<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2021:4387</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-30T10:57:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C-01-337413 - HA ZA 18-556</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Eindhoven</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:4387">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:4387</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-30T10:56:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2021:4387 Rechtbank Oost-Brabant , 14-07-2021 / C-01-337413 - HA ZA 18-556</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2021:4387:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdelingszaak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2021:4387:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="67723a69-5b50-4651-9730-11149a78ed59" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="2e904e86-3dea-4d82-bceb-80cb6c399086" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT	</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel Recht</para>
      <para>Zittingsplaats Eindhoven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak- en rolnummer C/01/337413 / HA ZA 18-556</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 14 juli 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 1]
        </emphasis> en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 2]
        </emphasis>,</para>
      <para>beiden wonende te [woonplaats] aan de [adres 1] ,</para>
      <para>eisers in conventie, verweerders in reconventie (hierna: [eiser 1] en [eiser 2] of </para>
      <para>
        [eisers] ),</para>
      <para>advocaat mr. F.J. van Beek te Arnhem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] aan de Grote [adres 2] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie, eiseres in reconventie (hierna: [gedaagde] ),</para>
      <para>advocaat mr. M.P.M. Fruytier te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 20 januari 2021;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [gedaagde] van 17 februari 2021;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de antwoordakte van [eisers] van 31 maart 2021;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een B16 formulier van 13 april 2021 waarin [gedaagde] , kort gezegd, verzoekt om een </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>	comparitie te gelasten, al dan niet na een voorafgaand tussenvonnis, waarin het maken van </para>
        <para>	werkafspraken ten aanzien van de toewijzing en de splitsing aan de orde kan komen;</para>
      </parablock>
      <para>- een B16 formulier van 20 april 2021 waarin [eisers] , kort gezegd, aangeeft van </para>
      <parablock>
        <para>	mening te zijn dat eerst vonnis moet worden gewezen om te bepalen op welke wijze de </para>
        <para>	verdeling dient plaats te vinden en dat een comparitie pas zinvol is indien de rechtbank </para>
        <para>	zou besluiten om verdeling te bevelen door middel van (onder andere) splitsing.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is weer vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <bridgehead role="bold italic">(ad c) verkoop of splitsing van het huis</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De vordering van [gedaagde] tot splitsing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft bij tussenvonnis vastgesteld dat [gedaagde] :</para>
      <para>( a) 	gevorderd heeft om te bepalen dat de verdeling van het huis zal plaatsvinden </para>
      <parablock>
        <para>door splitsing, waarbij in ieder geval aan haar wordt toegedeeld dat deel van </para>
        <para>het huis dat zij en haar gezin exclusief in gebruik hebben en voorts een door </para>
        <para>de rechtbank te bepalen deel van het huis dat partijen gezamenlijk gebruiken, en</para>
      </parablock>
      <para>( b) 	bij antwoordconclusie na deskundigenbericht het door de deskundige aangehaalde </para>
      <parablock>
        <para>scenario 2 als <emphasis role="italic">“oplossing” </emphasis>heeft aangedragen. </para>
