, bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van [eiser in hoofdzaak en verweerder in het incident] in de hoofdzaak. Voor de bevoegdheid is niet relevant welke locatie in het zaakverdelingsreglement van deze rechtbank is aangewezen voor de mondelinge behandeling van de zaak (waarvan de rechtbank overigens kan afwijken). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>In artikel 111 lid 2 aanhef en onder e Rv is bepaald dat het exploot van dagvaarding de aanwijzing van de rechter die van de zaak kennisneemt vermeldt, onder vermelding van het adres van de zittingsplaats waar de zaak moet worden behandeld alsmede, indien de zaak moet worden behandeld in een zittingsplaats waar geen stukken kunnen worden ingediend, het adres waar stukken kunnen worden ingediend. 	</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [eiser in hoofdzaak en verweerder in het incident] heeft [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch. Dit is in overeenstemming met het zaakverdelingsreglement van de rechtbank Oost-Brabant, waaruit volgt dat alle nieuwe zaken worden ingediend bij de locatie ’s‑Hertogenbosch. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de stellingen van [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] niet leiden tot nietig verklaring van de dagvaarding, waarbij nog komt dat [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] is verschenen zodat eventuele nietigheden gedekt zijn, en ook niet tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser in hoofdzaak en verweerder in het incident] of tot afwijzing van haar vorderingen, zoals [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] heeft gevorderd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>
        [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser in hoofdzaak en verweerder in het incident] in het incident worden begroot op:</para>
      <para>- salaris advocaat                 € 614,00 (1 punt × tarief II)</para>
      <para>- nakosten                            <emphasis role="underline">€ 178,00</emphasis> (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
      <para>Totaal                                   € 792,00 </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] in de proceskosten in het incident van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak en eiser in het incident] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">31 juli 2024</emphasis> voor beraad rolrechter over het bepalen van een mondelinge behandeling.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>