<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2021:3924</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-23T13:28:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SHE 21/1481</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:3924">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:3924</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-23T13:25:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2021:3924 Rechtbank Oost-Brabant , 23-07-2021 / SHE 21/1481</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2021:3924:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen besluit geen nieuwe subsidie te verlenen na 31 maart 2021 voor jeugdwerk. Subsidie was bij wijze van proef voor 3 maanden verleend. Geen onverwijlde spoed, omdat beslissing op bezwaar op zeer korte termijn wordt genomen, geen evident onrechtmatig besluit.”</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2021:3924:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SHE 21/1481</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster] , uit ‘s- [vestigingsplaats] , verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.P.M. van Beers),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch</emphasis>, het college (gemachtigde: mr. C.P. Posthuma).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 29 maart 2021 (bestreden besluit) heeft het college besloten verzoekster vanaf 1 april 2021 geen subsidie meer te verlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft hiertegen op 7 mei 2021 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 18 juni 2021 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee wordt bepaald dat het college verzoekster over de periode van 1 april 2021 tot 1 november 2021 of tot een andere door de voorzieningenrechter te bepalen datum, een subsidie van € 21.279,60 per maand moet verlenen overeenkomstig de subsidieverleningsbeschikking van 7 december 2020 of het bestreden besluit wordt geschorst en het college binnen twee weken na de datum van de uitspraak van de voorzieningenrechter een besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen. Bij brieven van 22 juni 2021, 30 juni 2021 en 13 juli 2021 met bijlagen heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening aangevuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft zijn standpunt verder toegelicht in een brief van 24 juni 2021 met bijlagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek om een voorlopige voorziening is via een beeldverbinding behandeld op de zitting van 15 juli 2021. Voor verzoekster waren bij de zitting aanwezig haar gemachtigde, haar directeur [naam] , de voorzitter van haar bestuur [naam] en twee van haar bestuurders [naam] en [naam] Voor het college waren bij de zitting aanwezig zijn gemachtigde, strategisch adviseur jeugd van de gemeente ‘s-Hertogenbosch D. Gorgels en een medewerkster van de afdeling juridische zaken van de gemeente ‘s-Hertogenbosch A. Slagmolen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Verzoekster is volgens haar statuten een stichting die als doel heeft het organiseren van activiteiten voor de jongeren tot en met drieëntwintig jaar, in de ruimste zin van het woord, in de stadswijk [wijknaam] in [plaatsnaam] , om daarmee een bijdrage te leveren aan de zorg voor en de bevordering van het jongerenwerk in die leeftijdscategorie in de gemeente ’s-Hertogenbosch, en verder alles wat met het vorenstaande rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de meest ruime zin. Verzoekster is gevestigd op het adres [adres] .</para>
    <para />
    <para>2. Verzoekster heeft zo’n 35 jaar subsidie van de gemeente ’s-Hertogenbosch gekregen. Eerst kreeg verzoekster telkens een jaarlijkse subsidie. In 2019 kreeg verzoekster een driejarige subsidie voor de periode van 2020-2023. Bij inmiddels onherroepelijk besluit van 15 juli 2020 heeft het college besloten de (langdurige) subsidierelatie met verzoekster per 15 juli 2020 te beëindigen. Bij brief van 14 juli 2020 heeft het college laten weten dat de beëindiging feitelijk niet eerder zal plaatsvinden dan 14 dagen nadat er is beslist op een bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2020. </para>
    <para />
    <para>3. Op 15 oktober 2020 heeft verzoekster een nieuw bestuur gekregen. Op 31 oktober 2020 heeft dat nieuw bestuur een nieuw toekomstplan ingediend.  </para>