        <para>De rechtbank heeft aangegeven vooralsnog te begrijpen dat [gedaagde] in haar hiervoor aan-gehaalde vordering nu ziet op het door haar bij antwoordconclusie na deskundigenbericht aangehaalde scenario 2. De rechtbank heeft [gedaagde] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om zich erover uit te laten of de rechtbank haar vordering aldus goed begrijpt en </para>
        <para>om haar vordering desgewenst in die zin aan te passen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft bij akte haar hiervoor aangehaalde vordering niet aangepast en </para>
        <para>ook niet expliciet aangegeven of de rechtbank deze vordering nu goed begrijpt (in die zin dat deze nu ziet op het door haar aangehaalde scenario 2).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eisers] heeft bij antwoordakte aangevoerd dat [gedaagde] in haar akte een splitsingsvariant omschrijft die, als [eisers] het goed ziet, het door de deskundige gesuggereerde scenario 2 is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank zal er hierna van uitgaan dat de hiervoor aangehaalde vordering van [gedaagde] nu ziet op het door de deskundige aangehaalde scenario 2. Het ligt op de weg van [gedaagde] om een voldoende duidelijke en bepaalde vordering in te stellen. De rechtbank en [eisers] begrijpen haar hiervoor aangehaalde vordering inmiddels aldus dat deze ziet op het door de deskundige aangehaalde scenario 2. [gedaagde] heeft na voormeld tussen-vonnis, waarin haar expliciet is gevraagd om zich erover uit te laten of de rechtbank deze vordering zo goed begrijpt, niet althans onvoldoende duidelijk gemaakt dat deze vordering toch anders dient te worden begrepen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De splitsingskosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft [gedaagde] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om zich erover uit te laten wat zij nu precies vordert ten aanzien van de splitsingskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft hierop, kort gezegd, gesteld dat iedere deelgenoot 1/3e deel van </para>
        <para>deze kosten dient te dragen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eisers] heeft hierop aangevoerd dat [gedaagde] deze kosten alleen dient </para>
        <para>te dragen. [eisers] voert hiertoe bij antwoordakte onder de punten 18 t/m 21 het volgende aan: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“De deskundige heeft geoordeeld dat de reële splitsingskosten € 136.142,00 incl. BTW bedragen. Daarnaast heeft de deskundige geoordeeld dat de minderopbrengst bij verkoop van [het huis] na splitsing € 100.000,= tot € 150.000,= bedragen. […] tevens moet bij </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…] deze methode van verdelen rekening worden gehouden met forse vertragingen […]. Deze voor [eiser 1] [c.s.] zeer bezwaarlijke wijze van verdelen wordt slechts gevolgd </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">om tegemoet te komen aan de wens van [gedaagde] om in een deel van [het huis] te kunnen blijven wonen. Onder die omstandigheden zou het evident onredelijk zijn om [eiser 1] [c.s.] ook nog eens te laten bijdragen in de kosten van splitsing. […] [eiser 1] [c.s.] wijzen er […] nogmaals op dat zij thans niet in staat zijn om (een deel van de) splitsings-kosten te dragen. Zij bieden hiervan, voor zover nodig, bewijs aan”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat er tussen partijen sprake is van een eenvoudige gemeenschap met betrekking tot het huis als bedoeld in artikel 3:166 BW en volgende. Hierin zijn de aandelen van de deelgenoten [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] , zoals bij tussenvonnis al is overwogen, gelijk. Deze drie deelgenoten moeten op basis van het bepaalde in artikel 3:172 BW in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van deze gemeenschap zijn verricht. De kosten van splitsing behoren naar het oordeel van de rechtbank tot dergelijke uitgaven, zodat [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] daarvoor ieder voor 1/3e deel draagplichtig zijn. </para>
        <para>Het beroep van [eisers] op een hiervan afwijkende draagplicht treft geen doel. </para>
