<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2022:1956</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-22T12:23:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9371401</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2025-0901</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:1956">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:1956</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-20T17:05:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2022:1956 Rechtbank Oost-Brabant , 12-05-2022 / 9371401</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2022:1956:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Werknemer met  salaris boven de cao-salarisschaal heeft recht op de toeslag van artikel 37 lid 5 sub b van de cao Technische Groothandel. Uitleg op basis van de cao-norm.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2022:1956:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Civiel Recht</para>
    <para>Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 9371401</para>
      <para>Rolnummer	: 21-3678</para>
      <para>Uitspraak	: 12 mei 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , </para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde: mr. D.V. Djwalapersad van vakbond De Unie,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <emphasis role="bold">Würth Nederland B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,</para>
      <para>gedaagde partij, </para>
      <para>gemachtigde: mr. N. Duine.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Würth’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 4 november 2021, waarbij een mondelinge behandeling is gelast;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte houdende overlegging producties (nr. 15) van Würth;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling (hierna ook: de zitting), gehouden op 5 april 2022, waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tot slot is opnieuw een datum bepaald waarop vonnis wordt gewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Inleiding en enkele, relevante feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Deze zaak gaat over de vraag hoe artikel 37 lid 5 sub b van de cao Technische Groothandel moet worden uitgelegd. [eiser] maakt als werknemer aanspraak op de in deze bepaling beschreven toeslag van 2% op zijn salaris. Volgens zijn werkgever, Würth, heeft hij hier geen recht op. Voor de beantwoording van de vraag of [eiser] recht heeft op de door hem gevorderde toeslag, wordt van de volgende feiten uitgegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser] is vanaf 1 november 1977 bij Würth in dienst. Momenteel is hij leidinggevende van de technische dienst tegen een maandsalaris van € 3.480,21 bruto voor 32 uur per week.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op de arbeidsovereenkomst is de algemeen verbindend verklaarde cao Technische Groothandel (hierna: cao) van toepassing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Met ingang van 1 september 2019 is Würth, met de hiervoor vereiste instemming van de ondernemingsraad, overgestapt van de werktijdenregeling ‘CAO-regeling A’ (artikel 36 van de cao) naar de werktijdenregeling die wordt aangeduid als ‘CAO-regeling B’. De gevolgen van die overstap voor de betrokken medewerkers zijn in artikel 37 van de cao geregeld. Dit artikel luidt, voor zover relevant, als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">‘</emphasis>
          <emphasis role="bold italic">Artikel 37 – CAO-regeling B (06.00–20.00 uur) zie ook Bijlage 3-A </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Indien de onderneming na 30 juni 2001 CAO-regeling B toepast, geldt voor de betrokken medewerkers een algemene toeslag op de CAO-salarisschaal van 3%.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">4. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>5. a. <emphasis role="italic">Voor de medewerker die op 30 juni 2001 in dienst is van een onderneming en op basis van CAO-regeling A een structurele toeslag ontvangt, geldt bij omschakeling naar CAO-regeling B het volgende: deze medewerker ontvangt de toeslag van 3% op de CAO-salarisschaal of 2% op het daadwerkelijk betaalde salaris indien zijn of haar salaris boven de CAO-salarisschaal ligt. Indien hij of zij ondanks het recht op verhoging van de voor hem of haar geldende salarisschaal en de nieuwe toeslagenregeling minder zou ontvangen dan in de situatie voor de overschakeling (de periode van 26 weken voorafgaand aan de omschakelingsdatum) heeft hij of zij recht op een persoonlijke toeslag ter grootte van het verschil.</emphasis></para>
