<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOBR:2016:2262</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-05-09T13:31:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Oost-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Oost-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-05-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">01/845976-14</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2016:2262">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2016:2262</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-05-09T13:25:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOBR:2016:2262 Rechtbank Oost-Brabant , 09-05-2016 / 01/845976-14</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOBR:2016:2262:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voor het in brand steken van een personenauto die in de nachtelijke uren in een woonwijk stond geparkeerd, wordt verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOBR:2016:2262:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="858fb8b3-34f6-4a82-903b-6359fb41c9a2" depth="16" width="550" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>vonnis</para>
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK OOST-BRABANT</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Strafrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Parketnummer: 01/845976-14<?linebreak?>Parketnummer vordering: 02/206252-12</para>
    <para>Datum uitspraak: 09 mei 2016	</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,</para>
      <para>wonende te [adres 1] .
</para>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 april 2016.</para>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De tenlastelegging.</emphasis>
      </para>
      <para>De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 januari 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">hij op of omstreeks 28 december 2014 in de gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen aldaar opzettelijk
- een auto (Fiat 500) met een brandbare (vloei)stof overgoten en/of
- (vervolgens) die brandbare stof in brand gestoken,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor naast geparkeerde
auto's te duchten was.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De vordering na voorwaardelijke veroordeling.</emphasis>
      </para>
      <para>De zaak met parketnummer 02/206252-12 is aangebracht bij vordering van 8 januari 2016. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Zeeland-West Brabant d.d. 31 oktober 2013. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht </para>
      <para>(<emphasis role="italic">bijlage 1).</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">De formele voorvragen.</emphasis>
      </para>
      <para>Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bewijs</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bronnen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. een eindproces-verbaal van de regiopolitie Oost-Brabant, dossiernummer PL2100-2014200668, afgesloten vermoedelijk d.d. 7 september 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 82. Dit eindproces-verbaal bevat een verzameling wettig opgemaakt processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede andere bescheiden;  </para>
    <para />
    <para>2. een verklaring van [getuige 1] afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 20 mei 2015.</para>
    <para />
    <para>3. een verklaring van [getuige 2] afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 14 mei 2015.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para>Aan de orde is de beschuldiging dat verdachte samen met een ander een personenauto</para>
      <para>in brand heeft gezet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie.</emphasis>
      </para>
      <para>Het feit kan worden bewezen. Verdachte kan op grond van de bewijsmiddelen, bijeen-genomen, aangemerkt worden al (mede)pleger van de brandstichting. Hij erkent zijn betrokkenheid ook in een door [getuige 2] opgenomen filmpje kort na zijn aanhouding.</para>
      <para>De officier van justitie heeft dit filmpje bekeken en uitgeluisterd en hiervan een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging.</emphasis>
      </para>
      <para>Het door [getuige 2] opgenomen filmpje is in beslag genomen noch gevoegd in het proces-dossier. Enige controle van het door de officier van justitie opgemaakte proces-verbaal </para>
      <para>van bevindingen van het uitkijken van het filmpje is dan ook niet mogelijk gebleken. Dat betekent een schending van het beginsel van equality of arms. Bovendien blijkt uit diverse stukken waaronder de bevindingen van de officier van justitie dat de ‘bekentenis’ van verdachte door middel van geweld is afgedwongen. Dat betekent een schending van het in art. 3 van het EVRM neergelegde martelverbod. Het een en ander dient te leiden tot bewijsuitsluiting van genoemd proces-verbaal van bevindingen dan wel de daarin opgetekende uitlatingen van verdachte. Verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de brandstichting en uit de bewijsmiddelen blijkt ook niet dat verdachte degene is geweest die de auto in brand het gezet. Evenmin volgt daaruit dat hij een voor medeplegen vereiste essentiële bijdrage aan de brandstichting heeft geleverd. Conclusie: vrijspraak.    </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">I. Bespreking verweren verdediging.</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank verwerpt het beroep op bewijsuitsluiting zoals hiervoor onder het kopje</para>