        <para>In een situatie als de onderhavige, waarbij de verdeling van de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot het huis dient plaats te vinden om tegemoet te komen aan de wens daartoe van (uitsluitend) de deelgenoten [eiser 1] en [eiser 2] , komt het naar het oordeel van de rechtbank niet (evident) onredelijk voor dat deze deelgenoten samen met hun mede-deelgenoot [gedaagde] , ieder in evenredigheid van hun aandeel in deze gemeenschap, bij-dragen aan de kosten verbonden aan splitsing van het huis om tegemoet te komen aan de wens van [gedaagde] om in dat geval toch in een deel van het huis te kunnen blijven wonen. </para>
        <para>Hierbij is in aanmerking genomen dat, zoals al bij tussenvonnis is overwogen, de rechtbank voorshands van oordeel is dat, rekening houdend naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als het algemeen belang, de door [gedaagde] gevorderde wijze van verdeling van het huis (splitsing conform scenario 2) voor toewijzing in aanmerking komt indien voldoende komt vast te staan dat zij, kort gezegd, die wijze van verdeling kan financieren. </para>
        <para>De omstandigheid dat [eiser 1] en [eiser 2] thans niet in staat zijn om (een deel van) de splitsingskosten te dragen, hetgeen [gedaagde] overigens betwist, maakt voormeld oordeel omtrent de draagplicht ten aanzien van de splitsingskosten niet anders.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft in reconventie gevorderd om [eiser 1] en [eiser 2] te veroordelen om de kosten van splitsing van het huis voor hun rekening te nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] deze eis formeel niet heeft gewijzigd. Nu [gedaagde] ter onderbouwing van deze vordering thans stelt dat iedere deelgenoot 1/3e deel van deze kosten dient te dragen, zal de rechtbank deze vordering in geval van splitsing slechts toewijzen voor zover deze ziet op 2/3e deel van deze kosten en het dienaangaande meer of anders gevorderde afwijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De financiële haalbaarheid </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft bij tussenvonnis voorshands geoordeeld dat, rekening houdend naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als het algemeen belang, de door [gedaagde] gevorderde wijze van verdeling van het huis (splitsing conform scenario 2) voor toewijzing in aanmerking komt indien voldoende komt vast te staan dat zij die wijze van verdeling kan financieren gelet op het in dat vonnis aangegeven kader.</para>
        <para>De rechtbank heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag </para>
        <para>of zij die wijze van verdeling kan financieren gelet op dat kader, waarbij zij ook dient in te gaan op de stelling van [eisers] bij dagvaarding onder de punten 6 en 7, inhoudend dat op het huis rust:</para>
      </parablock>
      <para>- een op 16 juni 1995 ingeschreven 1e recht van hypotheek, in hoofdsom groot <emphasis role="italic">f </emphasis> 800.000,00 </para>
      <parablock>
        <para>	voor al hetgeen de Rabohypotheekbank N.V. en/of de Coöperatieve Rabobank B.A. te </para>
        <para>	vorderen heeft van [eiser 1] , [gedaagde] en/of [A] ;</para>
      </parablock>
      <para>- een op 11 mei 2004 ingeschreven 2e recht van hypotheek, in hoofdsom groot € 150.000,00 </para>
      <parablock>
        <para>	voor al hetgeen de Rabohypotheekbank N.V. en/of de Coöperatieve Rabobank [woonplaats] </para>
        <para>	U.A. te vorderen heeft van [gedaagde] en/of [A] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft hierop bij akte als productie 48 een verklaring van haar accountant overgelegd. Volgens haar blijkt daaruit dat zij de kosten verbonden aan de splitsing (zowel ten aanzien van de overbedeling als ten aanzien van de daadwerkelijk kosten verbonden aan de splitsing zelf) kan voldoen. Deze productie houdt onder meer het volgende in:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">		“ [woonplaats] , 9 februari 2021</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">		Betreft: bevestiging vermogen per 1 januari 2021</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">		Geachte mevrouw [gedaagde] […],</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Middels dit schrijven bevestigen wij dat u […] per 1 januari 2021 over een positief vermogen beschikt. Dit vermogen bestaat onder andere uit aanwezige bank- en spaartegoeden en overige middelen, tezamen meer dan € 460.000 […]. Dit blijkt uit de door ons opgestelde aangifte inkomstenbelasting 2020. […]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">		Met vriendelijke groet,</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In Balans Accountants &amp; Fiscalisten B.V.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [B] AA”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft in deze akte, kort gezegd, gesteld dat de deskundige de kosten omtrent </para>
