<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2020:6964</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-02T12:10:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WR 20/007</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2020:6964">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2020:6964</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-02T12:09:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2020:6964 Rechtbank Oost-Brabant , 25-06-2020 / WR 20/007</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2020:6964:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking. Processuele beslissing. Regievoering</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2020:6964:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="8f903946-9a44-4b89-ad23-915e09fbecf4" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="65142297-4987-4ed7-92de-5b83ff989150" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold smallcaps">OOST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para>Locatie 's-Hertogenbosch </para>
    <para>Wrakingskamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: WR 20/007</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 25 juni 2020  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant, bestaande uit </para>
      <para>mr. I.L.A. Boer, voorzitter, mr. S.M.J. Korthuis-Becks en mr. J.O.Y. Elagab, leden, </para>
      <para>hierna te noemen: de wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: verzoekster,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot de wraking van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. G.J. Roeterdink,  </emphasis>
      </para>
      <para>in zijn hoedanigheid van kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, bij de behandeling van de zaak met zaaknummer [nummer] , </para>
      <para>hierna te noemen: de rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit: </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de civiele kantonrechterzitting d.d. 18 februari 2020;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de ter zitting overgelegde brief van verzoekster d.d. 20 december 2018;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de schriftelijke reactie van de rechter d.d. 5 maart 2020;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het e-mailbericht van de rechter inhoudende toestemming voor schriftelijke afdoening van het wrakingsverzoek d.d. 7 april 2020; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van verzoekster (ongedateerd), ingekomen op 14 maart 2020; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de tussenbeslissing van de wrakingskamer d.d. 16 april 2020.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer heeft inzage gehad in het dossier in de hoofdzaak met zaaknummer [nummer] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 11 juni 2020.</para>
        <para>Verzoekster is in persoon verschenen. De rechter is niet (ter zitting) verschenen. Mr. Poort, gemachtigde van de wederpartij in de hoofdzaak (Stichting [naam] ), was als toehoorder aanwezig.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het wrakingsverzoek en het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer [nummer] </para>
        <para> tussen verzoekster en Stichting [naam] . Kort gezegd betreft de </para>
        <para>bodemzaak een ontruimingsgeschil inzake voormelde woningbouwstichting en </para>
        <para>verzoekster. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.2</para>
        <para>Verzoekster heeft betoogd dat de rechter niet onbevooroordeeld dat geschil kan beoordelen. In de kern komt het standpunt van verzoekster erop neer dat zij achtergesteld werd op de wederpartij en diens raadsman. Dat betoog heeft verzoekster – kort en zakelijk weergegeven – op de volgende gronden gebaseerd:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>tijdens de zitting van 18 februari 2020 heeft de rechter verzoekster steeds onderbroken en heeft toegestaan dat de raadsman van de wederpartij, mr. Poort, dat ook deed; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de rechter heeft niet ingegrepen toen mr. Poort zich diffamerend over haar uitliet en haar uitschold voor onder andere ‘gestoorde transgender’  en heeft daarbij zelf gegrinnikt;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de rechter heeft geweigerd de door verzoekster aangeboden getuigen te horen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.3</para>
        <para>De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie laten weten dat hij niet in de wraking berust en heeft als volgt op het verzoek gereageerd. Onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting heeft de rechter vooropgesteld dat daaruit niet blijkt dat hij de wederpartij van verzoekster, mr. Poort, (significant) vaker aan het woord heeft gelaten dan verzoekster. </para>
        <para>De omstandigheid dat mr. Poort een enkele keer is toegestaan verzoekster in de rede te vallen, levert volgens de rechter onvoldoende grond op om aan te nemen dat sprake is van (een gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid jegens verzoekster of dat getwijfeld moet worden aan zijn onpartijdigheid. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1</para>
