<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2019:4278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-26T11:26:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19.15426</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2019:2977" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2977, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:4278">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:4278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-26T11:26:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2019:4278 Rechtbank Oost-Brabant , 17-07-2019 / 19.15426</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2019:4278:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Op 25 juni 2019 is aan de vreemdeling de maatregel van bewaring opgelegd. Verweerder heeft de maatregel, die vanaf 28 juni 2019 onrechtmatig was voortgezet, op vrijdag 12 juli 2019 opgeheven en tevens op die datum – middels het uploaden van de brief – aan de vreemdeling een schadevergoeding van € 1.120,- en een proceskostenvergoeding van € 525,- aangeboden en gevraagd of eiser hierin aanleiding zag om zijn beroep in te trekken. Omdat hierop geen reactie was gekomen heeft de griffier op maandagmorgen 15 juli 2019, voorafgaand aan de zitting met de gemachtigde van eiser gebeld om een reactie. De gemachtigde gaf toen te kennen het beroep niet in te willen trekken en verscheen later die dag op zitting, stellende dat de rechtbank de brief van verweerder van 12 juli 2019 niet mocht aanvaarden omdat deze niet per post aan de gemachtigde van eiser was toegezonden. De rechtbank volgt de gemachtigde van eiser daar niet in omdat bewaringszaken nu eenmaal volledig digitaal behandeld worden en kent aan eiser in de uitspraak daarom een proceskostenvergoeding toe conform het aanbod van verweerder, te weten € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2019:4278:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL19.15426</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , geboren op [datum] 2000, van Marokkaanse nationaliteit, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot het verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 12 juli 2019 de maatregel van bewaring opgeheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2019. Voor eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de voortduring van de maatregel van bewaring met ingang van 28 juni 2019 onrechtmatig is geworden. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring 14 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.120,-.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het verschijnen ter zitting van zijn gemachtigde. Verweerder heeft reeds op 12 juli 2019 aan eiser een schadevergoeding van € 1.120,- en een proceskostenvergoeding van € 512,- aangeboden. Het betoog van de gemachtigde van eiser ter zitting dat de aanbiedingsbrief die door verweerder aan het digitale dossier is toegevoegd niet door de rechtbank aanvaard kan worden omdat er niet eerst een schriftelijk bericht aan hem is verzonden, volgt de rechtbank niet. De gemachtigde van eiser is ermee bekend dat bewaringszaken volledig digitaal worden behandeld en afgedaan. Ook een aanbod tot finale kwijting moet dus via het digitale dossier worden overgelegd. Eiser heeft ter zitting geen reden aangevoerd waarom hij voor de zitting geen kennis heeft kunnen nemen van het aanbod tot finale kwijting. Bovendien heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting telefonisch contact met de gemachtigde van eiser gehad over dit aanbod. Gelet op het voorgaande valt dan ook niet in te zien welk belang (de gemachtigde van) eiser had bij het verschijnen ter zitting in deze zaak. Dat het voor eiser een principiële kwestie is, maakt dit niet anders. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;<?linebreak?>- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.120,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 512,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 17 juli 2019 door mr. M. van 't Klooster, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>