<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2020:1442</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-24T13:22:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01/880557-17 ontneming</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2020:1442">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2020:1442</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-10T07:41:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2020:1442 Rechtbank Oost-Brabant , 10-03-2020 / 01/880557-17 ontneming</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2020:1442:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 10 maart 2020 is betrokkene veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking bij benadeelde 1 van een bedrag van € 273.911,90 en voor verduistering in dienstbetrekking bij benadeelde 2 van een bedrag van € 188.239,79. het totaal verduisterde bedrag bedroeg € 462.151,69. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel op dit bedrag vast.</para>
      <para />
      <para>De rechtbank stelt de betalingsverplichting voor verdachte vast op nihil omdat verdachte bij vonnis van 3 januari 2019 (in de civiele procedure) en 10 maart 2020 (in de strafzaak) de vorderingen van benadeelden reeds in rechte heeft toegekend gekregen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2020:1442:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="eca785db-cfc3-41d4-947a-6c7542c56827" depth="16" width="550" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>vonnis</para>
  <section>
    <title>RECHTBANK OOST-BRABANT</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer ontneming: 01/880557-17 
Datum uitspraak: 10 maart 2020
</para>
      <para>Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats en -datum] 1983,</para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak. </title>
    <para>De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 468.741,69 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 februari 2020. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan. </title>
    <para />
    <para> <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis></para>
    <para>Bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 10 maart 2020 is betrokkene veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking bij [benadeelde] van een bedrag van € 273.911,90 en voor verduistering in dienstbetrekking bij [slachtoffer] van een bedrag van € 188.239,79. </para>
    <para />
    <para> <emphasis role="underline">De standpunten van de officier van justitie en van de verdediging.</emphasis></para>
    <para>De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering strekkende tot ontneming van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 468.741,69, maar heeft, gezien de voorliggende vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde] en [slachtoffer] , gevorderd dat de betalingsverplichting kan worden vastgesteld op nihil. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van betrokkene heeft de rechtbank verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat door betrokkene is verkregen in termijnen kan worden betaald aan de gedupeerden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para> <emphasis role="underline">De bewijsmiddelen.</emphasis></para>
    <para>Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para> <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank.</emphasis></para>
    <para>De vordering is tijdig ingediend. Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan betrokkene is veroordeeld. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit de geldbedragen die, toebehoren aan respectievelijk [benadeelde] en [slachtoffer] , en door betrokkene zijn verduisterd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Samenvattend komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Betrokkene heeft het volgende voordeel genoten uit de bij vonnis van 10 maart 2020 bewezen verklaarde verduisteringen in dienstbetrekking:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [benadeelde] :	€ 273.911,90</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">
          [slachtoffer] 			€ 188.239,79	+</emphasis>
      </para>
      <para>Totaal: 				€ 462.151,69</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook vaststellen op een bedrag van € 462.151,69. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de officier van justitie volgen in haar vordering de betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te stellen. De rechtbank stelt vast dat verdachte bij vonnis van 3 januari 2019 (in de civiele procedure) en 10 maart 2020 (in de strafzaak) de vorderingen van [benadeelde] en [slachtoffer] , strekkende tot – onder meer – terugbetaling van de in dienstbetrekking verduisterde geldbedragen, reeds in rechte heeft toegekend gekregen. Bij voormeld vonnis in de strafzaak heeft de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd tot een bedrag van € 273.901,90. De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 januari 2019 aan de benadeelde partij [slachtoffer] in rechte een bedrag van 157.319,70 (methode 1 en 2) en van € 30.920,- (methode 3), in totaal € 188.239,79 toegekend. Nu er geen hoger beroep tegen deze beslissing is ingesteld, is het vonnis van de kantonrechter in kracht van gewijsde gegaan. De rechtbank stelt, gelet hierop, vast dat de aan de benadeelde partijen toegekende bedragen dezelfde bedragen zijn als waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e en 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.</para>
  </section>
  <section>
    <title>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">stelt</emphasis> het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 462.151,69;</para>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">stelt</emphasis> de betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil;</para>
    <para />
    <para>- <emphasis role="bold">wijst</emphasis> het meer of anders gevorderde af.</para>
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,</para>
      <para>mr. R.J. Bokhorst en mr. A.M. Kooijmans-de Kort, leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M. van der Heijden, griffier,</para>
      <para>en is uitgesproken op 10 maart 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>