<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2020:4535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-25T16:32:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8520207</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Eindhoven</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2020:4535">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2020:4535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-25T16:31:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2020:4535 Rechtbank Oost-Brabant , 24-09-2020 / 8520207</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2020:4535:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vordering basispremie zorgverzekering</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2020:4535:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ac270b8a-bfe1-44e1-9f70-b5760a7faaca" depth="16" width="550" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel Recht</para>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 8520207 \ CV EXPL  20-2309 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 24 september 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Menzis Zorgverzekeraar N.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in Wageningen,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: R. Smulders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,  </para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna “Menzis” en “ [gedaagde] ” genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De procedure is als volgt verlopen.</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Menzis heeft een dagvaarding uitgebracht, waarop [gedaagde] schriftelijk heeft geantwoord.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 11 juni 2020 is een tussenvonnis uitgesproken. Daarin is bepaald dat op 6 juli 2020 een mondelinge behandeling zou worden gehouden.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 25 juni 2020 heeft Menzis nadere stukken ingediend.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 30 juni 2020 heeft [gedaagde] nadere stukken ingediend.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 6 juli 2020 heeft de mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden via een Skypevideoverbinding. Bij zitting waren aanwezig: de gemachtigde van Menzis en [gedaagde] .</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De kantonrechter heeft Menzis op de zitting in de gelegenheid gesteld om stukken in het geding te brengen waaruit blijkt hoe de openstaande vordering is opgebouwd en partijen vervolgens de gelegenheid gegeven om samen tot een oplossing dan wel regeling te komen. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Menzis heeft deze specificatie op 30 juli 2020 ingezonden. [gedaagde] heeft niet op deze specificatie gereageerd. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Vervolgens heeft de kantonrechter beslist dat er een vonnis zal worden gewezen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Waar gaat de zaak over?</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is bij Menzis verzekerd op grond van de Zorgverzekeringswet. [gedaagde] moet hiervoor een basispremie en een aanvullende premie aan Menzis betalen. Het totaalbedrag aan maandelijkse premie, bij vooruitbetaling te voldoen, is € 123,50. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Menzis vordert, kort samengevat, veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan Menzis van € 1.399,37, te vermeerderen met de rente en kosten als vermeld in de dagvaarding. </para>
        <para>Menzis legt daaraan het volgende ten grondslag. </para>
        <para>De uit hoofde van de zorgverzekering verschuldigde bedragen heeft Menzis bij [gedaagde] in rekening gebracht. Van die bedragen heeft [gedaagde] , ondanks herhaalde herinneringen en aanmaningen, een bedrag van € 1.608,50 onbetaald gelaten. Menzis heeft buitengerechtelijke incassokosten gemaakt en vordert hiervoor een bedrag van € 264,72 (inclusief btw). De wettelijke rente bedraagt tot 6 mei 2020 € 22,32. Een bedrag van € 496,17 is al door [gedaagde] betaald door middel van deelbetalingen (€ 150,– op 28 april 2019, € 146,17 op 20 oktober 2019, € 200,– op 28 januari 2020) en in mindering gebracht op de vordering. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verweer gevoerd.</para>
        <para>