        <para>de aanpassing van de installaties en splitsing van het huis, niet gebaseerd op (installatie) technische tekeningen en uiteenzettingen, schat op € 78.692,-- inclusief btw bij minimale kosten en op € 136.142,-- inclusief btw bij reële kosten, maar dat zij met diverse installa-teurs en aannemers overleg heeft gevoerd en dat daaruit een lager beeld van de te maken kosten volgt. [gedaagde] heeft onder punt 43 in deze akte een tabel <emphasis role="italic">“vergelijking kosten in eindrapportage deskundige en aangevraagde offertes door [gedaagde] ” </emphasis>opgenomen, stel-posten betreffende, waarbij de kosten uit het eindrapport van de deskundige uitkomen </para>
        <para>op in totaal € 61.215,50 exclusief btw en de door haar opgevraagde kosten op in totaal </para>
        <para>€ 42.712,16 exclusief btw. [gedaagde] is in deze akte verder ingegaan op de stelling van </para>
        <para>
          [eisers] bij dagvaarding onder de punten 6 en 7. </para>
        <para>Volgens [gedaagde] betreft het op 16 juni 1995 ingeschreven recht van hypotheek een algemene zekerheidstelling waaruit door haar bij aankoop van het huis een hypothecaire last werd opgenomen van <emphasis role="italic">f </emphasis>350.000,00 ofwel € 158.823,08 en door [eisers] een hypothecaire last van <emphasis role="italic">f</emphasis> 450.000,00 ofwel € 204.201,10. Volgens [gedaagde] zullen bij splitsing twee nieuwe akten voor de hypothecaire voorzieningen moeten komen: een op villa A en een op villa B. </para>
        <para>Volgens [gedaagde] betreft het op 11 mei 2004 ingeschreven recht van hypotheek een door haar en [A] afgesloten hypothecaire voorziening waarmee zij het bedrag van de voorziening, € 150.000,--, investeerden in de nieuwbouw in 2004. In 2004 is volgens [gedaagde] van de zijde van de hypotheekverstrekker bevestigd dat het verhaalsrecht op </para>
        <para>
          [A] en haar, opgenomen in de hypotheekakten van 15 juni 1995 en 10 mei 2004, werd beperkt tot een maximumbedrag van € 245.000,--. Volgens [gedaagde] hebben bij haar tussentijdse aflossingen plaatsgevonden, wordt het verhaalsrecht gekoppeld aan de door de Rabobank verstrekte geldlening conform de akte van schuldbekentenis d.d. 10 mei 2004 ten behoeve van [A] en haar en voldoet zij aan haar hypothecaire verplichtingen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser 1] en [eiser 2] hebben hierop, kort gezegd, aangevoerd dat zij ervan uitgaan dat [gedaagde] bij de beantwoording van de vraag of zij de door haar gevorderde wijze van verdeling kan financieren, moet uitgaan van de door de deskundige aangegeven reële kosten ad € 136.142,-- inclusief btw, welke passend zijn bij een object als het huis. Een minimum-splitsing zal volgens [eisers] naar verwachting de verkoopbaarheid van de gesplitste delen niet ten goede zal komen. Voor zover de rechtbank de door [gedaagde] gestelde splitsingskosten toch in haar oordeel zou willen betrekken dan is [eisers] van mening dat hierover eerst de visie van  een (andere) deskundige dient te worden verkregen, omdat vermeden moet worden dat er een onomkeerbare situatie van een ondeskundige minimumsplitsing tot stand komt, als gevolg waarvan de verkoop van het gesplitste deel ‘van [eisers] ’ niet of nauwelijks mogelijk zal blijken te zijn.</para>
        <para>Volgens [eisers] blijkt uit de door [gedaagde] verstrekte gegevens dat er op het huis hypothecaire inschrijvingen zijn van thans in hoofdsom € 495.000,00. Een deel groot </para>