    <para>Op basis van het nieuwe toekomstplan heeft het college bij besluit van 7 december 2020 besloten om verzoekster als proef, voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021, een subsidie te verlenen van maximaal € 63.838,80. Die subsidie was bedoeld voor het uitvoeren van locatiegebonden jongerenwerk in jongerencentrum [naam jongerencentrum] , conform de inkoopopdracht met registratienummer [nummer] die het college op 22 oktober 2019 heeft vastgesteld. Aan de subsidieverlening heeft het college voor verzoekster de volgende voorwaarden verbonden:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“U voert de werkzaamheden uit conform de inkoopopdracht, d.w.z. het locatiegebonden preventieve jongerenwerk in een constructieve samenwerking met [naam] en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [naam] met het Wijk Uitvoeringsplan als uitgangspunt.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Samen met [naam] en [naam] rapporteert u conform de inkoopopdracht via kwartaalrapportages.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">U voert verbeteringen in de governance uit, waardoor de bestuurlijke slagkracht wordt</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">vergroot en de vertrouwenskwestie in- en extern wordt opgelost.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">U werkt mee aan een evaluatie door een onafhankelijke adviseur van de uitvoering van de afspraken in het eerste kwartaal van 2021. Toetsingscriteria bij deze evaluaties zijn de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">uitvoering van het locatiegebonden preventief jongerenwerk conform de inkoopopdracht, de samenwerking met [naam] en [naam] , de uitvoering van de verbeteringen in de governance ter versterking van de bestuurlijke slagkracht en de oplossing van de vertrouwenskwestie</emphasis>.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 januari 2021 heeft het college op verzoek van verzoekster het besluit van 7 december 2020 (nogmaals) bekrachtigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Na een bestuurlijk overleg op 16 februari 2021 heeft verzoekster laten weten dat zij wil meewerken aan een evaluatie van BMC Advies B.V. uit Amersfoort (BMC). Die evaluatie was een van de voorwaarden als opgenomen in het besluit van 7 december 2020. BMC heeft in het kader van de evaluatie gesproken met een vertegenwoordiging van verzoeksters bestuur, jongerenwerkers van [naam] en vertegenwoordigers van de besturen en de operationeel leidinggevenden van [naam] en [naam] . </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat BMC op 24 maart 2021 de bevindingen met verzoeksters bestuur heeft besproken, heeft BMC een eindrapportage opgesteld. In die eindrapportage van 25 maart 2021 staan de volgende conclusies:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“2.9 Conclusies</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Onder dit kopje leest u de conclusies die we trekken op basis van de bevindingen uit het onderzoek over de bestuurlijke slagkracht en de inrichting van de governance.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestuur geeft blijk van goede intenties. Overall is er door het bestuur veel</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">inspanning gepleegd om de (administratieve) basis op orde te brengen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestuur heeft uitvoering gegeven aan de vraag van de gemeente om een</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">governance op te stellen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestuur heeft uitvoering gegeven aan de vraag van de gemeente om het leveren</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">van een Jaarplan 2019 en 2020 (concept).</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestuur heeft gekozen voor een Toezichthoudend bestuursmodel en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">directiereglement; deze zijn beide belegd en ondertekend. Het Toezichthoudend</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">bestuursmodel past bij het volume van de Organisatie.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestuur werkt niet volgens de governancecode.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestuur werkt thans als een instruerend bestuur. De urgentie is hoog om te</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">komen tot de juiste rolopvatting en uitvoering van bestuurlijke taken met</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">uitvoeringskracht.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bestuurlijke slagkracht is onvoldoende aanwezig op strategisch, tactisch en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">operationeel niveau, in relatie tot de eigen jongerenwerkers, de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">samenwerkingspartners en de gemeente. Op veel vlakken is het bestuur</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">handelingsonbekwaam. Men is niet in staat om verder dan 1 april 2021 te kijken (men heeft geen langetermijnvisie). Zaken stagneren bestuurlijk, met als gevolg dat de uitvoering vastloopt binnen [naam] en in de relatie met de samenwerkingspartners.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestuur zou in staat moeten zijn om een standalone-organisatie aan te sturen,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">maar wordt op basis van de waarneming van BMC niet in staat geacht een organisatie aan te sturen die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband/netwerk.