      <para>6. b. <emphasis role="italic">Medewerkers die op 30 juni 2001 in dienst zijn doch niet structureel op verschoven uren werken ontvangen een toeslag van 3% op de CAO-salarisschaal of 2% op het daadwerkelijk betaalde salaris voor de medewerkers waarvan het salaris boven de CAO-salarisschalen ligt, doch kunnen geen recht doen gelden op een persoonlijke toeslag, indien hun bedrijf, bedrijfsonderdeel of functie van CAO-regeling A naar CAO-regeling B overstapt.</emphasis></para>
      <para>7. c. <emphasis role="italic">(…)</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">6. (…)</emphasis>’</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bijlage 3-A is een matrix van werktijden en feestdagen, met de geldende percentages voor de extra toeslagen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Voor [eiser] geldt de situatie als beschreven in artikel 37 lid 5 sub b van de cao. Zijn salaris ligt boven de cao-salarisschaal. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Omdat partijen over de uitleg van artikel 37 lid 5 sub b van de cao van mening bleven verschillen, is de vraag over de uitleg en toepasselijkheid van dit artikel op grond van de geschillenregeling van artikel 54 van de cao voorgelegd aan de ‘Vaste Commissie’. Wat betreft de samenstelling van die commissie regelt artikel 53 lid 2 van de cao dat een gelijk aantal leden door werkgeverspartij enerzijds (te weten Werkgevers Technische Groothandel, hierna: WTG) en werknemerspartijen anderzijds (te weten Alternatief Voor Vakbond, FNV, CNV Vakmensen en De Unie) wordt aangewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Bij e-mail van 26 november 2020 heeft de Vaste Commissie over deze kwestie de volgende uitspraak gedaan:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>‘<emphasis role="italic">De Vaste Commissie is tot de conclusie gekomen dat zij geen eensluidend antwoord op deze uitleg kan geven en zal aan CAO-partijen voorstellen om hier bij de volgende CAO-onderhandelingen aandacht aan te besteden.</emphasis>’</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>I. voor recht te verklaren dat de toeslag van 2% uit artikel 37 lid 5 sub b van de cao van toepassing is op zijn arbeidsrelatie met Würth en dat Würth gehouden is deze toeslag te (blijven) betalen totdat zijn arbeidsovereenkomst rechtsgeldig komt te eindigen, dan wel hij geen recht meer heeft op de desbetreffende toeslag;</para>
        <para>II. Würth te veroordelen om aan hem te betalen:</para>
        <para>a. de algemene toeslag van 2% over het salaris, inclusief vakantiegeld, overwerktoeslag en compensatie half uurtje, van september 2019 tot en met heden (juni 2021) ter hoogte van € 1.742,82 bruto;</para>
        <para>b. de wettelijke verhoging van 50% over het hiervoor genoemde bedrag;</para>
        <para>c. € 261,42 als vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten;</para>
        <para>d. de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;</para>
        <para>III. Würth te veroordelen om binnen een week na betekening van het vonnis deugdelijke bruto/netto-specificaties te overleggen van de onder I. [de kantonrechter leest: II] genoemde vorderingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat Würth hiermee in gebreke blijft;</para>
        <para>IV. Würth te veroordelen in de proceskosten;</para>
        <para>V. Würth te veroordelen in de nakosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiser] legt aan zijn hoofdvorderingen, in het licht van de hiervoor weergegeven feiten en kort weergegeven, het volgende ten grondslag. Vanwege de overstap van cao-regeling A naar cao-regeling B én omdat zijn salaris hoger is dan de cao-salarisschalen, heeft hij met ingang van 1 september 2019 recht op de algemene toeslag van 2%. Deze toeslag moet niet alleen worden uitbetaald over zijn vaste bruto maandsalaris, maar ook over de vakantietoeslag van 8%, de overwerktoeslag en de compensatie ‘half uurtje’. Tot en met juni 2021 heeft hij in totaal € 1.742,82 bruto te weinig aan loon ontvangen (productie 13 bij dagvaarding). Op dit bedrag wordt aanspraak gemaakt. Omdat Würth blijft weigeren de cao toe te passen bestaat eveneens recht op de wettelijke toeslag van artikel 7:625 BW. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Würth betwist dat [eiser] in aanmerking komt voor de gevorderde toeslag van 2% omdat dit een persoonlijke toeslag is waarop [eiser] geen recht heeft. Würth concludeert bij antwoord tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. Voor het geval geoordeeld wordt dat [eiser] wel recht op deze toeslag heeft, voert Würth aan dat de berekening van de vordering onjuist is. Anders dan [eiser] doet, moet de gevorderde toeslag niet over de toeslagen worden berekend. Omdat er sprake is van een verschil van mening over de interpretatie van de cao, geldt dat de wettelijke verhoging tot nihil moet worden gematigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, verder ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Würth is met ingang van 1 september 2019 overgestapt naar de werktijdenregeling die wordt aangeduid als CAO-regeling B. Deze regeling is uitgewerkt in artikel 37 van de cao. [eiser] behoort tot de categorie medewerkers die valt onder artikel 37 lid 5 sub b van de cao. Het salaris van [eiser] ligt boven de CAO-salarisschaal. Tussen partijen staat vast dat hij geen recht heeft op een persoonlijke toeslag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Partijen verschillen van mening over de uitleg van artikel 37 lid 5 sub b van de cao. Volgens [eiser] heeft hij op grond van deze bepaling aanspraak op een algemene toeslag van 2% op het daadwerkelijk betaalde salaris. Würth betoogt dat in deze bepaling uitsluitend het recht op de persoonlijke toeslag is geregeld, zodat [eiser] hieraan geen rechten kan ontlenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Voor het antwoord op de vraag of [eiser] op grond van artikel 37 lid 5 sub b van de cao recht heeft op de door hem gevorderde toeslag van 2%, moet deze bepaling worden uitgelegd met behulp van de zogenoemde cao-norm. Dit houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, van doorslaggevende betekenis zijn. Het gaat daarbij dus niet om de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover die bedoelingen niet uit de in de cao opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar om de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij de uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden moeten leiden. Als de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij horende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 4 mei 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2018:678). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Vastgesteld wordt dat er geen voor derden kenbare officiële toelichting op de cao voorhanden is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Bij de toepassing van de cao-norm kan geen betekenis worden toegekend aan de door partijen overgelegde correspondentie van De Unie, een van de bij de cao betrokken werknemerspartijen, respectievelijk WTG, de betrokken werkgeverspartij. Deze correspondentie is immers geen deel van de uit te leggen rechtsbron, te weten de tekst van de cao. Dat de ondernemingsraad de uitleg van Würth volgt, althans daartegen geen expliciet bezwaar heeft gemaakt, is om diezelfde reden evenmin een factor die een rol speelt bij de uitleg van de bepaling waarover partijen van mening verschillen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Moet de in artikel 37 lid 5 sub b van de cao beschreven toeslag van 2% worden aangemerkt als algemene of als persoonlijke toeslag?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Gelet op de bewoordingen van artikel 37 lid 5 sub b van de cao, bezien in het licht van de overige relevante bepalingen van de cao, moet de genoemde toeslag van 2% worden gekwalificeerd als een nadere uitwerking van de algemene toeslag van lid 3 van artikel 37 van de cao. Bij die uitleg is het volgende in overweging genomen. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.6.1.</nr>
        <para>In de eerste zin van artikel 37 lid 5 sub a van de cao en in het eerste deel van de eerste zin van artikel 37 lid 5 sub b van de cao staat dat bij de overgang naar de cao-regeling B een toeslag van 3% op de cao-salarisschaal geldt of 2% bij een salaris dat boven de cao-salarisschaal ligt. Uit het gebruik van het woord ‘<emphasis role="italic">of</emphasis>’ volgt dat de 2% toeslag een alternatief is voor de toeslag van 3%. Met die laatste toeslag wordt direct verwezen, zo volgt uit het gebruik van het woord ‘<emphasis role="italic">de</emphasis>’ in lid 5 sub a, naar de algemene toeslag van lid 3 van artikel 37 van de cao. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.2.</nr>