          [gedaagde] betwist de vordering zoals die is opgenomen in de dagvaarding. Zij heeft eerder (bevestigd bij brief van Menzis van 12 augustus 2019) een betalingsregeling getroffen van € 200,– per maand en heeft dat bedrag steeds betaald onder vermelding van hetzelfde dossiernummer. [gedaagde] heeft in totaal een bedrag van € 2.400,– voldaan in de periode vanaf maart 2019 tot en met 27 april 2020. [gedaagde] begrijpt dan ook niet waarom er nog een bedrag openstaat en heeft tijdens de zitting gezegd een duidelijk overzicht te willen ontvangen van de door haar betaalde bedragen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Vast is komen te staan dat Menzis met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten en dat [gedaagde] op grond daarvan maandelijks premie moet betalen aan Menzis. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij een bedrag van € 2.400,– heeft voldaan en dat zij daarom niet begrijpt dat er nog een bedrag zoals gevorderd bij dagvaarding openstaat. Menzis heeft erkend dat deze betalingen zijn gedaan, maar heeft toegelicht dat dat die betalingen op openstaande posten van andere dossiers (die op naam van [gedaagde] en haar partner staan) zijn afgeschreven. Tijdens de zitting heeft Menzis toegezegd een duidelijk overzicht te sturen naar [gedaagde] en zijn partijen overeengekomen om na ontvangst hiervan onderling afspraken te maken over de nog openstaande vordering. [gedaagde] heeft vervolgens niet meer gereageerd op de specificatie van Menzis van 30 juli 2020. Aangezien [gedaagde] deze specificatie niet heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van Menzis. Dit betekent dat de door [gedaagde] betaalde bedragen, zoals opgenomen in de specificatie van Menzis, in mindering zijn gebracht op openstaande posten van andere dossiers dan het dossier met nummer [nummer] , waar het in deze zaak om gaat. Het verweer van [gedaagde] dat het door haar betaalde bedrag van € 2.400,– in mindering zou moeten strekken op de vordering in deze zaak, slaagt dus niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Omdat [gedaagde] al een bedrag van € 486,17 heeft voldaan, moet de kantonrechter eerst beoordelen of [gedaagde] naast de hoofdsom ook een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten en rente is verschuldigd aan Menzis. In artikel 6:44 BW is namelijk bepaald dat het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 496,17 eerst in mindering moet worden gebracht op de buitengerechtelijke kosten en de verschenen rente, en dan pas op de hoofdsom.  Voor toewijzing van een vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten moet er geprobeerd zijn om de vordering buitengerechtelijk geïnd te krijgen. Bovendien moet aan de schuldenaar (in dit geval [gedaagde] ) de gelegenheid zijn geboden om het verschuldigde binnen een termijn van 14 dagen, die ingaat de dag na ontvangst van de sommatie daartoe, zonder bijkomende kosten te betalen. Uit het dossier blijkt dat Menzis heeft geprobeerd het nog openstaande bedrag buiten rechte betaald te krijgen. In dat verband heeft Menzis op verschillende data (27 februari 2020, 31 december 2019, 6 november 2019, 23 augustus 2019, 21 juni 2019 en 29 april 2019) kosteloze aanmaningen (hierna: veertiendagenbrieven) verstuurd naar [gedaagde] . Hiernaar is verwezen in de dagvaarding. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij die veertiendagenbrieven (per e-mail) heeft ontvangen. Aangezien tijdige betaling van de in de veertiendagenbrieven vermelde bedragen niet heeft plaatsgevonden, maakt Menzis in beginsel terecht aanspraak op een bedrag van € 264,72 (inclusief btw) wegens de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter tekent hierbij aan dat het bedrag dat [gedaagde] heeft betaald op 28 april 2019, voldaan voor de eerste aanmaning van 29 april 2019, al in mindering was gebracht op de op dat moment openstaande hoofdsom. Dit betekent dat aan de vereisten van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten voldaan en komt het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Vanwege het niet betalen van de hoofdsom is [gedaagde] ook de wettelijke rente van € 22,32 verschuldigd. Zoals hiervoor al is vermeld, heeft [gedaagde] na het verstrijken van de termijn, zoals die is vermeld in de veertiendagenbrief, de kans verspeeld om de hoofdsom zonder bijkomende (door de gemachtigde gemaakte) kosten te voldoen. De kantonrechter zal [gedaagde] dan ook veroordelen tot betaling van dit bedrag aan Menzis, net als de nadien verschuldigde rente. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is dus zowel de hoofdsom als de rente en de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. De bedragen van € 146,17 en € 200,–, die [gedaagde] na het verstrijken van de termijn van de kosteloze aanmaning heeft voldaan, moeten eerst in mindering worden gebracht op de gemaakte kosten. Dit betekent dat [gedaagde] op het moment van de dagvaarding een bedrag van € 1.608,50 (hoofdsom) + € 264,72 (buitengerechtelijke incassokosten) + 22,32 – € 496,17 (betalingen door [gedaagde] ) = € 1.399,37 moet betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Omdat [gedaagde] ongelijk krijgt, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis te betalen een bedrag van € 1.399,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2020 tot aan de dag der voldoening; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van Menzis tot op heden begroot op € 105,09 aan explootkosten, € 499,– aan griffierecht en € 360,– als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J. Lie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2020. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>