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestuur in zijn rol als werkgever is niet slagvaardig. De arbeidsrelatie met de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">directeur is een slepende kwestie en het bestuur is handelingsverlegen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De arbeidsrelatie met de jongerenwerkers is eveneens onvoldoende slagvaardig. Het</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">getuigt niet van goed werkgeverschap om het ene moment een contract niet te willen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">verlengen en het andere moment de intentie uit te spreken de contracten wel te</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">verlengen. Kritische kanttekening hierbij is dat de gemeente (pas) op 16 februari</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2021 heeft toegezegd dat zij garant staat voor de aanstelling van de jongerenwerkers.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zoals eerder opgemerkt hecht de gemeente waarde aan continuïteit van het</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">jongerenwerk en was overleg met de gemeente gewenst geweest.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het door de jongerenwerkers geschetste beeld is indringend. De feiten hebben we niet kunnen onderzoeken. Op 24 maart jl. zijn de opmerkingen van de jongerenwerkers besproken met het bestuur van [naam] . In het addendum leest u onder andere de zienswijze van het bestuur hierop.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusies</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onder dit kopje leest u de conclusies die we trekken op basis van de bevindingen uit het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">onderzoek over de uitvoering van de kernactiviteiten conform de inkoopopdracht uit oktober</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2019. We herhalen eerst nogmaals de onderzoeksvragen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is de gemeentelijke inkoopopdracht helder en werkbaar?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bij de vertaling van de inkoopopdracht is het grootste knelpunt voor [naam] de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">uitwerking van de doelen en ambities in taakverdeling tussen de drie partners. Het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">werkplan, waarop de definitieve inkoopopdracht is gebaseerd, is hier onvoldoende</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">concreet, helder en werkbaar. In de inkoopopdracht was bedacht te werken met</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">tweejaarlijkse WUP’s, maar dit is niet van de grond gekomen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op welke manier wordt er gestuurd op gestelde doelen in de inkoopopdracht?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Omdat de monitoring hiervan via kwartaalrapportages is uitgebleven, gebeurt dit</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">louter via accountgesprekken. Hiervan hebben we geen verslagen ingezien.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In hoeverre sluiten de activiteiten van [naam] aan bij de inkoopopdracht van de gemeente?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op papier sluiten de activiteiten van [naam] wel aan bij de inkoopopdracht, maar in de praktijk is dit lastig na te gaan: we hebben niet kunnen toetsen of ze daadwerkelijk uitgevoerd worden. Als we het meest recente overzicht van activiteiten van [naam] langs het ‘uitvoeringsprogramma’ in het werkplan leggen is dit overeenkomstig. Het is echter wel zo dat twee derde van de activiteiten wordt vormgegeven in samenwerking met HC en PU, terwijl ons signalen bereiken dat deze jongerenwerkers niet meer in [naam] komen. In hoeverre de activiteiten in samenwerking plaatsvinden is nog maar de vraag.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusies</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onder dit kopje leest u de conclusies die we trekken op basis van de bevindingen uit het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">onderzoek over de samenwerking met de samenwerkingspartners die verbonden zijn aan de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gezamenlijke inkoopopdracht.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Operationeel verloopt de samenwerking goed tussen de jongerenwerkers.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De geografische taakopvatting is een belangrijk punt van aandacht.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bestuurlijk is er geen samenwerking met [naam] en daardoor stagneert de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">samenwerking op operationeel niveau en op managementniveau.