        <para>Uit de tweede zin van artikel 37 lid 5 sub a van de cao (‘<emphasis role="italic">Indien (…) verschil.</emphasis>’) volgt dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de toeslag van 3% (of 2%) en een eventueel recht op een persoonlijke toeslag. Uit de tekst van lid 5 sub a volgt verder dat het bij de concreet benoemde procentuele toeslag niet om de persoonlijke toeslag gaat. Op een persoonlijke toeslag bestaat immers alleen recht als ondanks het recht op verhoging van de voor de medewerker geldende salarisschaal en de nieuwe toeslagenregeling – waarbij gelet op de tekst alleen bedoeld kan zijn de toeslag van 3% of 2% – de medewerker minder salaris ontvangt dan waarop hij voor de overschakeling naar de nieuwe werktijdenregeling recht had. In dat geval heeft de betreffende medewerker recht op een persoonlijke toeslag ter grootte van het verschil in salaris. Uit de aard van die toeslag volgt al dat hieraan geen concreet percentage kan worden toegekend. De hoogte van die aanvulling kan immers per medewerker verschillen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Artikel 37 lid 5 sub b van de cao heeft betrekking op medewerkers die niet structureel op verschoven uren werken. Zij hebben geen recht op een structurele (overwerk)toeslag en raken die door de overstap naar de cao-regeling B dus ook niet kwijt. Deze medewerkers hebben geen recht op een persoonlijke toeslag (‘<emphasis role="italic">doch kunnen geen recht doen gelden op een persoonlijke toeslag, (…)</emphasis>’). In deze bepaling is niet uitgewerkt wat onder een persoonlijke toeslag moet worden verstaan, zodat voor de uitleg daarvan wordt teruggegrepen op de in lid 5 sub a gegeven toelichting. In de tekst van de cao zijn geen aanwijzingen te vinden dat het begrip ‘<emphasis role="italic">persoonlijke toeslag</emphasis>’ in lid 5 sub b anders moet worden uitgelegd dan hetzelfde begrip in lid 5 sub a. Anders gezegd, de tekst van artikel </para>
          <para>37 lid 5 sub b van de cao biedt geen steun voor de stelling van Würth dat de in dit lid beschreven procentuele toeslag gelijkgesteld moet worden aan de persoonlijke toeslag. Ook de opbouw van de tekst van deze bepaling strookt niet met die uitleg. In het eerste deel daarvan wordt immers zonder voorbehoud een recht op toeslag van 3% (of 2%) geregeld (‘<emphasis role="italic">medewerkers (…) ontvangen’</emphasis>), en wordt vervolgens het recht op een persoonlijke toeslag uitgesloten. Wanneer bedoeld zou zijn dat de onder lid 5 sub b vallende medewerkers sowieso geen recht op enige toeslag zouden hebben, zoals Würth betoogt, hadden cao-partijen kunnen volstaan met de tekst die nu is opgenomen in het laatste deel van deze bepaling, na het woord ‘<emphasis role="italic">doch</emphasis>’. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het voorgaande neemt niet weg dat niet duidelijk is waar de in lid 5 sub a en b genoemde toeslag van 2% in de cao zijn basis vindt. Na vergelijking van de tekst van artikel 37 lid 3 en lid 5 van de cao komt het de kantonrechter voor dat de tekst van lid 3 een leemte bevat. Waar in lid 5 de toeslag van 2% op het daadwerkelijk betaalde salaris met het gebruik van het woord ‘<emphasis role="italic">of</emphasis>’ steeds in een direct, alternatief verband wordt geplaatst met de toeslag van 3% op de CAO-salarisschaal, ontbreekt dit verband in lid 3 waar uitsluitend wordt gesproken over een toeslag van 3% op de CAO-salarisschaal. Gelet echter op de gebruikte bewoordingen en vanwege het in lid 5 gemaakte onderscheid met de persoonlijke toeslag, brengt de toepassing van de cao-norm met zich mee dat de toeslag van 2% als algemene toeslag moet worden begrepen, net als de in lid 3 beschreven toeslag op de CAO-salarisschaal van 3%. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De vaststelling dat artikel 37 lid 5 sub b van de cao voor de betreffende categorie medewerkers slechts het recht op een persoonlijke toeslag uitsluit, heeft tot gevolg dat [eiser] terecht aanspraak maakt op de toeslag van 2% op het daadwerkelijk betaalde salaris. De gevorderde verklaring voor recht ligt daarmee voor toewijzing gereed. Omdat dit deel van het vonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd, wordt de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad op dit punt afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoogte vordering en bruto/netto-specificaties</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>
