<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2022:342</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:10:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/01/378793 / KG ZA 22-55</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FJR 2022/44.35</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:342">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:342</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-07T10:55:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2022:342 Rechtbank Oost-Brabant , 31-01-2022 / C/01/378793 / KG ZA 22-55</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2022:342:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Vordering van de man strekt tot opschorten vaccinatie kind totdat in bodemprocedure uitspraak is gedaan over wijziging gezag. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor de veronderstelling dat de man op korte termijn (mede) belast wordt met het gezag over het kind. De vrouw, die alleen het gezag heeft over het kind, kan niet worden verweten dat zij zich, terzake haar beslissing om het kind al dan niet te laten vaccineren, verlaat op de informatie van het RIVM.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2022:342:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="73a914b8-cdd6-4f75-81f2-bded865d2ae5" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="59762ae7-17e6-4629-afe7-771ea23f1472" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel Recht</para>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/01/378793 / KG ZA 22-55</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 31 januari 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. S. Lamsallak te Oss,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel te Oss.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 28 januari 2022 met producties, genummerd 1 tot en met 4;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van mr. Lamsallak van 28 januari 2022, houdende een aanvulling op productie 2 bij de dagvaarding;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het e-mailbericht van mr. Van Putten van 28 januari 2022 met een productie;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling via een Skype-verbinding ter zitting van 28 januari 2022, waar zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. Lamsallak en de vrouw;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de aanhouding van de zaak tot 31 januari 2022 te 11.15 uur teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen zich ter zitting te doen bijstaan door haar advocaat;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de voortzetting van de mondelinge behandeling via een Skype-verbinding ter zitting van 31 januari 2022. Tijdens deze zitting waren beide partijen en hun advocaten aanwezig</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft terstond mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit vonnis de schriftelijke neerslag vormt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen hebben samen een kind, genaamd [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015. De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij de rechtbank Oost-Brabant is een door de man geëntameerde bodemprocedure aanhangig, strekkende tot het verkrijgen van gezag over [minderjarige] . Op 8 februari 2022 staat een mondelinge behandeling geagendeerd in deze zaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De vrouw heeft een afspraak gemaakt met de GGD om [minderjarige] te laten vaccineren met het Covid-19 vaccin. De afspraak staat gepland voor 31 januari 2022 te 15.00 uur.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De man vordert  samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Primair:</emphasis>
        </para>
        <para>I. de vrouw te verbieden het COVID-19 vaccin of een ander soortgelijk vaccin toe te (laten) dienen (of hiertoe toestemming te geven aan een ander) bij [minderjarige] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;</para>
        <para>II. de vrouw te veroordelen in de proceskosten.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Subsidiair:</emphasis>
        </para>
        <para>I. de vrouw te gebieden haar beslissing ter zake het COVID-19 vaccin of een ander soortgelijk vaccin toe te (laten) dienen (of hiertoe toestemming te geven aan een ander) bij [minderjarige] , op te schorten totdat er in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom;</para>
        <para>II. de vrouw te veroordelen in de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De man legt hieraan -kort weergegeven- het volgende ten grondslag.</para>