        <para>€ 385.000,00 dient bij splitsing ten laste van [gedaagde] te komen en de bank moet bereid zijn om [eisers] uit de (resterende) aansprakelijkheid te ontslaan voor € 235.000,--. [gedaagde] zegt dat de bank hiertoe bereid is, maar dit blijkt volgens [eisers] nergens uit. Volgens [eisers] dient onomstotelijk vast te staan dat de bank: (i) bereid is [eisers] uit hun aansprakelijkheid voor het deel van [gedaagde] van de oorspronkelijke geldlening te ontslaan, (ii) kan instemmen met de voorgenomen (waardeverminderende) splitsing en (iii) kan instemmen met wijziging van het onderpand in die zin dat de hypothecaire geldlening uit 2004 van € 150.000,00 en het deel van de oorspronkelijke hypothecaire geldlening groot € 235.000,00 uitsluitend op het deel ‘van [gedaagde] ’ komen </para>
        <para>te rusten. Anders is er volgens [eisers] geen sprake van een financieel haalbare verdeling. </para>
        <para>Volgens [eisers] is de hiervoor omschreven bereidheid van de bank niet slechts een kwestie van het afzetten van de omvang van de geldlening tot de waarde van het onderpand, maar dient bij een dergelijke wijziging ook controle plaats te vinden van de inkomsten van de leningnemer, waaruit dient te blijken dat de leningnemer langjarig in staat is om te voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire geldlening. Nu [gedaagde] hierover geen informatie heeft verstrekt, staat volgens [eisers] vast dat een verdeling door middel van splitsing (en verkoop) niet aangewezen is.</para>
        <para>Als wordt overgegaan tot verdeling op de door [gedaagde] gewenste wijze, ontstaat volgens [eisers] (bij antwoordakte onder punt 15) de volgende situatie: <emphasis role="italic">“ [gedaagde] krijgt een aanspraak op de gemeenschap van € 507.268,66 (zie r.o. 3.28) minus¹ € 7.268,65 (zie r.o. 3.36), derhalve € 500.000,01. Aangezien [gedaagde] in dat geval ‘haar deel’ van [het huis] toegescheiden krijgt tegen de door de deskundige bepaalde waarde van € 700.000,= is zij (afgerond) overbedeeld voor […] € 200.000,=. Aangezien [eisers] bij deze wijze van verdelen zijn benadeeld door de aanzienlijk lagere verkoopkosten ten opzichte van verkoop van de gehele Onroerende zaak, dient [gedaagde] de kosten voor splitsing ad € 136.142,= te dragen. De ‘kosten’ voor [gedaagde] van deze wijze van verdelen, bedragen dus in totaal</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic"> € 336.142,=. Op zichzelf zou [gedaagde] deze kosten kunnen dragen, gezien de door haar gestelde vermogenspositie van € 460.000,=, maar deze forse aanslag op haar vermogens-positie, maakt het ontbreken van) de hiervoor vermelde beoordeling van de bank temeer van belang.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">¹ De rechtbank heeft in r.o. 3.30 een kennelijke rekenfout gemaakt, aangezien </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(€ 1.500.000,00 -/- € 1.014.537,30 -/- € 507.268,66 =) € 21.805,96 </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">negatief</emphasis>
          <emphasis role="italic"> is”. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat  voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] </para>
        <para>de door haar gevorderde wijze van verdeling van het huis (splitsing conform scenario 2) kan financieren gelet op het in voormeld tussenvonnis aangegeven kader, met inachtneming van de hierna daarop op één punt aan te brengen correctie, én de door de deskundige geschatte splitsingskosten. </para>
        <para>Met betrekking het in voormeld tussenvonnis aangegeven kader overweegt de rechtbank dat bij verdeling van het huis [eisers] recht heeft op vergoeding door de gemeenschap van € 1.014.537,30 en [gedaagde] recht heeft op vergoeding door de gemeenschap van </para>
        <para>€ 507.268,66 wegens besteding ten behoeve van de verkrijging van het huis en autonome waardestijging van het huis (zie rechtsoverweging 3.28 van voormeld tussenvonnis) en </para>
        <para>dat bij verdeling van het huis door splitsing na vergoeding van voormelde bedragen, uitgaande van de door de deskundige getaxeerde waarde van het huis in dat geval </para>
        <para>circa (€ 1.500.000,00 -/- € 1.014,537,30 -/- € 507.268,66 =) € 21.805,96 <emphasis role="italic">negatief</emphasis> (en dus niet positief, zoals ten onrechte is aangegeven in rechtsoverweging 3.30 van voormeld tussenvonnis) resteert (zoals [eisers] in voetnoot 1 bij antwoordakte onder punt 15 terecht heeft opgemerkt). De rechtbank is voornemens in zoverre het in voormeld tussenvonnis aangegeven kader te corrigeren in die zin dat het in rechtsoverweging 3.30 daarvan genoemde bedrag van € 21.805,96 niet positief maar negatief is. De rechtbank zal, voordat zij daartoe overgaat, [gedaagde] in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten.</para>