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het vertrouwen tot samenwerking met de huidige directeur ontbreekt bij de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">samenwerkingspartners PU en HC. Zij beschouwen de directeur als een obstructie</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voor verdere ontwikkeling. Dit betekent dat het bestuur van [naam] voor de keuze</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">staat of het gaat voor toekomstbestendigheid van [naam] door stichting [naam]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic"> of voor loyaliteit aan de directeur. Zoals beschreven in hoofdstuk 2 is het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bestuur handelingsverlegen ten aanzien van de positie van de directeur.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Tijdens een overleg via een videoverbinding op donderdagavond 25 maart 2021 is de uitkomst van het onderzoek van BMC door de verantwoordelijk wethouder en een ambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch besproken met een deel van verzoeksters bestuur. Aan het eind van dat overleg hebben de vertegenwoordigers van het college toegezegd dat het onderzoeksrapport van BMC onder embargo naar het bestuur zou worden gemaild. Verzoekster heeft uiteindelijk tot 29 maart 2021, 10.00 uur de tijd gekregen om haar reactie te geven op het voorstel van het college dat vier bestuursleden van verzoekster hun functie moesten neerleggen. Het bestuur is niet akkoord gegaan met dit voorstel.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Karakter van deze procedure: een voorlopige voorziening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Het gaat hier om een verzoek om voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat indienen van een bezwaar de werking van een besluit niet opschort (zie artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft gelden ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. Die mogelijkheid is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is gezegd dat als tegen een besluit bezwaar wordt gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Een verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat het besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van het besluit op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden. </para>
      <para>Als geen sprake is van onverwijlde spoed zal de voorzieningenrechter alleen kijken of het bestreden besluit evident, dus zonder enige twijfel, onrechtmatig is. </para>
      <para />
      <para>7. Tot slot wijst de voorzieningenrechter er in dit verband nog op dat een voorlopige voorzieningenprocedure gaat over het wel of niet treffen van een voorlopige maatregel die – in dit geval – uiterlijk kan gelden tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar. Als het primaire verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster wordt toegewezen, is dat eigenlijk geen voorlopige maatregel. Als de voorzieningenrechter namelijk zal bepalen dat het college verzoekster voorlopig subsidie zal moeten verlenen en verzoekster die subsidie zal gebruiken voor haar activiteiten, is het voor het college erg moeilijk, of misschien zelfs onmogelijk, die subsidie weer terug te krijgen als het bezwaar ongegrond zou worden verklaard. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorziening treffen die inhoudt dat het college verzoekster voorlopig subsidie moet verlenen, als zonder enige twijfel moet worden gezegd dat de subsidie aan verzoekster moet worden verleend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onverwijlde spoed?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. In dit kader heeft verzoekster aangevoerd dat haar bestaansrecht financieel en daarmee organisatorisch ernstig in het geding is. Samenwerking met partners en jongeren staat onder grote druk. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoekster een liquiditeitsprognose van 31 mei 2021 overgelegd, op grond waarvan zij concludeert dat zij nog twee á drie maanden regulier kan doordraaien en het risico van een faillissement groot is. Verzoekster vindt dan ook dat zij niet kan wachten op het besluit op bezwaar, waarvan zij verwacht dat dat half september zal worden genomen. Ook wijst verzoekster erop dat zij gebruikmaakt van en plaats biedt aan student-stagiaires van het Koning Willem I-college en Avans Hogeschool, en dat door het bestreden besluit de invulling van die stageplekken op de tocht staat. Tot slot is volgens verzoekster in dit verband van belang dat het college al sinds het bestreden besluit dreigt met een kort geding om het pand, waarvan verzoekster op dit moment nog gebruik maakt, te ontruimen. Een motie van verschillende Bossche oppositiepartijen om dit te voorkomen zolang er nog juridische procedures lopen, heeft het college verworpen.</para>
      <para />
      <para>9. De voorzieningenrechter wijst erop dat het in deze zaak gaat om het wel of niet (voorlopig) verstrekken van een subsidie. Dat is een financieel belang. Volgens vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_8abc1a43-f878-460b-ac62-e395f592a662" /> van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is een financieel belang in de regel op zichzelf onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster kan immers financiële compensatie vorderen van het college, als het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand blijft. Een spoedeisend belang kan echter wel worden aangenomen, indien aannemelijk is dat verzoekster in een financiële noodsituatie verkeert of zal komen te verkeren.</para>