        <para>‘het standpunt van de verdediging’ is verwoord.  </para>
        <para>De rechtbank oordeelt dat, hoewel het betreffende filmpje geen deel uitmaakt van het procesdossier, geen sprake is van een schending van het beginsel van equality of arms. De  officier van justitie heeft in haar proces-verbaal van 5 juni 2015 op ambtsbelofte beschreven wat zij op het filmpje heeft gezien en gehoord. Daarbij heeft zij aangegeven dat de heer [getuige 2] bereid was om, indien de rechtbank het noodzakelijk zou vinden, het filmpje bij de rechter-commissaris te vertonen (<emphasis role="italic">p. 36 eindpv</emphasis>). De verdediging heeft van deze toetsings-mogelijkheid echter geen gebruik gemaakt en evenmin ter terechtzitting een daartoe strekkend verzoek geformuleerd. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank de grondslag van het verweer komen te ontvallen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank leidt uit diverse stukken af dat verdachte kort voorafgaande aan zijn opgenomen uitlatingen door  derden is mishandeld en dat hij ten tijde van de opname </para>
        <para>door meerdere personen werd omringd. Naar het oordeel van de rechtbank komt de ver-</para>
        <para>dediging echter, hoezeer afkeuringswaardig de geschetste gang van zaken ook is, geen geslaagd beroep toe op het martelverbod of pressieverbod, omdat het onoorbare handelen niet door, namens of onder verantwoordelijkheid van aan het opsporingsapparaat verbonden medewerkers is begaan. Wel zal de rechtbank met de betreurde handelwijze in straf-matigende zin rekening houden. Voor wat de betrouwbaarheid van de uitlatingen betreft stelt de rechtbank vast dat de uitlatingen zeer specifieke informatie bevatten passend binnen de verklaring van [getuige 2] . Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit een belangrijke contra-indicatie voor onbetrouwbaarheid. De rechtbank acht de uitlatingen van verdachte zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van de officier van justitie en hierna onder het kopje II  letterlijk zijn weergegeven dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">II. Bespreking bewijs.</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank kent betekenis toe aan de navolgende feiten en omstandigheden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 28 december 2014 te 04:49 uur komt de melding binnen dat er in de Hildebrandstraat te ’s-Hertogenbosch een personenauto in  brand staat en dat twee personen zijn weggerend.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(bron 1, relaas van bevindingen, p. 3)  </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aangeefster [slachtoffer] , wonende aan [adres 2] te ’s-Hertogenbosch, ziet </para>
        <para>op 28 december 2014, omstreeks 04:50 uur, dat haar ter hoogte van haar woning geparkeerd staande gele personenauto van het merk Fiat, type 500 ( [kenteken] ) in brand staat. <emphasis role="italic">(bron 1, verklaring [slachtoffer] ,  p. 24) </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [getuige 1] , de dochter van [slachtoffer] , hoort op 28 december 2014, omstreeks 04:50 uur, een luide knal en ziet dat de gele Fiat van het type 500 in brand staat. Zij ziet</para>
        <para>een man van de Fiat wegrennen, achtervolgd door meerdere personen. Het betreft een kale man. (<emphasis role="italic">verklaringen [getuige 1] , bron 1, p. 28 en bron 2, p. 1)</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kort na 04:49 uur de [adres 2] inrijden, zien zij de brandweer een aan de rechterzijde van de weg in brand staande auto</para>
        <para>blussen. Verbalisanten worden aangesproken door [getuige 2] en vernemen van hem dat de dader voor de brandweerauto ligt. Aldaar zien verbalisanten een blanke man, met een bebloed gezicht en hoofd, op zijn knieën zitten. Meerdere (onbekend gebleven) omstanders wijzen de man aan als zijnde de brandstichter. Verbalisanten constateren dat de kleding van de man sterk naar benzine ruikt. Een omstander overhandigt verbalisanten een benzinecan met de mededeling dat de man deze can bij zich had. Verbalisanten houden de man aan, zijnde [verdachte] .  <emphasis role="italic">(bron 1, relaas van bevindingen, p. 22-23</emphasis>)</para>
        <para>Als verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] omstreeks 05:20 uur ter plaatse arriveren, vernemen zij van [getuige 2] dat hij beelden heeft met daarop bewijs dat de aangehouden man de brand heeft gesticht. <emphasis role="italic">(bron 1, relaas van bevindingen, p. 26)</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [getuige 2] , echtgenoot van [slachtoffer] , bevindt zich op 28 december 2014, omstreeks 04:50 uur, met enkele kennissen in zijn woonkamer en ziet twee mannen bij de Fiat staan. Een van de mannen heeft een jerrycan vast en maakt daarmee schuddende bewegingen. [getuige 2] ziet vervolgens een steekvlam bij de Fiat en geeft zijn kennissen de opdracht om de twee mannen te pakken. [getuige 2] ziet vijf minuten later dat zijn kennissen </para>
        <para>een blanke kale man hebben gepakt. (<emphasis role="italic">bron 1, verklaring [getuige 2] , p. 30</emphasis>) [getuige 2] heeft </para>
