<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2021:6855</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-21T10:24:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/01/377900 / BP RK 21-683</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>GZR-Updates.nl 2022-0009</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:6855">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:6855</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-03T13:18:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2021:6855 Rechtbank Oost-Brabant , 30-12-2021 / C/01/377900 / BP RK 21-683</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2021:6855:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot opheffing van de verplichting om in thuisquarantaine te gaan (artikel 58nd lid 1 WPG). Geen van uitzondering ex artikel 58nc lid 1 onder b WPG jo. artikel 6.19 lid 5 Trm van toepassing  en geen omstandigheden aannemelijk geworden die ertoe nopen om van de hoofdregel af te wijken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2021:6855:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="241513c0-f63b-4fc4-8bbb-193eb63d7cb5" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="53903bf4-4154-4303-b18a-a1fe716a0161" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Zittingsplaats 'sHertogenbosch </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rekestnummer: C/01/377900 / BP RK 21-683</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de voorzieningenrechter van 30 december 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>verschenen in persoon, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de publiekrechtelijke rechtspersoon <emphasis role="bold">DE STAAT DER NEDERLANDEN </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">(MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT), </emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te ’s-Gravenhage, </para>
      <para>verweerder, </para>
      <para>advocaat mr. C.I.J. Klostermann te ‘s-Gravenhage. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop blijkt uit: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift van 29 december 2021 met producties 1 tot en met 4; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het e-mailbericht van mr. Klosterman van 30 december 2021 met producties 1 tot en met 3; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling die via een Skype-verbinding heeft plaatsgevonden op 30 december 2021 te 10.30 uur; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitnota van mr. Klostermann.  </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek en de gronden </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoeker heeft verzocht om opheffing van de op grond van artikel 58nb Wet Publieke Gezondheid (WPG) voor hem geldende verplichting om in thuisquarantaine te gaan. Verzoeker vraagt om opheffing van de quarantaineplicht omdat hij, kort gezegd, tijdens zijn verblijf in Zuid-Afrika besmet is geraakt met het coronavirus en daar reeds 10 dagen in quarantaine is verbleven, daarna negatief is getest en thans hard nodig is in de zorginstelling waar hij werkzaam is. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling </title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter gaat van het volgende uit. Verzoeker is op 26 november 2021 naar Zuid-Afrika gereisd om een vriend te bezoeken en op vakantie te gaan. Hij is op 16 december 2021 positief getest op het coronavirus in Zuid-Afrika en heeft daar toen in quarantaine gezeten tot 26 december 2021, zo stelt verzoeker. Verzoeker is vervolgens op 26 december 2021 negatief getest en op 27 december 2021 teruggereisd naar Nederland. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op grond van artikel 58nb WPG dient degene die vanuit een bij ministeriële regeling aangewezen hoog risicogebied Nederland inreist onverwijld na die inreis in thuisquarantaine te gaan. Vanaf 26 november 2021 is Zuid-Afrika aangewezen als uitzonderlijk hoogrisicogebied en uitzonderlijk hoogrisicogebied met een zorgwekkende virusvariant (Stcrt. 2021, 48426) in de zin van de WPG, vanwege de ontdekking en verspreiding van de omikronvariant van het coronavirus in Zuid-Afrika. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat op grond van artikel 6.7c lid 1 Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (Trm) personen die vanuit Zuid-Afrika inreizen naar Nederland zowel de verplichting geldt om over een negatieve testuitslag te beschikken, alsmede dat de verplichting geldt om in (thuis)quarantaine te gaan (artikel 58nb lid 1 WPG). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Verzoeker heeft verzocht om opheffing van de verplichting om in thuisquarantaine te gaan (artikel 58nd lid 1 WPG). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Op grond van artikel 58nc lid 1 onder b WPG jo. artikel 6.19 lid 5 Trm zijn er diverse categorieën personen uitgezonderd van de quarantaineplicht. Gesteld noch gebleken is dat één van deze uitzonderingen op verzoeker van toepassing is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De conclusie is dat de thuisquarantaineverplichting van artikel 58nb WPG voor verzoeker geldt. Bijzondere omstandigheden die nopen van de hoofdregel af te wijken, zijn niet aannemelijk geworden. De door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat hij reeds in Zuid-Afrika in quarantaine is geweest en na de quarantaine in Zuid-Afrika bovendien negatief getest is, maakt dit niet anders. Immers kan niet worden uitgesloten dat verzoeker daarna nogmaals besmet is geraakt met het coronavirus, bijvoorbeeld tijdens de reis naar Nederland. Daarnaast kan ook de negatieve testuitslag verzoeker niet baten, nu een negatief geteste persoon ook (reeds/nog) besmettelijk kan zijn. Daarom is door de wetgever ook uitdrukkelijk benoemd dat die situatie geen grond kan zijn voor opheffing van de quarantaineplicht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35808, nr. 3, blz. 21). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat hij graag zo snel mogelijk zijn collega’s weer zou kunnen ondersteunen in zware en drukke tijden als deze, merkt de voorzieningenrechter op dat hij begrijpt dat de zorginstelling waar verzoeker werkzaam is, hem hard nodig heeft. Hiervoor is echter door de wetgever geen uitzondering gemaakt, waardoor de voorzieningenrechter dat belang niet kan laten prevaleren boven het belang van verweerder dat ziet op de bescherming van de volksgezondheid. Bovendien geldt dat misschien van verzoeker had kunnen worden verwacht dat hij, voordat hij voor bezoek van een vriend en vakantie naar Zuid-Afrika ging, zich had gerealiseerd dat hij eventueel op grond van een coronabesmetting in Zuid-Afrika en vervolgens in Nederland in quarantaine zou moeten gaan en hij dan veel later terug zou kunnen keren op zijn werk dan oorspronkelijk blijkbaar was gepland. Verzoeker heeft niet weersproken dat hij ondanks een negatief reisadvies naar Zuid-Afrika is afgereisd, terwijl geen sprake was van een noodzakelijke reis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Ter zitting is ook van de zijde van verweerder aangegeven dat verzoeker zich op 1 januari 2022 kan laten testen, waarbij na een negatief testresultaat de quarantaineplicht wordt verkort met vijf dagen. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat van disproportionaliteit geen sprake is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst het verzoek af. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg, voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2021. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>