      <para />
      <para>10. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de liquiditeitsprognose van 31 mei 2021 staat dat de bankstand van verzoekster op 31 mei 2021 € 68.073,– was. Tijdens de zitting heeft verzoekster gezegd dat de bankstand inmiddels was verminderd tot zo’n € 40.000,–. </para>
      <para />
      <para>11. Het college heeft in zijn brief van 24 juni 2021 gezegd dat de liquiditeitsprognose enkel een (ongedateerde) begroting is, die is opgesteld door verzoekster en waarin posten zeer globaal zijn opgenomen. Volgens het college kan dit niet worden beschouwd als een gedetailleerde weergave van de huidige financiële situatie van verzoekster. Aan de andere kant heeft de gemachtigde van het college tijdens de zitting gezegd dat verzoekster 100% afhankelijk is van subsidie en dat het dan ook logisch is dat als verzoekster geen subsidie meer krijgt, haar bestaansrecht ontvalt.</para>
      <para />
      <para>12. Alles overziend, vindt de voorzieningenrechter het niet op voorhand onaannemelijk dat verzoeksters middelen ten tijde van de zitting inmiddels waren verminderd tot zo’n € 40.000,– en dat, gelet op de voorheen ontvangen subsidie van zo’n € 20.000,– per maand, verzoekster nog zo’n twee maanden regulier kan doordraaien. </para>
      <para />
      <para>13. Naar aanleiding van verzoeksters opmerking dat door het bestreden besluit de invulling van stageplekken op de tocht staat, heeft het college er in zijn brief van 24 juni 2021 uitdrukkelijk op gewezen dat [naam] open en het jongerenwerk beschikbaar blijft, en dat (ook) de stageplekken zullen worden ingevuld.</para>
      <para />
      <para>14. Als reactie op verzoeksters opmerking dat het college al sinds het bestreden besluit dreigt met een kort geding om het pand waarvan verzoekster nog steeds gebruik maakt, te ontruimen, heeft het college in zijn brief van 24 juni 2021 gezegd dat verzoekster, ondanks dat de subsidieverlening al op 31 maart 2021 is beëindigd, geen gehoor heeft gegeven aan zijn verzoeken om uit het pand te vertrekken. Ondanks dit is er volgens het college op dit moment geen sprake van een kort geding tot ontruiming van het pand.</para>
      <para />
      <para>15. Voor de vraag of sprake is van onverwijlde spoed, is ook van belang dat het college in zijn brief van 24 juni 2021 heeft gezegd dat het besluit op verzoeksters bezwaar op 27 juli 2021 wordt verwacht. Tijdens de zitting heeft verzoekster in aanvulling hierop gezegd dat het advies van de bezwaarschriftencommissie inmiddels is ontvangen en dat alles is geagendeerd om het besluit op verzoeksters bezwaar op 27 juli 2021 te nemen. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vooralsnog van uit dat het besluit op het bezwaar ook echt op 27 juli 2021 zal worden genomen en bekendgemaakt.  </para>
      <para />
      <para>16. Tijdens de zitting heeft verzoekster gezegd dat zij de bezwaarschriftencommissie wil vragen om heropening van de hoorzitting in bezwaar omdat die commissie geen kennis heeft genomen van het stuk dat verzoekster bij haar brief van 13 juli 2021 als bijlage 10 heeft overgelegd. Dat stuk is volgens verzoekster een besluit van het college waarin is bepaald dat onder bepaalde voorwaarden aan verzoekster wél subsidie wordt verleend.</para>
      <para />
      <para>17. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verzoekster hiermee wil zeggen dat als de bezwaarschriftencommissie verzoeksters verzoek om heropening van de hoorzitting in bezwaar honoreert, het besluit op bezwaar later dan op 27 juli 2017 bekend zal worden gemaakt. Nog daargelaten dat verzoekster op het moment van de zitting nog geen verzoek om heropening had gedaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het stuk dat verzoekster bij haar brief van 13 juli 2021 als bijlage 10 heeft overgelegd voor de onderhavige procedure niet relevant is. Er kan volgens de voorzieningenrechter geen enkel misverstand over bestaan dat bijlage 10 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Dit blijkt onder meer uit de passage onder het kopje “Proces” in die bijlage: “<emphasis role="italic">Het college informeert de raad op 29 maart 2021 via bijgevoegde collegebrief, waarin het uiteindelijk besluit (doorgang met intensivering bestuurlijke slagkracht of beëindiging subsidie) een plek heeft.</emphasis>” Het college heeft in dit verband nog toegelicht dat in het stuk twee opties zijn uitgewerkt. Toen later duidelijk werd dat verzoekster niet voor optie 1 – vier bestuursleden van verzoekster moeten hun functie neerleggen – wilde kiezen, heeft het college aan de gemeenteraad meegedeeld dat verzoeksters subsidie per 1 april 2021 zou worden gestopt. Vervolgens is het formele bestreden besluit is genomen. De voorzieningenrechter heeft geen enkele aanleiding om aan die visie te twijfelen en gaat er daarom van uit dat dit stuk geen reden vormt voor uitstel van de beslissing op bezwaar.</para>
