<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2019:4036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-28T09:44:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/2607</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:4036">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:4036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-28T09:43:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2019:4036 Rechtbank Oost-Brabant , 09-07-2019 / 18/2607</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2019:4036:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bestuursrecht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2019:4036:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SHE 18/2607</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad</emphasis>, verweerder,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C. Königs).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 17 oktober 2018 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen<?linebreak?></title>
    <para>1. Iemand die beroep instelt moet, op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank – na een herstelmogelijkheid – het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.</para>
    <para />
    <para>2. Vaststaat dat eiseres geen gronden heeft vermeld in het digitaal beroepschrift van <?linebreak?>25 oktober 2018. De rechtbank heeft eiseres daarom bij brief van 31 oktober 2018 verzocht om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Gelet op deze brief moesten de gronden op uiterlijk 28 november 2018 bij de rechtbank ontvangen zijn.</para>
    <para />
    <para>3. Eiseres heeft de rechtbank op 28 november 2018 verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden. De rechtbank heeft dezelfde dag gebeld met eiseres en haar medegedeeld dat geen uitstel wordt verleend, omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn aangedragen. Tijdens het telefoongesprek is aangegeven dat alsnog binnen de gestelde termijn gereageerd moet worden. Het voorgaande heeft de rechtbank daarna ook schriftelijk bevestigd.</para>
    <para />
    <para>4. Vervolgens heeft eiseres op 29 november 2018 telefonisch contact opgenomen met de rechtbank. Eiseres heeft aangegeven dat tijdens dat telefoongesprek door een medewerkster van de rechtbank is medegedeeld dat eiseres tot 1 december 2018 de gelegenheid heeft om  beroepsgronden in te dienen. De rechtbank heeft navraag gedaan bij de desbetreffende medewerkster en deze heeft bevestigd dat zij voorgaande mededeling gedaan kan hebben.  De rechtbank zal daarom uitgaan van 1 december 2018 als laatste dag waarop de gronden bij de rechtbank ontvangen moesten zijn. Omdat 1 december 2018 op een zaterdag valt, wordt de termijn – op grond van de Algemene termijnenwet – verlengd tot en met de eerstvolgende werkdag, waardoor de uiteindelijke datum uitkomt op 3 december 2018.<?linebreak?></para>
    <para>5. Eiseres heeft op 3 december 2018, dus binnen de gestelde termijn, beroepsgronden ingediend. Echter zien deze gronden niet op het bestreden besluit. Kort gezegd heeft eiseres niet met specifieke punten aangegeven waarom zij het niet eens is met het besluit van 17 oktober 2018. Hetgeen door eiseres is aangevoerd betreft slechts een uiting van ongenoegen over (eerdere) beslissingen van verweerder en dit valt, wat hier verder ook van zij, buiten de omvang van deze procedure.<?linebreak?></para>
    <para>6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, rechter, in aanwezigheid van<?linebreak?>M.J.J.M.C. van Schaijk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op<?linebreak?>9 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier								rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>