<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2022:2943</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:52:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/1665</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2024:1870" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2024:1870, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/1881</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/39.25.28</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022072715</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-2178</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:2943">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:2943</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-26T14:20:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2022:2943 Rechtbank Oost-Brabant , 12-07-2022 / 21/1665</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2022:2943:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dwangsom niet tijdig beslissen. Beroep ontvankelijk. Uit het fiscaal compromis in de hoofdzaak (aanslag lokale heffingen) blijkt niet expliciet en ondubbelzinnig dat dit zich (ook) tot deze procedure uitstrekt. Verder heeft eiser nog altijd voldoende (proces)belang bij een inhoudelijk oordeel daarover en zijn er onvoldoende aanwijzingen dat hij misbruik van (proces)recht maakt. Dwangsom is terecht niet toegekend omdat de ingebrekestelling prematuur was. Om die reden was het bezwaar kennelijk ongegrond en is terecht van horen afgezien. Overigens blijkt uit de uitspraak op bezwaar in de hoofdzaak dat daarbij weldegelijk (ook) is beslist op eisers bezwaar tegen de aanslag waterschapsheffing gebouwd. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2022:2943:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SHE 21/1665</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van</title>
    <bridgehead role="bold">12 juli 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant</emphasis> (de heffingsambtenaar)</para>
      <para>(gemachtigde: T.C.A. Houkens).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar (de bestreden uitspraak)  van de heffingsambtenaar van 29 mei 2021 op <?linebreak?>12 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de bestreden uitspraak van de heffingsambtenaar om aan eiser geen dwangsom toe te kennen vanwege het niet (tijdig) beslissen op zijn bezwaar tegen de aan hem opgelegde aanslag watersysteemheffing gebouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft met het besluit van 27 januari 2021 bepaald dat hij geen dwangsom aan eiser is verschuldigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 29 mei 2021 het daartegen gerichte bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in zijn standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat sprake zou zijn van een compromis tussen eiser en de heffingsambtenaar op grond waarvan (ook) deze procedure is beëindigd. Uit het dossier blijkt dat aan eiser op 30 juni 2020 een gecombineerde aanslag onroerende zaakbelasting/WOZ-beschikking en een aanslag watersysteemheffing gebouwd is opgelegd en dat op het daartegen door eiser gerichte bezwaar is beslist op 25 december 2020. Tegen die beslissing heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank, geregistreerd onder zaaknummer SHE 21/397. Partijen hebben vervolgens op 16 april 2021 in die zaak een fiscaal compromis gesloten wat ertoe heeft geleid dat eiser op 21 april 2021 genoemd beroep heeft ingetrokken. Het bedoelde compromis zoals dat in het dossier naar voren komt, strekt zich niet expliciet en ondubbelzinnig uit tot deze procedure. Eiser heeft verder ook voldoende (proces)belang bij de beoordeling daarvan, ondanks dat het geschil in de hoofdzaak tussen partijen is beslecht.<footnote-ref linkend="_62282efc-6ef1-4f56-8c15-5d06c4969614" /></para>
      <para />
      <para>3. Het verzoek van de heffingsambtenaar om het beroep van eiser wegens misbruik van procesrecht niet-ontvankelijk te verklaren wordt afgewezen. De vaste rechtspraak op dit punt is dat voor het oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht zwaarwichtige gronden zijn vereist.<footnote-ref linkend="_9eb40481-50e8-47b0-91f3-42259e5e4d36" /> Een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen tot de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft onvoldoende aangevoerd om tot dit oordeel te kunnen komen. Met name de verwijzing door de heffingsambtenaar naar eerdere procedures van eiser in samenwerking met zijn gemachtigde is heel algemeen gesteld en concrete voorbeelden ontbreken. Ook ambtshalve heeft de rechtbank onvoldoende aanwijzingen in het dossier aangetroffen om tot het oordeel te komen dat eiser in deze zaak misbruik maakt van procesrecht.</para>
      <para />
      <para>4. De rechtbank is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht heeft besloten om aan eiser geen dwangsom toe te kennen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de gecombineerde aanslag onroerende zaakbelasting/WOZ-beschikking en de aanslag watersysteemheffing gebouwd van <?linebreak?>30 juni 2020. Op 16 april 2021 is tussen eiser en de heffingsambtenaar een fiscaal compromis gesloten over onder andere de vast te stellen WOZ-waarde naar aanleiding waarvan eiser op 21 april 2021 zijn beroep heeft ingetrokken. De WOZ-waarde is daarmee per die datum onherroepelijk komen vast te staan. Op grond van artikel 21, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 131 van de Waterschapswet is de termijn waarop op de aanslag watersysteemheffing gebouwd moest worden beslist per die datum pas aangevangen. Eiser heeft de heffingsambtenaar bij brief van 15 januari 2021 – door de heffingsambtenaar ontvangen op 20 januari 2021 – in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanslag watersysteemheffing gebouwd.Dat was dus drie maanden te vroeg en daarmee prematuur. Vanwege de premature indiening van de ingebrekestelling kan eiser geen aanspraak maken op een dwangsom. Dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 18a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in een dergelijk geval (ook) bevoegd is om tot een vermindering van die aanslag over te gaan, doet daaraan – anders dan eiser aanvoert – niet af.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de heffingsambtenaar er terecht op wijst dat hij in de uitspraak op bezwaar van 25 december 2020 (ook) al uitspraak heeft gedaan op eisers bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing gebouwd. Dat blijkt uit het feit dat in de uitspraak op bezwaar onder andere staat: “Na beoordeling van uw bezwaar heb ik besloten om gedeeltelijk tegemoet te komen aan uw bezwaar. (…) De aanslag Watersysteemheffing Gebouwd is verminderd.” Eisers standpunt, dat niet op dit bezwaar zou zijn beslist, is daarom onbegrijpelijk.</para>
      <para />
      <para>5. Eiser klaagt er tot slot over dat de heffingsambtenaar van het horen in de bezwaarfase heeft afgezien. Dit ten onrechte. De heffingsambtenaar is namelijk op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd om van het horen af te zien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Die situatie doet zich hier voor. Uit wat hiervoor onder 4.1. is overwogen volgt onmiskenbaar dat de door eiser ingediende ingebrekestelling prematuur was en dat hij dus geen aanspraak kan maken op een dwangsom. Het horen van eiser had daarin geen enkele verandering kunnen brengen.</para>
      <para />
      <para>6. Omdat het beroep ongegrond is, wordt het verzoek van eiser om een proceskostenveroordeling afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>griffier</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>rechter</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_62282efc-6ef1-4f56-8c15-5d06c4969614" label="1">
    <para> Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9eb40481-50e8-47b0-91f3-42259e5e4d36" label="2">
    <para> ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>