      <para />
      <para>18. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening niet voldoende spoedeisend is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling van het bestreden besluit aan de hand van de gronden.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>19. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat er geen sprake is van onverwijlde spoed zal zij, zoals hiervoor al is vermeld, nu alleen nog kijken of het bestreden besluit evident, dus zonder enige twijfel, onrechtmatig is. </para>
      <para />
      <para>20. Verzoekster vindt – kort en zakelijk weergegeven – dat het onderzoek wat door BMC is uitgevoerd niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat het bestreden besluit mede gelet daarop in strijd is met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. In het bestreden besluit is volgens verzoekster niets meer gezegd over de eerdere eis van het college dat de vier ervaren bestuursleden eerst moesten worden vervangen om de subsidierelatie voort te zetten. Verzoekster vindt die eis overigens onrechtmatig en opvallend, en vindt het onzorgvuldig om haar met die eis te confronteren. Ook druist de eis van het college in tegen de conclusies die BMC heeft getrokken op grond van het als “lerend onderzoek” door BMC uitgevoerd onderzoek. Verder heeft verzoekster naar haar mening te weinig tijd gehad om adequaat te reageren. Verzoekster vindt dat zij wel voldoet aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidie. Tot slot wijst verzoekster erop dat sprake is van een langdurige subsidierelatie, zeker omdat de subsidie altijd is doorbetaald.</para>
      <para />
      <para>21. De voorzieningenrechter verwijst naar het besluit van 7 december 2020 waarin het volgende staat:</para>
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Daarom heeft het college besloten om uw bestuur bij wijze van proef, voor een periode tot 1 april 2021 en onder voorwaarden subsidie te verlenen en tegelijkertijd een onafhankelijk adviseur een onderzoek te laten doen naar de realisatie van de voorwaarden.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wij vinden het belangrijk om een onafhankelijk adviseur een advies te laten geven om te benadrukken dat wij op basis van een objectieve beoordeling van de bestuurlijke slagkracht, de samenwerking en de uitvoering van de kernactiviteiten tot een besluit willen komen over de periode na 1 april 2021. Uitgangspunt blijft hierbij natuurlijk dat jongerencentrum de Poort voor en door jongeren blijft bestaan.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit duidelijk dat het college op basis van het advies van BMC een besluit zou nemen over een mogelijke subsidie voor verzoekster vanaf 1 april 2021. Ook blijkt uit het besluit van 7 december 2020 duidelijk wat er door BMC getoetst/geëvalueerd zou gaan worden:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Wat verwachten wij van u?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- (…)</emphasis>
      </para>
      <para>- <emphasis role="italic">U werkt mee aan een evaluatie door een onafhankelijke adviseur van de uitvoering van de afspraken in het eerste kwartaal van 2021. Toetsingscriteria bij deze evaluaties zijn de uitvoering van het locatiegebonden preventief jongerenwerk conform de inkoopopdracht, de samenwerking met [naam] en [naam] , de uitvoering van de verbeteringen in de governance ter versterking van de bestuurlijke slagkracht en de oplossing van de vertrouwenskwestie</emphasis>.”</para>
      <para />
      <para>22. Dat verzoekster te weinig tijd heeft gehad, volgt de voorzieningenrechter niet. Zij wijst er in dat verband op dat uit het besluit van 7 december 2020 duidelijk blijkt dat de subsidie alleen zou worden verleend voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 en dat verzoekster ook binnen die periode moest laten zien dat zij aan de verwachtingen voldeed. Omdat verzoekster tegen het besluit van 7 december 2020 geen bezwaar heeft gemaakt, staat dat besluit, inclusief de proefperiode van drie maanden, vast. Verzoekster kan niet nu, in de bezwaarfase tegen het bestreden besluit van 29 maart 2021, deze periode van drie maanden alsnog ter discussie stellen. Overigens is gebleken dat verzoekster al eerder dan bij aanvang van deze drie maanden met het college in overleg was. Al met al ziet de voorzieningenrechter dan ook geen grond voor het oordeel dat verzoekster onvoldoende tijd heeft gehad om te laten zien dat zij aan de te toetsen/evalueren punten voldeed.