<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2024:2540</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-21T11:15:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11095604 \ CV EXPL  24-2527</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:2540">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:2540</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-21T11:14:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2024:2540 Rechtbank Oost-Brabant , 14-06-2024 / 11095604 \ CV EXPL  24-2527</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2024:2540:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De verhuurder vordert in kort geding ontruiming van woonruimte vanwege één ernstig incident dat heeft plaatsgevonden in de omgeving van het gehuurde gericht tegen een omwonende. De huurder is na het ernstige incident aangehouden en direct daarna gedwongen opgenomen in een crisisinstelling. Er zijn geen aanwijzingen dat de huurder inmiddels uit die instelling is ontslagen. De dagvaarding is betekend door achterlating daarvan in een gesloten enveloppe in de brievenbus van het gehuurde. De huurder verschijnt niet in de procedure. De zorgvuldigheid vereist dat in kort geding een evenwichtige belangenafweging plaatsvindt, waarbij de huurder redelijkerwijs gelegenheid moet hebben gehad zijn belangen kenbaar te maken. Niet staat vast dat de huurder na zijn aanhouding en gedwongen opname, gelet op zijn geestestoestand, in staat is geweest om zijn eigen belangen te behartigen of een derde in te schakelen dat te doen. Over de vroegere en huidige situatie van de huurder is niets bekend. De vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat een evenwichtige belangenafweging niet mogelijk is en onvoldoende zeker is dat de bodemrechter een tekortkoming zal aannemen en tot ontbinding van de huurovereenkomst zal besluiten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2024:2540:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">OOST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 11095604 \ CV EXPL  24-2527</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 14 juni 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STICHTING MOOILAND</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Grave,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: Mooiland,</para>
      <para>gemachtigde: mr. D.D. Versluis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- de dagvaarding van 23 mei 2024 met 7 producties; <?linebreak?>- de mondelinge behandeling van 31 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter vonnis bepaald op vandaag.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is niet verschenen. Voordat verstek tegen [gedaagde] kan worden verleend, dient de kantonrechter te onderzoeken of het exploot van dagvaarding op de juiste wijze aan hem is betekend. De dagvaarding is betekend aan het woonadres van [gedaagde] , tevens het adres van het gehuurde, overeenkomstig artikel 47 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De dagvaarding is achtergelaten in een gesloten envelop omdat de deurwaarder aldaar niemand heeft aangetroffen. In de dagvaarding heeft Mooiland gesteld dat [gedaagde] naar aanleiding van het incident op 26 april 2024 door de politie is aangehouden en momenteel in crisisopvang verblijft. Desgevraagd heeft Mooiland ter zitting verklaard dat zij niet weet waar [gedaagde] op dit moment feitelijk verblijft en dat zij via de wijkagent en een (voormalige) zorgpartij heeft geprobeerd om zijn verblijfadres te achterhalen. Vanwege privacy redenen hebben de wijkagent en deze zorgpartij daarover geen mededelingen willen doen, aldus Mooiland. Ook heeft Mooiland verklaard dat zij heeft geprobeerd om via e-mail contact te leggen met [gedaagde] , hetgeen niet is gelukt. De kantonrechter begrijpt daaruit dat Mooiland inspanningen heeft verricht om het feitelijke verblijfadres van [gedaagde] te achterhalen en zij de middelen die zij voor handen heeft om dat te doen, heeft uitgeput. Tegen die achtergrond is de dagvaarding op de juiste wijze aan de woonplaats van [gedaagde] betekend. Bij de dagvaarding zijn de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat het gevraagde verstek tegen [gedaagde] wordt verleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Mooiland heeft onweersproken een spoedeisend belang gesteld. Dat belang is ook voldoende gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Onder punt III van het petitum heeft Mooiland de volgende vordering ingesteld: <emphasis role="italic">“Gedaagde in de hoedanigheid van bewindvoerder over de toekomstige goederen van [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten”. </emphasis>Desgevraagd heeft Mooiland verklaard dat er geen sprake is van een bewind c.q. bewindvoerder en dat de vordering dient te luiden: “<emphasis role="italic">[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten”. </emphasis>Deze eisvermeerdering/wijziging blijft