<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2022:4041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-23T09:16:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WR 22/017</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:4041">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:4041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-23T09:15:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2022:4041 Rechtbank Oost-Brabant , 12-07-2022 / WR 22/017</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2022:4041:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afgewezen. Misbruik. Volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen door de wrakingskamer. De gewraakte rechter kan besluiten een volgend wrakingsverzoek niet voor te leggen aan de wrakingskamer.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2022:4041:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9bc97e02-c954-425c-93aa-3b1fae9c1f2f" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="45aada8b-c061-419d-b86e-0ab0d4508220" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: WR 22/017</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 12 juli 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Helmond</para>
      <para>hierna te noemen: verzoekster,</para>
      <para>(gemachtigde: [verzoeker] )</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot de wraking van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. M.J.M.A. van der Put</emphasis>,</para>
      <para>rechter in deze rechtbank,</para>
      <para>hierna te noemen: de rechter. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para>Het verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van 27 juni 2022 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het wrakingsverzoek</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 8713668 / MU VERZ 20-1573 tussen verzoekster en het CVOM. In deze zaak heeft verzoekster op 10 maart 2022 de rechter die de zaak destijds behandelde (mr. F.J. Koningsveld) gewraakt. Dit wrakingsverzoek is bij beslissing van 11 april 2022 (WR 22/007) afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De behandeling van de zaak is voortgezet door de rechter. Op de zitting van 27 juni 2022 heeft verzoekster de rechter gewraakt. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft verzoekster de rechter gewraakt, omdat er sprake is van schending van de artikelen 5 en 6 van het EVRM en omdat de rechter tijdens de zitting het CVOM heeft gevraagd naar zijn standpunt in de zaak. Volgens verzoekster is daarom sprake van partijdigheid.    </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat uit het enkele feit dat de rechter tijdens de zitting op 27 juni 2022 aan de vertegenwoordiger van het CVOM heeft gevraagd naar het standpunt van het CVOM in de zaak, niet getuigt van partijdigheid. Het ging concreet over de vraag of verzoekster voor het in behandeling nemen van de zaak zekerheid moet stellen of dat zij in betalingsonmacht verkeert. Uit het proces-verbaal blijkt dat de gemachtigde van verzoekster hierover zijn standpunt naar voren heeft gebracht. Het is dan volstrekt logisch, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, dat de rechter vervolgens het CVOM heeft gevraagd naar zijn standpunt over deze kwestie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Voor zover verzoekster heeft betoogd dat sprake is van partijdigheid van de rechter, omdat de artikelen 5 en 6 van het EVRM zijn geschonden, geldt dat verzoekster deze wrakingsgrond in het geheel niet heeft onderbouwd. De rechtbank laat deze stellingen daarom onbesproken.      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Zoals hiervoor is gememoreerd, heeft verzoekster in deze zaak eerder een wrakingsverzoek gedaan dat niet is gehonoreerd (WR 22/007). Dat wrakingsverzoek heeft geleid tot een onredelijke vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de rechtbank gebruikt verzoekster het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Ter voorlichting, voor het geval verzoekster de behandelend rechter opnieuw wraakt, wijst de rechtbank op artikel 5, derde lid, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant. Op grond van die bepaling kan de behandelend rechter beslissen om het wrakingsverzoek niet aan de wrakingskamer voor te leggen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek tot wraking af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 12 juli 2022 door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. C.T.C. Wijsman en mr. F. Kooijman , leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat <emphasis role="bold underline">geen</emphasis> rechtsmiddel open (artikel 515 lid 5 Sv)</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>