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>23. Over de totstandkoming van het rapport van BMC heeft de voorzieningenrechter gelezen dat BMC op 24 maart 2021 de bevindingen met verzoeksters bestuur heeft besproken en dat BMC daarna een eindrapportage heeft opgesteld. Tijdens een overleg via een videoverbinding op donderdagavond 25 maart 2021 is de uitkomst van het onderzoek van BMC door de verantwoordelijk wethouder en een ambtenaar van de gemeente ’sHertogenbosch besproken met een deel van verzoeksters bestuur. Aan het eind van dat overleg hebben de vertegenwoordigers van het college toegezegd dat het onderzoeksrapport van BMC onder embargo naar verzoeksters bestuur zou worden gemaild en hebben zij verzoekster het voorstel gedaan dat subsidie kon worden verleend vanaf 1 april 2021 als vier bestuursleden van verzoekster hun functie zouden neerleggen. Verzoekster heeft uiteindelijk tot 29 maart 2021,10.00 uur de tijd gekregen om haar reactie te geven op het door het college gedane voorstel. Het bestuur van verzoekster is niet akkoord gegaan met dat voorstel. Weliswaar had verzoekster maar kort de tijd om te reageren, maar dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om te zeggen dat het bestreden besluit alleen daarom al onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en evident onrechtmatig. Verzoekster heeft namelijk wel de gelegenheid gehad om haar bedenkingen bij de conclusies van het rapport naar voren te brengen. Daarbij is ook van belang dat verzoekster wist dat het besluit van 7 december 2020 slechts tot en met 31 maart 2021 geldig was.</para>
        <para>23. De voorzieningenrechter ziet geen reden om eraan te twijfelen dat het college, zoals hij zegt, het tijdens het overleg van 25 maart 2021 gedane voorstel dat subsidie kon worden verleend vanaf 1 april 2021 als vier bestuursleden van verzoekster hun functie zouden neerleggen, met verzoekster heeft besproken als zijnde een laatste handreiking om verzoeksters bestuur te verbeteren op de door BMC genoemde punten. Dit voorstel is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen onderdeel van het nu voorliggende bestreden besluit. In het bestreden besluit staat duidelijk dat de reden van het stoppen van de subsidie per 1 april 2021 is dat de evaluatie op de genoemde punten niet goed is: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“ Op basis van de evaluatie van BMC concluderen wij dat uw bestuur als vrijwillig bestuur in de huidige samenstelling niet op een verantwoorde wijze aansturing geeft aan een professionele organisatie met een belangrijke maatschappelijke opdracht, namelijk om samen met de partners goed jongerenwerk te organiseren voor alle jongeren in Noord. Dat is wel het doel dat wij beogen te bereiken met de subsidie.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uit het rapport van BMC blijkt dat het bestuur de slagvaardigheid mist om op een verantwoorde wijze uitvoering te geven aan de maatschappelijke opdracht die de stichting, samen met [naam] en [naam] , in 2019 heeft geaccepteerd met de inkoopopdracht. Het beeld dat geschetst wordt in het rapport door de onderzoekers is indringend. Daarom vinden we het niet verantwoord de situatie zo langer te laten voortduren. Na bijna anderhalf jaar is het tijd dat de focus komt te liggen op de jongeren in Noord en de bijdrage die het jongerenwerk kan leveren aan de talentontwikkeling van alle jongeren in Noord. Dat is immers het doel dat wij met de subsidie beogen te bereiken.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nu wij niet het vertrouwen hebben dat u het beoogde doel kan bewerkstelligen, hebben wij besloten vanaf 1 april 2021 niet opnieuw subsidie te verlenen aan uw stichting. (…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>25. De voorzieningenrechter volgt ook niet de stelling van verzoekster dat zij wel aan alle voorwaarden heeft voldaan. Zij heeft die stelling niet verder onderbouwd, terwijl uit het rapport van BMC – zoals hiervoor weergegeven – duidelijk blijkt dat niet aan de te evalueren punten is voldaan.</para>
      <para />
      <para>26. Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een langdurige subsidierelatie, zoals verzoekster heeft gesteld. Met het inmiddels onherroepelijk geworden besluit van 15 juli 2020 is de op dat moment nog bestaande (langdurige) subsidierelatie per 15 juli 2020 geëindigd. Met het besluit van 7 december 2020 is een nieuwe subsidierelatie begonnen. Weliswaar is er tot en met 31 maart 2021 subsidie aan verzoekster betaald, maar dat gebeurde met ingang van 1 januari 2021 op een andere grondslag dan voorheen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>27. De voorzieningenrechter komt gelet op al wat hiervoor is overwogen tot de conclusie dat het bestreden besluit niet <emphasis role="italic">evident</emphasis> onrechtmatig is. </para>
      <para />
      <para>28. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 23 juli 2021. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier 						De voorzieningenrechter is verhinderd</para>
      <para>						de uitspraak te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
  <footnote id="_8abc1a43-f878-460b-ac62-e395f592a662" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:91</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>