buiten beschouwing. In artikel 130 lid 3 Rv is namelijk bepaald dat indien een partij niet in het geding is verschenen, een vermeerdering/wijziging van eis tegen die partij is uitgesloten, tenzij de eiser de vermeerdering/ wijziging tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. Mooiland heeft dat niet gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak om een kort geding waarbij ontruiming van woonruimte wordt gevorderd. Dat is een vergaande maatregel, die diep ingrijpt in het woonrecht van de huurder en die in de praktijk bovendien vaak tot praktisch onomkeerbare gevolgen zal leiden. Gezien de mogelijk ernstige gevolgen voor de betrokken huurder kan een ontruiming bij wijze van onmiddellijke voorziening (ook als de huurder verstek heeft laten gaan) slechts dan worden uitgesproken, indien geoordeeld wordt dat de (in dit geval door Mooiland)  gestelde tekortkomingen van zodanige aard en ernst zijn, dat ontruiming op korte termijn noodzakelijk is en de uitkomst van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarnaast zal aannemelijk moeten zijn dat de bodemrechter met een grote mate van waarschijnlijkheid de huurovereenkomst zal ontbinden en de huurder tot ontruiming zal veroordelen. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met het woonbelang van de huurder. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in kort geding geen plaats. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Uit de dagvaarding blijkt dat [gedaagde] op 26 april 2024 in verwarde toestand is aangehouden wegens het veroorzaken van een ernstig incident en na die aanhouding (gedwongen) is opgenomen in een crisisinstelling. Uit de beschreven geestestoestand waarin [gedaagde] rond zijn aanhouding verkeerde, valt redelijkerwijs af te leiden dat hij op dat moment niet zijn belangen kon behartigen. Mooiland heeft desgevraagd niet kunnen aangeven of [gedaagde] op dit moment nog in de instelling is opgenomen en zij weet ook niet wat de huidige geestestoestand van [gedaagde] is. De kantonrechter kan dus – bij gebrek aan aanknopingspunten – niet vaststellen dat [gedaagde] in staat is geweest om zijn eigen belangen te behartigen en/of iemand in te schakelen dat voor hem te doen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar oordeel van de kantonrechter past in een geval als dit onverkorte toepassing van de verstektoets – komen de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond voor – niet. Dit geldt temeer omdat het gaat om een vordering tot ontruiming van woonruimte, vooruitlopend op een (eventuele) bodemprocedure. Bij de beoordeling van zo’n vordering zal de kantonrechter een belangenafweging moeten (kunnen) maken. De zorgvuldigheid vereist dat een huurder in staat moet zijn om zijn belangen kenbaar te maken of iemand in te schakelen dit voor hem te doen. Dat [gedaagde] , gelet op zijn mentale situatie, hiertoe in staat is (geweest), is op dit moment niet vast te stellen. Bij de huidige stand van zaken kan dus geen inschatting worden gemaakt van de belangen van [gedaagde] . Zijn zwaarwegende woonbelang bij behoud van het gehuurde is evident, maar overige omstandigheden zijn onbekend. Er zijn geen aanwijzingen dat [gedaagde] eerder betrokken is geweest bij incidenten en/of dat hij overlastgevend gedrag heeft vertoond. Over de (vroegere en huidige) situatie van [gedaagde] en (de aard van) zijn geestestoestand is niets bekend. Evenmin is bekend of en zo ja, op welke termijn [gedaagde] – medisch gezien – zou kunnen terugkeren naar het gehuurde en in hoeverre hij in dat geval al dan niet met behulp van begeleiding, behandeling en/of medicatie in staat zal zijn om op een normale wijze uitvoering te geven aan de huurovereenkomst. Er bestaat al met al te veel onduidelijkheid over de feiten en omstandigheden aan de zijde van [gedaagde] en dat staat op dit ogenblik aan een evenwichtige belangenafweging in de weg. Daarbij speelt ook nog mee dat het incident waarop Mooiland een tekortkoming heeft gestoeld, heeft plaatsgevonden in de omgeving van het gehuurde tegen een persoon die geen huurder van Mooiland is. Dat een bodemrechter in een dergelijke situatie een tekortkoming van de huurder in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst zal aannemen, is onvoldoende zeker. </para>
        <para>Bezien tegen de achtergrond van al het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de vordering tot ontruiming met een grote mate van waarschijnlijkheid zal worden toegewezen in een bodemprocedure. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Mooiland is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten aan de kant van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter rechtdoende in kort geding</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van Mooiland af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt Mooiland in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op nihil. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>