<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2022:751</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-20T10:25:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/952</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOBR:2022:2715" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/Inachtneminghersteluitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBOBR:2022:2715</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:751">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:751</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-14T10:08:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2022:751 Rechtbank Oost-Brabant , 01-03-2022 / 21/952</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2022:751:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verlaging en terugvordering toeslag (op Wajong-uitkering), omdat de partner van eiseres in de periode in geding inkomsten heeft ontvangen die volgens het UWV moeten worden meegenomen bij de vaststelling van het recht van eiseres op een toeslag. Mondelinge tussenuitspraak. Niet meer in geschil is dat eiseres en haar partner in de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, maar daarmee staat echter niet vast dat zij ook een gezamenlijke huishouding hadden. Dat eiseres en haar partner in de periode in geding samenwoonden is, anders dan het UWV stelt, daarvoor onvoldoende. Het UWV zal nader moeten motiveren waarom wel sprake is van een gezamenlijke huishouding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2022:751:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SHE 21/952</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge tussenuitspraak in de zin van artikel 8:80b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E.T. van Dalen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, het UWV</para>
      <para>(gemachtigde: A.G. Lavrijssen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 december 2020 (het primaire besluit I) heeft het UWV het recht van eiseres op toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) over de periode van 26 februari 2018 tot en met 12 augustus 2018 (de periode in geding) verlaagd. Omdat eiseres een bedrag van bruto € 2.417,09 te veel aan toeslagen heeft ontvangen, wordt dit bedrag teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 december 2020 (het primaire besluit II) wordt aan eiseres medegedeeld dat per 1 februari 2021 maandelijks een bedrag van € 201,43 zal worden ingehouden op haar uitkering ter invordering van de openstaande schuld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en haar budgetbeheerder A. van Overbeek. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk tussenuitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>stelt het UWV in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het UWV heeft het bestreden besluit genomen, omdat volgens hem eiseres en haar partner in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hadden. Volgens het UWV heeft de partner van eiseres in die periode inkomsten ontvangen die moeten worden meegenomen bij de vaststelling van het recht van eiseres op een toeslag. Daarvan uitgaande is het UWV van oordeel dat eiseres in de periode in geding geen aanspraak kon maken op een toeslag. Aangezien die toeslag wel is betaald, moet zij die aan het UWV terugbetalen.</para>
    <para />
    <para>2. Tussen partijen is alleen in geschil of eiseres en haar partner, waar ze toen nog niet mee getrouwd was, in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hadden. Niet in geschil is dat eiseres toen woonde op het adres [adres] .</para>
    <para />
    <para>3. Om vast te stellen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, moet allereerst worden beoordeeld of eiseres en haar partner in de genoemde periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Eiseres heeft op zitting bevestigd dat dit laatste het geval was. Dat sprake was van een hoofdverblijf in dezelfde woning staat daarom niet meer ter discussie.</para>
    <para />
    <para>4. Het UWV stelt vervolgens dat eiseres en haar partner samenwoonden en dat dit op grond van de TW gelijkstaat aan een huwelijk. Dat is te kort door de bocht. Dit kan worden geconcludeerd, maar dan moet ook komen vast te staan dat eiseres en haar partner zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.<footnote-ref linkend="_5d8b216b-733f-4864-bcc8-a3a6c6c53025" /> Het bestaan van een dergelijk contract is vooralsnog niet gebleken.</para>
    <para />
    <para>5. Een andere mogelijkheid is dat sprake is van de situatie dat uit de relatie van eiseres en haar partner een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.<footnote-ref linkend="_cb3324de-6362-42ec-8d70-744993ae922c" /> Op het genoemde adres woonden in de periode in geding weliswaar twee minderjarige kinderen, maar hun familienaam is dezelfde als de eigennaam van eiseres. De budgetbeheerder heeft ter zitting opgemerkt te hebben gehoord dat het jongste kind uit de relatie van eiseres en haar partner is geboren, maar zeker weten doet hij dat niet. Enkel dit is dus onvoldoende om te concluderen dat van genoemd geval sprake is.</para>
    <para />
    <para>6. Verder is het niet ondenkbaar om te veronderstellen dat eiseres en haar partner een woning huren en beiden medehuurder zijn.<footnote-ref linkend="_4d03f242-b3fe-4818-a91a-c3ae827e8108" /> Maar dat iets niet ondenkbaar is, is niet hetzelfde als dat het ook zo is. Uit de gegevens uit de ODS blijkt dat de partner van eiseres in ieder geval al vanaf 24 mei 2013 op het genoemde adres staat ingeschreven. Verder zit in het dossier een brief van BrabantWonen waarvan de adressering is gericht aan eiseres en de aanhef is gericht aan eiseres en haar partner en waarin staat: “U huurt uw woning van BrabantWonen.” Die brief is echter gedateerd op 21 april 2020, ruim na de periode in geding. Dit is dus onvoldoende om te concluderen dat ook in de periode in geding al sprake was van medehuur, temeer omdat de gemachtigde van eiseres op de zitting heeft gesteld dat het aanmerken van de partner van eiseres als medehuurder het gevolg is van het in 2019 tussen eiseres en haar partner gesloten huwelijk.</para>
    <para />
    <para>7. Tot slot stelt eiseres terecht dat het bestreden besluit evenmin overwegingen bevat op grond waarvan is komen vast te staan dat eiseres en haar partner blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.<footnote-ref linkend="_223f3a72-54e1-4f61-9122-1de0edf80148" /> Dat is door het UWV ter zitting erkend. Er is op dit moment dus onvoldoende bekend om te kunnen concluderen dat op deze grond sprake is van een gezamenlijke huishouding.</para>
    <para />
    <para>8. Uit wat hiervoor onder 4. tot en met 7. is overwogen volgt dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.</para>
    <para />
    <para>9. Het UWV heeft op de zitting verklaard gebruik te zullen maken van een door de rechtbank geboden mogelijkheid om een geconstateerd gebrek in de besluitvorming te herstellen. De rechtbank constateert een dergelijk gebrek en ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen dat te herstellen. De rechtbank stelt daarvoor de (in artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb bedoelde) termijn van zes weken. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV nader motiveren waarom tussen eiseres en haar partner in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding.</para>
    <para />
    <para>10. Mocht de genoemde termijn van zes weken niet haalbaar blijken, dan zal het UWV binnen deze termijn een concreet verzoek voor verlenging daarvan moeten indienen.</para>
    <para />
    <para>11. Nadat het UWV gebruik heeft gemaakt van de herstelgelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV (volgens artikel 8:51b, derde lid, van de Awb). In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank wijst er nog op dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.<footnote-ref linkend="_7eec1eb8-9630-4d3e-94f5-22b3e46a9c72" /></para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter deelt mee dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. J.C.W. Emmen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 1 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier											rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_5d8b216b-733f-4864-bcc8-a3a6c6c53025" label="1">
    <para>Artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de TW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cb3324de-6362-42ec-8d70-744993ae922c" label="2">
    <para> Artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de TW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d03f242-b3fe-4818-a91a-c3ae827e8108" label="3">
    <para> Artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder d, van de TW en artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_223f3a72-54e1-4f61-9122-1de0edf80148" label="4">
    <para> Artikel 1, vierde lid, van de TW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7eec1eb8-9630-4d3e-94f5-22b3e46a9c72" label="5">
    <para> ABRvS 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>