<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2018:1855</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T00:34:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/01/331979 / KG ZA 18-143</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2018/171</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2018:1855">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2018:1855</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-20T14:24:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2018:1855 Rechtbank Oost-Brabant , 16-04-2018 / C/01/331979 / KG ZA 18-143</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2018:1855:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding, opheffen beslag</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2018:1855:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="20a1c332-321d-4536-a163-e154e6264a73" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="45aa7032-720c-46b4-a9cb-9e100936679b" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel Recht</para>
      <para>Zittingsplaats 's-Hertogenbosch</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/01/331979 / KG ZA 18-143</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 16 april 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [eiseres sub 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[eiseres sub 2]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiseressen,</para>
      <para>advocaat mr. A.W. van Dooren-Korenstra te Vught,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. B. Poort te Eindhoven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiseressen] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 29 maart 2018 met 11 producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van mr. Poort van 12 april 2018 met 2 producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van mr. Van Dooren van 12 april 2018 met de producties 12 tot en met 15. </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling op 16 april 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de wijziging van eis, althans het aanvullen van het petitum;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitaantekeningen van [eiseressen] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitnota van [gedaagde] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft terstond mondeling vonnis gewezen, door mededeling van de zakelijke inhoud ervan waarvan dit de schriftelijke en uitgewerkte neerslag vormt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Voor een weergave van de feiten wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:209. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vorderingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseressen] vorderen na aanvulling van het petitum: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>I. de opheffing van de door [gedaagde] op 2 maart 2018 gelegde beslagen op:</para>
      </parablock>
      <para>- de onroerende zaken;</para>
      <para>- op de bankrekeningen van [eiseressen] (moeder en [eiseres sub 2] );</para>
      <para>- op de bankrekeningen van wijlen [naam overledene] ;</para>
      <parablock>
        <para>II. [gedaagde] te verbieden opnieuw beslag te leggen op basis van gronden die geraakt</para>
        <para>      worden door de feiten waarover het Hof en de Hoge Raad in casu reeds onherroepelijk</para>
        <para>      hebben geoordeeld;</para>
        <para>III. [gedaagde] bij gebreke van I. en II. te veroordelen tot voldoening van een dwangsom</para>
        <para>     van € 10.000,00 per keer alsmede 2.500,00 voor iedere dag dat een dergelijk beslag</para>
        <para>      voortduurt;</para>
        <para>IV. [gedaagde] te veroordelen in de werkelijk gemaakte (proces)kosten in deze</para>
        <para>     procedure, begroot op € 6.500,00.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Omdat in art. 705 Rv het vereiste van spoedeisend belang niet wordt genoemd, is het spoedeisend belang van [eiseressen] bij hun vorderingen gegeven. Daar komt bij dat beslagen het persoonlijk in duurzaam gebruik nemen van het verhuurde door [eiseressen] onmogelijk (zullen) maken dan wel aanmerkelijk (zullen) bemoeilijken en hebben [eiseressen] spoedeisend belang bij hun vorderingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiseressen] als erfgenamen van [naam overledene] (hierna: [naam overledene] ) zijn vermogen onder algemene titel hebben verkregen. Zij kunnen zich ex art. 6:142 BW beroepen op het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4542, dat als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2018 inmiddels gezag van gewijsde heeft. Dat ook de Hoge Raad meent dat [eiseressen] zich op het genoemde arrest van het Hof kunnen beroepen en dit arrest in de relatie tussen [eiseressen] enerzijds en [gedaagde] anderzijds de rechtspositie van partijen bindend heeft vastgesteld blijkt uit het feit dat de Hoge Raad in de kop van zijn arrest enerzijds spreekt over wijlen [naam overledene] en anderzijds in het dictum de datum waarop de huurovereenkomst eindigt op 1 mei 2018 heeft vastgesteld en het tijdstip van de ontruiming heeft vastgesteld op 30 april 2018.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat voor de vordering tot betaling van het in het arrest van het Hof genoemde bedrag van € 20.000 (tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten) inmiddels door [eiseressen] zekerheid is gesteld door overboeking op de kwaliteitsrekening van hun advocaat. Thans is nog geenszins zeker dat [eiseressen] ook de door het Hof vastgestelde bedragen van € 40.000 (aanvullende tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten) en € 220.530 (te betalen bedrag als de wil van de verhuurder om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig blijkt zijn geweest) aan [gedaagde] dienen te betalen. Omdat enerzijds niet zeker is dat [eiseressen] ook de bedragen van € 40.000 en € 220.530 zullen moeten betalen en anderzijds de beslagen het persoonlijk in duurzaam gebruik nemen van het verhuurde onmogelijk zullen maken dan wel aanmerkelijk zullen bemoeilijken, dienen de door [gedaagde] ten laste van [eiseressen] gelegde beslagen te worden opgeheven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Dat [gedaagde] op 1 oktober 2015 ten laste van [naam overledene] beslag heeft gelegd, staat aan opheffing van de door hem ten laste van [eiseressen] gelegde beslagen niet in de weg. Desgewenst kunnen [eiseressen] ook opheffing van de door [gedaagde] ten laste van [naam overledene] gelegde beslagen vorderen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Een verbod om in de toekomst beslag te leggen, gaat de voorzieningenrechter te ver. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor een veroordeling van [gedaagde] dit vonnis over te leggen als hij wederom om verlof voor conservatoir beslag zou verzoeken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Wat de voorzieningenrechter betreft heeft [gedaagde] door het leggen van de beslagen geen misbruik van procesrecht gemaakt. Voor een veroordeling in de daadwerklelijke advocaatkosten, bestaat dan ook geen ruimte. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseressen] worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding	€ 	 98,01</para>
      <para>- griffierecht		291,00</para>
      <para>- overige kosten		  0,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	816,00</emphasis></para>
      <para>Totaal	€ 	1.205,01</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] de op 2 maart 2018 ten laste van [eiseressen] gelegde beslagen op de onroerende zaken op te heffen binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis;  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] de op 2 maart 2018 gelegde bankbeslagen ten laste van [eiseressen] en ten laste van wijlen [naam overledene] op te heffen binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis;  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in het geval van een nieuw verzoek om verlof voor conservatoir beslag ten laste van [eiseressen] dit vonnis aan de voorzieningenrechter bij wie dat verzoek wordt ingediend over te leggen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseressen] een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1., 5.2. en 5.3. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseressen] tot op heden begroot op € 1.205,01,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>