        <para>De man wil niet dat [minderjarige] gevaccineerd wordt met het COVID-19 vaccin. Vaccinatie met dit vaccin heeft namelijk onomkeerbare schade tot gevolg voor de gezondheid van [minderjarige] . Er zijn meerdere wetenschappelijke onderzoeksrapporten die de mening van de man op dit punt staven. Hoewel de man de vrouw zijn standpunt te kennen heeft gegeven, houdt de vrouw voet bij stuk ter zake de geplande vaccinatie. De man meent dat de vrouw de bodemprocedure moet afwachten alvorens zij tot vaccinatie beslist, nu de man naar alle waarschijnlijkheid in de bodemprocedure het eenhoofdig gezag, althans mede gezag krijgt over [minderjarige] . Het gaat niet aan om [minderjarige] nu halsoverkop vóór de mondelinge behandeling in de bodemprocedure te laten vaccineren.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het spoedeisend belang blijkt genoegzaam uit de aard van de zaak. De vrouw is voornemens om [minderjarige] op 31 januari 2022 om 15.00 uur te laten vaccineren met het Covid-19 vaccin en de man wenst dit te voorkomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Vast staat dat de vrouw op dit moment het eenhoofdig heeft over [minderjarige] . Gelet hierop is het in beginsel aan de vrouw om een beslissing te nemen over de vaccinatie van [minderjarige] . Dit zou wellicht anders liggen wanneer evident is dat aan de man binnen afzienbare  tijd (ook) het gezag wordt toegekend. Anders dan de man stelt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor de veronderstelling dat de man op korte termijn (mede) belast wordt met het gezag over [minderjarige] . Het tegendeel is het geval: in het door mr. Van Putten-van den Heuvel overgelegde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming dat dateert van 31 augustus 2021, staat met zoveel woorden vermeld dat de Raad geen mogelijkheden ziet voor gezamenlijk gezag over [minderjarige] . De reden daarvoor is gelegen in het feit dat de man en de vrouw over een aantal onderwerpen die de gezondheid van [minderjarige] betreffen geen medische beslissingen kunnen nemen vanwege onoverbrugbare visieverschillen op het gebied van voeding en medische zaken, aldus de Raad. De Raad adviseert de rechtbank dan ook om de huidige situatie waarbij de vrouw het gezag heeft over [minderjarige] in stand te laten. Van aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de rechtbank zich mogelijk niet zal conformeren aan het advies van de Raad is niet gebleken. </para>
        <para>De man heeft nog aangegeven dat omgangshuis [naam] onlangs een melding van kindermishandeling en huiselijk geweld bij de vrouw heeft gedaan bij Veilig Thuis en dat het gelet hierop in de rede ligt dat de Raad een nieuw onderzoek zal starten. Volgens de man is dan ook niet waarschijnlijk dat de rechtbank he advies van de Raad zal volgen. De vrouw heeft een en ander gemotiveerd betwist, stellende dat de melding van omgangshuis enkel betrekking heeft op de omgang. Tegelijkertijd heeft de man geen stukken in het geding gebracht die zijn stelling dat bij de vrouw sprake is van kindermishandeling kunnen staven. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Gezien het voorgaande acht de voorzieningenrechter het voorshands niet waarschijnlijk dat aan de man binnen afzienbare tijd het (eenhoofdig) gezag over [minderjarige] wordt toegekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat vaccinatie met het Covid-19 vaccin niet veilig is voor [minderjarige] , verwezen naar een onderzoeksrapport, waaruit naar voren komt dat vaccinatie met het Covid-19 vaccin serieuze gezondheidsschade voor kinderen meebrengt (productie 4 bij de dagvaarding). Hoewel de voorzieningenrechter de zorgen van de man begrijpt, kan de vrouw niet worden verweten dat zij zich, terzake haar beslissing om [minderjarige] al dan niet te laten vaccineren, verlaat op de informatie van het RIVM. </para>
        <para>Nu het RIVM adviseert om ook kinderen in de leeftijdscategorie van [minderjarige] te laten vaccineren tegen Covid-19, handelt de vrouw niet onrechtmatig door [minderjarige] inderdaad te laten inenten met het Covid-19 vaccin. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat een infectie met het coronavirus ook voor kinderen gezondheidsrisico’s kan meebrengen. De vrouw heeft daarnaast andere begrijpelijke redenen om [minderjarige] te laten vaccineren. Zo maakt [minderjarige] onderdeel uit van het gezin van de vrouw waarin nog een ander, zeer jong kind aanwezig is. De vrouw wil voorkomen dat een van de andere gezinsleden met corona besmet raakt. Tevens wenst de vrouw het risico dat [minderjarige] zijn opa’s en oma’s besmet, zo laag mogelijk te houden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De slotsom is dat de vorderingen van de man, ook voor zover die ertoe strekken de vrouw te gebieden haar beslissing ter zake het COVID-19 vaccin op te schorten totdat er in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist, moeten worden afgewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2022.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>