        <para>De rechtbank heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om een akte te nemen over de financiële haalbaarheid van de splitsing gelet op het in voormeld tussenvonnis aangegeven kader én <emphasis role="italic">de door de deskundige geschatte splitsingskosten</emphasis>. Deze door de deskundige geschatte splitsingskosten bedragen € 136.142,-- inclusief btw. [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] dienen hiervan ieder 1/3e deel ofwel € 45.380,67 te dragen. In het kader van de beantwoording van de vraag of [gedaagde] de door haar gevorderde wijze van verdeling van het huis (splitsing conform scenario 2) kan financieren zal de rechtbank uitgaan van de door deze door de deskundige aangegeven splitsingskosten. </para>
        <para>Als wordt overgegaan tot verdeling op de door [gedaagde] gewenste wijze, dan heeft zij recht op vergoeding door de gemeenschap van € 507.268,66 <emphasis role="italic">minus</emphasis> (1/3e deel van € 21.805,96 =) € 7.268,65 = € 500.000,01. </para>
        <para>Bij de beantwoording van de vraag van de financierbaarheid van deze wijze van verdeling wordt ervan uitgegaan dat [gedaagde] 1/3e deel van de door de deskundige aangegeven splitsingskosten, ofwel € 45.380,67, dient te dragen. </para>
        <para>Voorts dient [gedaagde] een bedrag wegens haar overbedeling bij de door haar gewenste wijze van verdeling van het huis te betalen. Volgens [eisers] (bij antwoordakte onder punt 15) gaat het daarbij om circa € 200.000,00 <emphasis role="italic">(“Aangezien [gedaagde] in dat geval ‘haar deel’ van [het huis] toegescheiden krijgt tegen de door de deskundige bepaalde waarde van </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">€ 700.000,=”). </emphasis>Ook de rechtbank zal in het kader van de beantwoording van de vraag naar de financiële haalbaarheid van de splitsing(voorzichtigheidshalve) uitgaan van een bedrag van circa € 200.000,00 dat [gedaagde] zal moeten voldoen wegens haar overbedeling daarbij. Voor zover [gedaagde] met de betwisting van de oppervlakteberekening door de deskundige </para>
        <para>in haar akte na voormeld tussenvonnis heeft bedoeld om aan te geven dat de overbedelings-vordering lager is dan voormeld bedrag, waarbij overigens niet is aangegeven hoeveel lager dan in haar visie, zal hieraan in dit kader voorbij worden gegaan, nu dit in dit kader niet relevant is.</para>
        <para>Als onweersproken gesteld staat vast dat [gedaagde] per 1 januari 2021 over een positief vermogen beschikte van meer dan <emphasis role="bold">€ 460.000,00</emphasis>. Nu de hiervoor aangehaalde door [gedaagde] in beginsel maximaal verschuldigde splitsingskosten en overbedelingsvordering in totaal circa (€ 45.380,67 + € 200.000,00) <emphasis role="bold">€ 245.380,67 </emphasis>bedragen, is de rechtbank van oordeel dat  voldoende is komen vast te staan dat zij de door haar gevorderde wijze van verdeling van het huis kan financieren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>De rechtbank is, gelet op al het eerder overwogene,  van oordeel dat, rekening houdend naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als het algemeen belang, de door [gedaagde] gevorderde wijze van verdeling van het huis (splitsing conform scenario 2) voor toewijzing in aanmerking komt. In dat kader resteren nog verschillende geschilpunten, zoals:</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>de wijze van uitvoering van de splitsing van het huis</title>
    <parablock>
      <para>De deskundige heeft de kosten voor splitsing van het huis geschat op € 67.514,00 exclusief btw bij minimale kosten, zijnde € 78.692,00 inclusief btw, en € 112.514,00 exclusief btw </para>