      <para>Voordat de wrakingskamer aan een inhoudelijke beoordeling toekomt, stelt zij het volgende voorop. Verzoekster heeft in de door haar eerder overgelegde brief van 20 december 2018 aangegeven dat het vanwege haar transseksualiteit van groot belang is dat het (in deze brief al bij voorbaat aangekondigde en nog uitgebreid te motiveren) wrakingsverzoek wordt behandeld in een nevenzittingsplaats buiten dit arrondissement en dat de behandelde rechters niet woonachtig zijn in de Bible Belt en op geen enkel wijze banden hebben met een (conservatief) geloof, zoals gereformeerd, protestant, katholiek, etc. Dit is volgens haar nodig om er zeker van te zijn dat het wrakingsverzoek onpartijdig en objectief wordt behandeld. In haar latere correspondentie en op de zitting van de wrakingskamer d.d. 11 juni 2020 is verzoekster hier niet meer op teruggekomen, zodat zij geacht moet worden dit punt te hebben laten vallen.  <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient te </para>
        <para>worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uitgangspunt is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de in het kader van deze wrakingsprocedure overgelegde stukken en de behandeling van </para>
        <para>het wrakingsverzoek op de zitting, trekt de rechtbank de conclusie dat verzoekster de </para>
        <para>vooringenomenheid van de rechter baseert op de processuele beslissing over het horen van </para>
        <para>getuigen en zijn eigen optreden ter zitting.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer overweegt dat een (onwelgevallige) processuele beslissing in beginsel </para>
        <para>geen grond vormt tot wraking van de rechter die deze beslissing heeft genomen. De </para>
        <para>juistheid van een rechterlijke (tussen)beslissing kan alleen worden beoordeeld als daartegen </para>
        <para>een rechtsmiddel wordt aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat </para>
        <para>het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Dit is </para>
        <para>uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle </para>
        <para>omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door </para>
        <para>de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk </para>
        <para>van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie ook HR 25-09-2018, </para>
        <para>ECLI: NL:HR:2018:1413; <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/428).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot de gang van zaken tijdens de zitting, stelt de wrakingskamer voorop dat </para>
        <para>de inhoud van het proces-verbaal ter zitting in beginsel leidend is. Uit het proces-verbaal </para>
        <para>van de zitting van 18 februari 2020 kan niet worden afgeleid dat de raadsman van de </para>
        <para>wederpartij verzoekster heeft uitgescholden. De wrakingskamer ziet geen aanleiding om te </para>
        <para>twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal. Daarbij weegt de wrakingskamer mee dat </para>
        <para>van verzoekster, gelet op de proceservaring waarover zij als juridisch professional geacht </para>
        <para>mag worden te beschikken, redelijkerwijs verwacht had mogen worden dat zij aan de </para>
        <para>zittingsgriffier akte zou vragen van de door de wederpartij op zitting jegens haar geuite </para>
        <para>scheldwoorden, hetgeen niet is gebeurd. Aan een oordeel over de vraag hoe de betrokken </para>
        <para>rechter op een dergelijke situatie had moeten reageren, en of dit al dan niet terecht een grond </para>
        <para>voor wraking had kunnen opleveren, komt de wrakingskamer dan ook niet meer toe. Voor </para>
        <para>zover verzoekster stelt dat de wederpartij zich “diffamerend” over haar uitsprak, zonder dat </para>
        <para>de rechter ingreep, geldt allereerst dat deze kwalificatie te onbepaald is om tot een verdere </para>
        <para>beoordeling te kunnen leiden en voorts dat daarbij altijd zal meewegen dat partijen zich in </para>
        <para>een situatie van geschil met elkaar verkeren.   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>De enkele omstandigheid dat de rechter verzoekster heeft onderbroken om mr. Poort aan het </para>
        <para>woord te laten dan wel heeft toegestaan dat verzoekster werd onderbroken door mr. Poort, </para>
        <para>levert ook geen grond op voor toewijzing van het wrakingsverzoek. Het is niet </para>
        <para>ongebruikelijk dat de zittingsdynamiek ertoe leidt dat dat partijen elkaar soms onderbreken. </para>
        <para>Gelet op zijn regiefunctie en de beperkte zittingstijd, dient de rechter grenzen te stellen aan </para>
        <para>de ruimte die partijen wordt geboden om hun zaak te bepleiten. Daarbij geldt dat de rechter </para>
        <para>beoordeelt in hoeverre hetgeen partijen aanvoeren relevant is voor de te nemen beslissing. </para>
        <para>Dat de rechter partijen soms onderbreekt teneinde het partijdebat (meer) toe te spitsen op de </para>
        <para>kwestie(s) die hem ter beoordeling worden voorgelegd, levert geen (schijn van) </para>
        <para>partijdigheid op. Dat de genderidentiteit van verzoekster enige rol zou hebben gespeeld bij </para>
        <para>de afwegingen en beslissingen van de rechter is niet gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het vorenstaande volgt dat er geen sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de rechter moet worden geacht met betrekking tot verzoekster vooringenomen te zijn, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="bold">wijst</emphasis> het verzoek tot wraking van de rechter <emphasis role="bold">af</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door:</para>
      <para>mr. I.L.A. Boer, voorzitter,  </para>
      <para>mr. S.M.J. Korthuis-Becks en mr. J.O.Y. Elagab, leden,  </para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Klaar, griffier.</para>
      <para>en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier:							de voorzitter: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>