        <para>op zijn mobiele telefoon een bekentenis van de man opgenomen, inclusief diens opdracht-gever. <emphasis role="italic">(bron 1, pv-bevindingen, p. 32) </emphasis>Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 2] dat een van de twee personen met een jerrycan aan het zwaaien was boven de auto. Hierna hoorde [getuige 2] een knal. [getuige 2] heeft van anderen vernomen dat de gepakte man degene was die de auto in brand had gestoken. Volgens [getuige 2] is de man lid van de motorclub [naam] waarvan [getuige 2] ook lid is geweest. (<emphasis role="italic">bron 3, verklaring [getuige 2] , p. 1</emphasis>)       </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Officier van justitie mr. J.M. Kramer heeft op 5 juni 2015 het door [getuige 2] opgenomen filmpje bekeken en haar bevindingen gerelateerd, letterlijk:</para>
        <para>‘In beeld is een ineengedoken man (op de hurken gezeten, hoofd naar beneden gebogen, kennelijk met het doel deze te beschermen), met een kaal en deels bebloed. Hierna zal ik deze persoon duiden met ‘kale man’. Op de grond is schuim te zien. Naar mijn inschatting heeft de brandweer de brand geblust met schuim. Verder is nog een andere arm te zien, die probeert de kale man te raken (slaan). Te horen is de stem van dhr. [getuige 2] die praat tegen de ‘kale man’. Te horen is het volgende:</para>
        <para>
          [getuige 2] : Wat heb je met de auto gedaan? Wat heb je met de auto gedaan? Van wie moest je dat doen?</para>
        <para>Kale man: Van Chapter Tilburg, security Tilburg</para>
        <para>
          [getuige 2] : Waarom doe je het bij mij?</para>
        <para>Kale man: Ik wist niet dat het van jou was.’</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(bron 1, pv-bevindingen,  p. 36</emphasis>)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De laarzen van verdachte zijn inbeslaggenomen, onder goednummer 723946 (<emphasis role="italic">kennisgeving beslag, bron 1, p. 77).</emphasis> De laarzen zijn veiliggesteld met SIN AAHV1627NL en onderzocht door het NFI. Het NFI heeft hierop vluchtige stoffen aangetroffen afkomstig van motor-benzine. (<emphasis role="italic">bron 1, pv-bevindingen 59-60 en rapport NFI p. 63)</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de resultaten van het brandonderzoek van de personenauto Fiat 500 ( [kenteken] ) blijkt onder meer dat de aangetroffen sporen passen in de verklaring dat de auto in brand is gezet door een vloeistof over het autodak te sprenkelen en te ontsteken. Voorts wordt vastgesteld dat er door de autobrand gemeen gevaar voor goederen aanwezig was, nu de auto langs de straat stond geparkeerd en de auto ervoor ook zwart begon te worden. <emphasis role="italic">(bron 1, pv-bevin-dingen, p. 44-46).</emphasis> De rechtbank ziet het gemeen gevaar voor goederen voor de aan de voor- en achterzijde van de uitgebrande Fiat geparkeerd staande auto’s evident terug op een foto van de plaats delict. <emphasis role="italic">( bron 1, foto, p. 49 onderaan</emphasis>) </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de foto op de ID-staat SKDB blijkt dat verdachte op 30 december 2014 een kaal hoofd had. (<emphasis role="italic">bron1, p. 11-12</emphasis>)    <?linebreak?></para>
        <para>De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen, bezien in onderling verband en samenhang, af</para>
        <para>dat verdachte in de nachtelijke uren samen met een andere betrokkene bij de onderhavige Fiat stond, een van hen de bovenzijde van de auto met benzine besprenkelde waarna de auto in brand werd gezet, beiden wegrenden, waarna verdachte enkele minuten later werd gepakt terwijl hij naar benzine rook en op zijn laarzen benzine zat. Dit alles gecombineerd met de door de officier van justitie opgetekende uitlatingen van verdachte, waaruit naar het oordeel van de rechtbank ontegenzeggelijk blijkt van een vooropgezet plan om de auto in brand te steken, brengt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is geweest van een voor mede-plegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere betrokkene bij de brandstichting. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat er geen DNA van verdachte op de dop van de jerrycan is aangetroffen, acht de recht-bank, anders dan de raadsman, niet van doorslaggevend belang nu er naast verdachte sprake is van een medepleger.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft er op gewezen dat [getuige 2] heeft verklaard dat de gepakte man (verdachte) een trainingspak droeg, dit terwijl uit de beslagstukken blijkt dat verdachte een jeans en een trui met capuchon droeg. Anders dan de raadsman verbindt de rechtbank daar niet de conclusie aan dat verdachte niet de kale man is die ten tijde van de brandstichting bij de auto is waargenomen. De rechtbank beschouwt de afwijkende beschrijving van [getuige 2] over de kleding van verdachte als een kennelijke vergissing zonder belang voor de bewijs-</para>
        <para>constructie, omdat [getuige 2] deze kleding eerst bij verdachte heeft waargenomen nadat </para>
        <para>deze door de kennissen van [getuige 2] was gepakt en hij ( [getuige 2] ) niet heeft verklaard dat </para>
        <para>een man in een trainingspak met een jerrycan in de weer was geweest.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het door verdachte eerst bij de rechter-commissaris geschetste scenario dat hij als niets-vermoedende passant door derden naar de bewuste plek is gesleurd en is besprenkeld met benzine, overtuigt de rechtbank bezien in het licht van de inhoud van de bewijsmiddelen   allerminst. Met name ook niet nu verdachte in diezelfde verklaring desgevraagd niet kon aangeven wat hij in ’s-Hertogenbosch deed omstreeks 04:50 uur en hij voorts aangaf niet vaak in ’s-Hertogenbosch te komen. In dit verband acht de rechtbank van belang om op te merken dat verdachte in [adres 1] woont op ruim 40 kilometer afstand van ’s-Hertogenbosch. De rechtbank acht de alternatieve lezing van verdachte, die er voor heeft gekozen om </para>
