<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2021:3740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-21T11:47:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/2044</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:3740">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2021:3740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-31T13:36:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2021:3740 Rechtbank Oost-Brabant , 14-07-2021 / 20/2044</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2021:3740:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser heeft een ontheffing van het verbod om op de stoep en straat te parkeren. Deze ontheffing heeft geen betrekking op de verplichting op parkeerbelasting te betalen (vgl. Rb Oost-Brabant 3 juli 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3040). Dat wordt niet anders doordat eiser zegt dat het ter plaatse niet veilig was om op de stoep of straat te parkeren. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2021:3740:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SHE 20/2044</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2021 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: F. Fikri).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 11 juni 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [nummer] opgelegd ter hoogte van € 66,30, bestaande uit € 1,80 parkeerbelasting en € 64,50 kosten naheffing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar van 6 juli 2020 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2021. Eiser is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
      <para>Op 11 juni 2020 om 10:32 uur stond het voertuig van eiser met het kentekennummer [nummer] geparkeerd op een parkeerplaats aan de Alberdingk Thijmlaan te Eindhoven. Deze parkeerplaats is op grond van op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Eindhoven gelezen in samenhang met het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren november 2019 van de gemeente Eindhoven, aangewezen als plaats waar parkeerbelasting wordt geheven. Een parkeercontroleur van de gemeente Eindhoven heeft op 11 juni 2020 omstreeks 10:32 uur geconstateerd dat in de auto van eiser geen parkeerkaartje zichtbaar was. Hij heeft daarop de naheffingsaanslag opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten name van Stichting Depot Eindhoven is voor het verrichten van werkzaamheden een ontheffing verleend van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV). Deze ontheffing lag ten tijde van de controle in de auto van eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geschil en beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Tussen partijen is in geschil of eiser op grond van genoemde ontheffing is vrijgesteld van het betalen van parkeerbelasting en dus of de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag niet terecht is opgelegd, omdat hij beschikt over een ontheffing die geldt tijdens werkzaamheden. Op 11 juni 2020 omstreeks 10:32 uur was eiser op de locatie aanwezig voor werkzaamheden. Eiser stelt op de zitting dat zijn beslissing, om ter plaatse niet op de stoep of de weg maar in een parkeervak te parkeren, werd ingegeven vanuit de verkeersveiligheid.</para>
    <para />
    <para>3. De heffingsambtenaar stelt dat de ontheffing niet geldig is in deze situatie. De op grond van artikel 87 van het RVV gegeven ontheffing geeft eiser ontheffing van regels, verboden en verkeerstekens die gelden op openbare wegen om hem in staat te stellen zijn werkzaamheden uit te voeren. De ontheffing geeft echter geen recht op vrijstelling van betaling van parkeerbelasting. Daarom had eiser de parkeerbelasting moeten voldoen. Nu eiser dit heeft nagelaten, is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiser opgelegd. De heffingsambtenaar verwijst naar de uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3040. </para>
    <para />
    <para>4. In de door de heffingsambtenaar aangehaalde uitspraak heeft de rechtbank eerder al uitgesproken dat men met een ontheffing als hier aan de orde niet is vrijgesteld van de verplichting om parkeerbelasting te betalen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft er uiteraard begrip voor dat eiser bij het parkeren van zijn voertuig let op de verkeersveiligheid, maar dat is hij op grond van artikel 5 van de Wegenverkeerswet ook verplicht. Het naleven van dat wettelijk voorschrift ontslaat eiser niet van de verplichting om andere wettelijke voorschriften na te leven, in dit geval het voorschrift om parkeerbelasting te betalen.</para>
    <para />
    <para>5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 11 juni 2020 bij de uitspraak op bezwaar terecht heeft gehandhaafd en moet het beroep ongegrond worden verklaard.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter deelt partijen mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan hen zal worden toegestuurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter wijst partijen erop dat zij het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 juli 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier											rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>