      <para>bij reële kosten, zijnde € 136.142,00 inclusief btw. [gedaagde] heeft met betrekking tot deze kosten bij akte onder punt 43 een “<emphasis role="italic">Tabel vergelijking kosten in eindrapportage deskundige en aangevraagde offertes door [gedaagde] ”</emphasis> overgelegd die uitkomt op € 42.712,16 exclusief btw. [eisers] wil over deze door [gedaagde] gestelde splitsingskosten eerst de visie van  een (andere) deskundige horen en wil vermijden dat een onomkeerbare situatie van een ondeskundige minimumsplitsing tot stand komt als gevolg waarvan verkoop van het gesplitste deel van ‘ [eisers] ’ niet of nauwelijks mogelijk zal blijken te zijn. [eisers] heeft verder aangegeven niet in staat te zijn de splitsingskosten “thans” te dragen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>de op het huis rustende hypothecaire inschrijvingen</title>
    <para>
      [gedaagde] heeft gesteld dat de bank bereid is om mee te werken aan splitsing van de hypo-theken. [eisers] heeft aangevoerd dat dit nergens uit blijkt. Volgens [eisers] moet vast staan dat (i) de bank bereid is om [eisers] uit de aansprakelijkheid voor het deel van [gedaagde] van de oorspronkelijke hypothecaire geldlening te ontslaan, (ii) de bank kan instemmen met de voorgenomen splitsing en (iii) de bank kan instemmen met wijziging van het onderpand in die zin dat de hypothecaire geldlening uit 2004 van € 150.000,00 en het deel van de oorspronkelijke hypothecaire geldlening groot € 235.000,00 uitsluitend op het deel ‘van [gedaagde] ’ komt te rusten.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>de overbedelingsvordering</title>
    <para>Volgens [eisers] wordt [gedaagde] bij splitsing conform scenario 2 overbedeeld voor  circa € 200.000,00, uitgaande van de door de deskundige getaxeerde vrije verkoopwaarde van de na splitsing verkregen gedeelten van het huis in het antwoord op vraag 6 van het deskundigenbericht. [gedaagde] heeft bij akte de oppervlakteberekening van de deskundige betwist, maar heeft de gevolgen daarvan volgens haar niet precies uitgewerkt. Met name niet voor wat betreft een eventuele over- of onderbedelingsvordering. Volgens [eisers] is het leveren van kritiek op deze oppervlakteberekening tardief, althans kan deze niet leiden tot aanpassing van het oordeel van de deskundige, zonder de deskundige om zijn visie hierover te vragen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>De rechtbank ziet, nu zij van oordeel is dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] de door haar gevorderde wijze van verdeling van het huis (splitsing conform scenario 2) kan financieren en de in voormelde B16 formulieren verwoorde standpunten van partijen in dat geval, aanleiding om een comparitie te bevelen om nadere inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen over met name de wijze van uitvoering van de splitsing van het huis, de op het huis rustende hypothecaire inschrijvingen en de overbedelingsvordering nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Tot slot zal de comparitie worden benut om met partijen te overleggen over het eventueel noodzakelijke vervolg van deze procedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank verzoekt [gedaagde] om uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie aan haar en aan de wederpartij te doen toekomen:</para>
        <para>(1) een schriftelijke reactie van de bank waaruit volgt of de bank bereid is om [eisers] uit de aansprakelijkheid voor het deel van [gedaagde] van de oorspronkelijke hypothecaire geldlening te ontslaan en kan instemmen met de voorgenomen splitsing en de wijziging van het onderpand in die zin dat de hypothecaire geldlening uit 2004 van € 150.000,00 en het deel van de oorspronkelijke hypothecaire geldlening groot € 235.000,00 uitsluitend op het deel ‘van [gedaagde] ’ komt te rusten;</para>
        <para>(2) haar schriftelijke reactie op:</para>
      </parablock>
      <para>- de vraag welk concreet gevolg zij verbindt aan de door haar gestelde fout in de oppervlakteberekening van de deskundige ten aanzien van een eventuele over- of onderbedelingsvordering;</para>
      <para>- het voornemen van de rechtbank om het in voormeld tussenvonnis aangegeven kader </para>
      <parablock>
        <para>te corrigeren in die zin dat het in rechtsoverweging 3.30 daarvan genoemde bedrag van </para>