        [eiser] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat die toeslag ook moet worden berekend over alle looncomponenten en/of toeslagen die tot zijn jaarinkomen behoren. Uit artikel 28 van de cao (met verwijzing naar bijlage 1 van de cao) volgt dat de algemene toeslag op de cao-salarisschaal van 3% wordt berekend over het bruto maandsalaris. Dit sluit ook aan bij het inkomensbegrip van artikel 14 van de cao. Dat met ‘<emphasis role="italic">daadwerkelijk betaald salaris</emphasis>’ een ander inkomensbegrip dan het bruto maandsalaris is bedoeld kan niet uit de tekst van de cao worden afgeleid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Op grond van het bruto maandsalaris van [eiser] heeft Würth berekend dat toewijzing van de toeslag van 2% in de periode van september 2019 tot en met juni 2021 leidt tot een nabetaling van € 1.602,19 bruto. [eiser] heeft op zitting de juistheid van die berekening erkend, zodat daarvan wordt uitgegaan. De hierover gevorderde wettelijke rente wordt als niet bestreden en op de wet gegrond toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Dat als gevolg van deze uitspraak ook andere medewerkers van Würth moeten worden gecompenseerd, is op zichzelf geen omstandigheid die aan toewijzing van de vordering van [eiser] in de weg staat. Würth heeft niet gemotiveerd gesteld dat toepassing van artikel 37 lid 5 sub b van de cao, op de wijze als hiervoor is uiteengezet, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De op grond van artikel 7:625 BW gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot nihil. Daarbij is in acht genomen dat ook de Vaste Commissie geen duidelijkheid heeft gegeven over de uitleg van de betreffende cao-bepaling, zodat in zoverre niet aan Würth is toe te rekenen dat zij heeft vastgehouden aan haar uitleg – mede gebaseerd op overleg met de WTG – van artikel 37 lid 5 sub b van de cao. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Würth wordt veroordeeld tot het verstrekken van de gevorderde bruto/netto-specificaties. Hieraan wordt geen dwangsom verbonden. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat Würth niet aan die veroordeling zal voldoen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert € 261,42 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Niet in geschil is dat buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden, zodat Würth in beginsel tot vergoeding van die kosten is gehouden (zie het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2014:1405). Op basis van de toe te wijzen hoofdsom wordt een vergoeding van € 240,33 toegekend. Dit bedrag is gebaseerd op het wettelijke tarief zoals is bepaald in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De hierover gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding. Dat de kosten vanaf een eerdere dag ten laste van het vermogen van [eiser] zijn gekomen of voldaan is niet gesteld en ook niet gebleken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Würth wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. Voor de hoogte van het salaris van de gemachtigde wordt aangeknoopt bij het liquidatietarief dat hoort bij het in totaal toegewezen bedrag. De gevorderde nakosten worden toegewezen voor zover die kosten op dit moment kunnen worden begroot. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart voor recht dat de toeslag van 2% uit artikel 37 lid 5 sub b van de cao Technische Groothandel van toepassing is op de arbeidsrelatie van [eiser] en Würth en dat Würth gehouden is deze toeslag te (blijven) betalen totdat de arbeidsovereenkomst van [eiser] rechtsgeldig komt te eindigen, dan wel [eiser] geen recht meer heeft op de desbetreffende toeslag;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt Würth om aan [eiser] te betalen € 1.602,19 bruto ter zake van de toeslag van 2% over het bruto maandsalaris van september 2019 tot en met juni 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt Würth om hiervan, binnen een week na betekening van dit vonnis, bruto/netto-specificaties aan [eiser] te verstrekken;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt Würth om aan [eiser] te betalen € 240,33 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt Würth in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 119,21 aan dagvaardingskosten, € 240,00 aan griffierecht en € 374,00 (2 punten) als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt Würth in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 93,50 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Würth niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>