<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2019:7813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-23T07:29:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WR 19/019</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:7813">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:7813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-23T07:29:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2019:7813 Rechtbank Oost-Brabant , 04-07-2019 / WR 19/019</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2019:7813:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking. Gericht tegen de wrakingskamer die wrakingszaak WR 19/013 behandelt. Regievoering, om zitting in goede banen te leiden. Misbruik van het instrument van wraking</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2019:7813:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="d292e589-f2b5-4060-a1af-15852f4fba4b" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="0170522e-07f3-4379-9139-695241d24196" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold smallcaps">OOST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para>Locatie 's-Hertogenbosch </para>
    <para>Wrakingskamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: WR 19/019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 4 juli 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant, bestaande uit mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, en mr. M.L.W.M. Viering en mr. J.J. Janssen, leden, </para>
      <para>hierna te noemen: de wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot de wraking van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. J.W. Brunt, mr. A.H.J. van de Wetering en mr. C.A. Mandemakers</emphasis>
      </para>
      <para>in hun hoedanigheid van voorzitter respectievelijk leden van de wrakingskamer bij de behandeling van wrakingsprocedure met nummer WR 19/013, </para>
      <para>hierna te noemen: de rechters.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit: </para>
      </parablock>
      <para>- het proces-verbaal opgemaakt van de behandeling ter zitting van de wrakingskamer van 23 mei 2019, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de schriftelijke reactie van de rechters van 4 juni 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het dossier in de wrakingszaak met nummer WR 19/013.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019.</para>
        <para>Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.P. van Knippenbergh. De rechters zijn niet verschenen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1</para>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de wrakingsprocedure met zaaknummer WR 19/013. </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer van 23 mei 2019 volgt dat verzoeker de voorzitter, mr. J.W. Brunt, heeft onderbroken tijdens haar samenvatting van  de eerder door verzoeker ingediende wrakingsgronden, dat de voorzitter dat niet heeft toegelaten, dat aan verzoeker te kennen is gegeven dat hij de gelegenheid zal krijgen om het woord te voeren en dat verzoeker hierop de voorzitter en de overige rechters heeft gewraakt. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat de voorzitter niet eerlijk is, het haar van de rechters niet goed zit, hun gezicht verzoeker niet aan staat en dat zij met een vieze bedorven saus zijn overgoten. Verzoeker sluit het wrakingsverzoek af met de woorden: “Zoek maar een andere rechtbank. Ik wil het niet meer hier in Den Bosch”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.3</para>
        <para>Ter terechtzitting van 20 juni 2019 heeft verzoeker het door hem gedane wrakingsverzoek niet nader toegelicht. Verzoeker heeft na een afwijzende beslissing van de wrakingskamer op het verzoek om het onderhavige wrakingsverzoek te verwijzen naar een wrakingskamer in een ander arrondissement, eerst de wrakingskamer gewraakt en – nadat de wrakingskamer dat verzoek buiten behandeling heeft gesteld – vervolgens de zittingszaal verlaten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor zover verzoeker met de door hem gebezigde woorden zoals aangehaald onder 2.2, laatste volzin, een (herhaald) verzoek doet tot verwijzing van het onderhavige wrakingsverzoek naar een wrakingskamer in een ander arrondissement, althans behandeling van het verzoek door rechters uit een ander gerecht dan de rechtbank Oost-Brabant, oordeelt  de wrakingskamer dat daartoe geen aanleiding bestaat. De situatie van artikel 46b Wet RO doet zich niet voor, zodat verwijzing naar een ander gerecht niet aan de orde is. Evenmin is sprake van een zeer bijzonder geval als bedoeld in artikel 5.5 van het Wrakingsprotocol, waarbij rechters uit een ander gerecht worden ingezet. Het enkele feit dat wrakingsverzoeken door de wrakingskamer van deze rechtbank herhaaldelijk zijn afgewezen levert niet een dergelijk zeer bijzonder geval op. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.3</para>
        <para>De wrakingskamer overweegt dat de regievoering tijdens een zitting in handen ligt van de voorzitter met het doel die zitting in goede banen te leiden. Uit het proces-verbaal van de zitting van 23 mei 2019 blijkt dat verzoeker de voorzitter heeft onderbroken en dat de voorzitter dat niet heeft toegelaten. Het ingrijpen van de voorzitter getuigt niet van (de schijn van) vooringenomenheid, te minder omdat de voorzitter heeft aangegeven dat verzoeker later tijdens die zitting de gelegenheid zou krijgen om het woord te voeren. De door verzoeker aangevoerde gronden voor de wraking van de wrakingskamer kunnen gelet hierop en omdat de overige leden van de wrakingskamer tot het indienen van het  wrakingsverzoek geen uitlatingen hebben gedaan dan ook niet de conclusie dragen dat de wrakingskamer blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens verzoeker dan wel dat de wrakingskamer de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.4</para>
        <para>Daarnaast zal de wrakingskamer – met inachtneming van de overwegingen van de Hoge Raad in het op 25 augustus 2018 gewezen arrest, gepubliceerd onder ECLI:HR:NL:2018:1770 – bepalen dat elk volgend wrakingsverzoek van een van de rechters in de wrakingsprocedure met zaaknummer WR 19/013 niet meer in behandeling wordt genomen, omdat dergelijke verzoeken als evident misbruik van het middel van wraking worden aanmerkt. Dat van dergelijk evident misbruik sprake is blijkt uit de stapeling van wrakingsverzoeken en uit de door verzoeker geformuleerde wrakingsgronden, die niet als serieuze wrakingsgronden kunnen worden aangemerkt.   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek tot wraking van de rechters in wrakingsprocedure met nummer WR 19/013 af;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van een van de rechters in de wrakingsprocedure met zaaknummer WR 19/013 niet meer in behandeling zal worden genomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door:</para>
      <para>mr. H.M.H. de Koning, voorzitter,  </para>
      <para>mr. M.L.W.M. Viering en mr. J.J. Janssen, leden,  </para>
      <para>in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,</para>
      <para>en is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier:							de voorzitter: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>