        <para>€ 21.805,96  niet positief maar negatief is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht het wenselijk dat bij deze comparitie de deskundige, dhr. Van Helvoort, beëdigd rentmeester-taxateur oz, alsmede dhr. [C] , architect (die onder regie van dhr. Van Helvoort een deel van het deskundigenonderzoek heeft uitgevoerd), aanwezig zijn. Dit, om tijdens de comparitie op hun vakgebied betrekking hebbende vragen te kunnen beantwoorden. </para>
        <para>In verband met de omstandigheden van het geval zal het voorschot op de voor de deskundige hieraan verbonden kosten moeten worden gedragen door partijen gezamenlijk, ieder voor de helft.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>Partijen kunnen zich op de zitting laten bijstaan door een eigen adviseur.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen, ook in het nadeel van die partij, kan maken die zij geraden zal achten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21.</nr>
      <para>Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie en in reconventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen,  ter beproeving van een minnelijke regeling en om te overleggen over het eventueel noodzakelijke vervolg van deze procedure, op de terechtzitting van mr. H.T.J.F. Verhappen in het gerechtsgebouw te Eindhoven aan Stadhuisplein 4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>bepaalt dat de partijen tijdens deze comparitie in persoon aanwezig moeten zijn; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>beveelt dat de deskundige, dhr. Van Helvoort, beëdigd rentmeester-taxateur oz, alsmede dhr. [C] , architect, ook bij deze comparitie aanwezig moeten zijn om op hun vakgebied betrekking hebbende vragen te kunnen beantwoorden;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige (inclusief die van dhr. [C] ) het volgende:</para>
      <para>- de deskundige dient <emphasis role="underline">binnen drie weken</emphasis> na de datum van deze beslissing een </para>
      <parablock>
        <para>	begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd </para>
        <para>	naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige </para>
        <para>	kosten;</para>
      </parablock>
      <para>- de griffie zal deze opgave vervolgens toesturen aan partijen;</para>
      <parablock>
        <para>	partijen kunnen desgewenst <emphasis role="underline">binnen twee weken</emphasis> na dagtekening van de brief van </para>
        <para>	de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen deze begroting;</para>
      </parablock>
      <para>- indien niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op </para>
      <parablock>
        <para>de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de </para>
        <para>deskundige begrote bedrag;</para>
      </parablock>
      <para>- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij</para>
      <para>	afzonderlijke rechterlijke beslissing;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>bepaalt dat ieder der partijen de helft van het voorschot op deze kosten dient over te maken <emphasis role="underline">binnen twee weken</emphasis> na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van </para>
        <para>de betaling van het voorschot;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <parablock>
        <para>bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis zal doen toekomen aan </para>
        <para>dhr. Van Helvoort en de verhinderdagen van dhr. Van Helvoort en dhr. [C] zal opvragen in de maanden oktober 2021 t/m februari 2022;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">28 juli 2021 </emphasis> voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten, eveneens in de maanden oktober 2021 t/m februari 2022;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>bepaalt dat vervolgens dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>wijst partijen er op, dat voor de zitting een dagdeel zal worden uitgetrokken;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>bepaalt dat de in overweging 2.17 opgevraagde informatie uiterlijk <emphasis role="underline">twee weken </emphasis>voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beoordeling en beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2021.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>