<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2019:7771</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-09T13:53:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-08-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7550180 19-1696</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Eindhoven</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:7771">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:7771</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-09T13:53:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2019:7771 Rechtbank Oost-Brabant , 29-08-2019 / 7550180 19-1696</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2019:7771:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Staking cabinepersoneel. Per geval moet beoordeeld worden of er sprake is van een buitengewone omstandigheid. Door luchtvaartmaatschappij is in dit geval niet aangetoond dat luchtvaartmaatschappij er daadwerkelijk geen invloed op had om de staking te voorkomen. De gevorderde compensatie wordt daarom toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2019:7771:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="72cd730b-0cf8-4608-a88b-d19043e6d4ed" depth="16" width="550" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel Recht</para>
      <para>Zittingsplaats Eindhoven</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 7550180</para>
      <para>Rolnummer	: 19-1696</para>
      <para>Uitspraak 	: 29 augustus 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421, in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigde: mr. D.E. Lof,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap naar buitenlands recht<emphasis role="bold"> Ryanair DAC,</emphasis></para>
      <para>gevestigd te Swords, Co. Dublin, Ierland,</para>
      <para>verweerster,  </para>
      <para>gemachtigde: mr. A.C.J. Houwers, Dirkzwager advocaten &amp; notarissen N.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Dit blijkt uit het volgende:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>het vorderingsformulier A van de verordening (EG) nr. 861/2007 met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>conclusie van repliek;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>conclusie van dupliek met productie;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte uitlating producties.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen staat, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>Eiser had een vlucht geboekt voor 28 september 2018 met vlucht FR1823 van Valencia, Spanje naar Eindhoven Airport, Nederland.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De vlucht is door verweerster geannuleerd. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiser stelt het volgende. Aangezien vlucht FR1823 werd geannuleerd heeft hij op grond van Verordening 261/2004 (hierna de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) inzake onder meer <emphasis role="italic">[naam 1]</emphasis> en <emphasis role="italic">[naam 2]</emphasis> recht op financiële compensatie van € 250,00. Van een buitengewone omstandigheid was geen sprake. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van het voorgaande vordert eiser betaling van een hoofdsom van </para>
        <para>€ 250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2018 en de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Verweerster voert het volgende verweer. Er is sprake geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Op 28 september 2018 staakte een deel van het cabinepersoneel. Deze staking is aan te merken als een buitengewone omstandigheid die niet inherent is aan de dagelijkse activiteiten van verweerster en zij had hier ook geen controle over. Zij heeft zich ingespannen om de staking te vermijden. Annulering kon ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Primair verzoekt verweerster daarom de vordering af te wijzen met veroordeling van eisers in de proceskosten en nakosten. Subsidiair dienen bij een toewijzing van de hoofdsom de gevorderde wettelijke rente en de vordering voor (overige) kosten te worden afgewezen. 	</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">4. De beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de Europese procedure voor geringe vorderingen valt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Voorts wordt vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Meer specifiek is, gelet op het [naam 3] -arrest (LJN: BJ2979, Hof van Justitie EG/EU, 09-07-2009, C-204/08), de kantonrechter te Eindhoven bevoegd omdat de overeengekomen plaats van aankomst Eindhoven is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Beoordeeld dient te worden of verweerster terecht een beroep doet op artikel 5 lid 3 van de Verordening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Vooropgesteld wordt dat eiser in het onderhavige geval, op grond van artikel 5 lid 1 sub c van de Verordening, in beginsel recht heeft op de in artikel 7 van de Verordening genoemde compensatie van (in dit geval) € 250,00 per passagier. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De luchtvervoerder is niet verplicht die compensatie te betalen indien er sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Verweerster heeft enkel aangevoerd dat zij op het moment van staking in onderhandeling was met de vakbonden, maar hieruit volgt niet per definitie dat de staking voor verweerster niet voorzienbaar was en ook niet dat verweerster er daadwerkelijk geen invloed op had om de staking te voorkomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Dit betekent dat verweerster niet heeft aangetoond dat de annulering van vlucht FR1823 is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid. De uitspraken waar verweerster naar heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Deze uitspraken betreffen een andere stakingen en de annulering van een andere vluchten. Ook het beroep op artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, kan niet tot een ander oordeel leiden. Per geval dient immers te  worden beoordeeld of sprake is van een buitengewone omstandigheid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Het beroep van verweerster op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening, kan dan ook niet slagen. De vordering van eisers tot betaling van een compensatie van € 250,00 zal worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Tegen de gevorderde wettelijke rente is door verweerster geen afzonderlijk inhoudelijk verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>Verweerster wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt verweerster om aan eisers te betalen de som van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 september 2018 tot aan de dag van voldoening; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt verweerster in de kosten van de procedure, aan de zijde van eisers tot heden vastgesteld op € 81,00 aan griffierecht en € 144,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), met de wettelijke rente hierover vanaf de 15e dag nadat gedaagde partij schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2019.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>