        <para>niet ter terechtzitting te verschijnen en kennelijk geen nadere toelichting heeft willen geven, </para>
        <para>dan ook niet aannemelijk.    </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">De bewezenverklaring.</emphasis>
        </para>
        <para>Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is</para>
        <para>dat verdachte:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">op 28 december 2014 in de gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, en zijn mededader toen aldaar opzettelijk
-een auto (Fiat 500) met een brandbare vloeistof overgoten en
-vervolgens die brandbare stof in brand gestoken,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor naast geparkeerde auto's te duchten was.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De strafbaarheid van het feit.</emphasis>
        </para>
        <para>Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.</para>
        <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De strafbaarheid van verdachte.</emphasis>
        </para>
        <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Oplegging van straf.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De eis van de officier van justitie. </emphasis>
          <emphasis role="italic">(bijlage 2)</emphasis>
        </para>
        <para>Een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging.</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft zich niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank.</emphasis>
        </para>
        <para>Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten nadele van verdachte in aanmerking genomen.</para>
        <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brandstichting in de nachtelijke uren van een midden in een woonwijk tussen andere auto’s geparkeerd staande auto, met alle gevaren van dien. Het hoeft geen betoog dat de brandstichting gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij de ‘geadresseerde’ en diens gezinsleden heeft veroorzaakt en daarnaast dergelijke gevoelens in de plaatselijke gemeenschap heeft opgeroepen of versterkt. Het incident heeft bovendien materiële schade en overlast veroorzaakt. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om deze gevolgen. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vanaf 2013 met enige regelmaat vanwege diverse delicten is veroordeeld, waaronder geweldsdelicten. De hierbij opgelegde straffen, waaronder taakstraffen en een voorwaardelijke straf, hebben verdachte er niet van weerhouden om geen strafbare feiten meer te plegen. Sterker nog, hij heeft het onderhavige strafbare feit gepleegd tijdens de proeftijd van genoemde voorwaardelijke veroordeling. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank houdt in matigende zin ermee rekening dat verdachte bij zijn aanhouding door derden is geschopt en geslagen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De rechtbank acht in weerwil van het advies van de reclas-sering van 25 februari 2015 geen termen aanwezig voor het opleggen van een voorwaar-delijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.   </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie.</emphasis>
        </para>
        <para>Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering, omdat in haar afgelegde verklaringen niet blijkt van de gestelde schadeposten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging.</emphasis>
        </para>
        <para>Gelet op de bepleite vrijspraak dient de vordering te worden afgewezen. Subsidiair wordt het standpunt van de officier van justitie gevolgd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling rechtbank.</emphasis>
De rechtbank stelt met de officier van justitie vast dat de benadeelde partij in haar verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris geen melding maakt van de gestelde schadeposten (jas en schoenen). Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een nadere behandeling vereisen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 02/206252-12.</emphasis>
        </para>
        <para>De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandig-heden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. Anders dan de verdediging en conform de officier van justitie zal de rechtbank dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Toepasselijke wetsartikelen.</emphasis>
        </para>
        <para>De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">DE UITSPRAAK</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
</para>
        <para>Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
 </emphasis>Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Legt op de volgende straf.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van </para>
      <para>het Wetboek van Strafrecht.</para>
      <para>
Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer] , in de vordering.
Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zeeland-West Brabant d.d. 31 oktober 2013, gewezen onder parket-nummer 02/206252-12, te weten: een gevangenisstraf van 3 maanden.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, voorzitter, </para>
      <para>mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans en mr. S.B.C. Nicolaes, griffiers,</para>
      <para>en is uitgesproken op 9 mei 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De jongste rechter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>