<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2018:1025</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-06T15:16:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-02-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">6384131 / 17-9104</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Eindhoven</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2018:1025">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2018:1025</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-06T15:14:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2018:1025 Rechtbank Oost-Brabant , 15-02-2018 / 6384131 / 17-9104</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2018:1025:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Q-park. 'treintje rijden'.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2018:1025:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Civiel Recht Eindhoven </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 6384131</para>
      <para>Rolnummer 	: 17-9104</para>
      <para>Uitspraak 	: 15 februari 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Q-Park Operations Netherlands II B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Maastricht,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. Ch.F.P.M. Spreksel, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n :</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘Q-Park’ en ‘ [gedaagde] ’. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het verdere verloop van het geding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit blijkt uit de stukken die aan het dossier zijn toegevoegd, te weten</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het tussenvonnis;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de door Q-Park voorafgaand aan de comparitie ingediende stukken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de verslagaantekeningen van de comparitie van partijen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Q-Park vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 393,30, vermeerderd met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding. </para>
        <para>Zij legt daaraan ten grondslag dat:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>door de in de parkeergarage aanwezige camera’s is geconstateerd dat [gedaagde] bij het uitrijden uit de parkeergarage op 20 november 2016 om 05.04 uur noch met een ticket noch met een betaalpas of abonnement is uitgereden; het zogenoemde ‘treintje rijden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde] is haar verschuldigd het tarief van de verloren kaart ad € 42,--, een bedrag van € 300,00 ter zake van aanvullende schadevergoeding verschuldigd en een bedrag van </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>€ 51,30 aan buitengerechtelijke incassokosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] stelt daar tegenover, zakelijk weergegeven en voor zover van belang:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>hij erkent dat hij treintje heeft gereden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>hij was zijn kaartje kwijt, maar het was midden in de nacht en er was niemand om informatie aan te vragen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>hij is bereid om € 340,-- te betalen, hoewel hij dat bedrag niet redelijk vindt. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft bij antwoord erkend dat haar medewerker de parkeergarage heeft verlaten door middel van ‘treintje rijden’, zodat dit tussen partijen vaststaat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Q-Park heeft bij repliek aangevoerd dat [gedaagde] gebruik had kunnen maken van de verschillende belknoppen in de parkeeraccomodatie voor verdere assistentie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Van de vervolgens geboden gelegenheid hierop te reageren heeft [gedaagde] geen gebruik gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Dit betekent dat het verweer van [gedaagde] dat er niemand was om informatie aan te vragen niet kan slagen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Aangezien [gedaagde] de niet weersproken (nadere) stellingen van [Q-park] het verweer van [gedaagde] voldoende weerleggen is het tarief van de verloren kaart ad € 42,-- alsmede het bedrag van € 300,00 ter zake van de aanvullende schadevergoeding toewijsbaar. De rente is toewijsbaar zoals in het dictum is weergeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Q-Park maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan [gedaagde] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt verder vast dat [gedaagde] ten tijde van de dagvaarding een betalingsachterstand had. Het is in die zin dan ook aan hem toe te rekenen dat het tot de onderhavige procedure heeft moeten komen. [gedaagde] zal daarom  als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van</para>
      <para>€ 342,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Q-Park tot vandaag begroot op </para>
      <para>€ 83,51 ter zake dagvaardingskosten, € 117,00 ter zake griffierecht en € 120,00 ter zake salaris gemachtigde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde]  in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 30,-- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis en met de wettelijke rente over de nakosten vanaf 14 dagen nadat [gedaagde] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand tot de dag der voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Knaapen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op de in de aanhef vermelde datum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>