<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2026:614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-04T12:22:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25-029827</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_strafprocesrecht">Strafrecht; Strafprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:614">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-04T12:22:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2026:614 Rechtbank Noord-Nederland , 25-02-2026 / 25-029827</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2026:614:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep op grond van artikel 39 WWETGC.  Veroordeelde hoeft niet te worden geïnformeerd over stuiting van de verjaringstermijn voor executie in België. Het tijdsverloop binnen het executietraject is geen weigeringsgrond voor erkenning door de officier van justitie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2026:614:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Strafrecht</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>raadkamernummer : 25-029827 cjib-nummer : [nummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 25 februari 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">[veroordeelde] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,</para>
      <para>hierna te noemen: veroordeelde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Veroordeelde heeft beroep ingesteld tegen de op 15 september 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 15 oktober 2015 door het Hof van beroep te Antwerpen, België, opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van 208.423,00.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelde en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 11 februari 2026 plaatsgevonden. Veroordeelde is verschenen. Het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. M. Kappeyne van de Coppello.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Motivering</title>
    <para>1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).</para>
    <para>De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.</para>
    <para />
    <para>2. Ter zitting is besproken of het beroep tijdig is ingediend, te weten binnen 7 dagen nadat veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing tot erkenning. De betekening van deze kennisgeving heeft - blijkens de akte van betekening - plaatsgevonden op 12 november 2025. Dit houdt in dat het beroepschrift uiterlijk 19 november 2025 ingediend moest worden bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift afgestempeld voor ontvangst op 20 november 2025. Ter zitting heeft veroordeelde gesteld dat hij via een track-and-trace bericht van Post NL bericht ontvangen heeft dat het pakket is bezorgd op 19 november 2025 om 9.43 op het adres Zaailand 102 in Leeuwarden. Ter zitting is een schermafdruk van dit bericht aan de rechtbank overgelegd. Daarnaast is ter zitting een afschrift van een e-mailbericht overgelegd waaruit naar voren komt dat het beroepschrift op 17 november 2025 digitaal is gezonden naar een e-mailadres van het parket Noord-Nederland. Op grond van deze gegevens komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep tijdig en juist is ingesteld.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC.</para>
    <para />
    <para>4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC gelden:</para>
    <paragroup>
      <para>de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.</para>
      <para />
      <para>5. Veroordeelde heeft zowel schriftelijk voorafgaand aan de zitting als mondeling (mede via zijn eveneens aanwezige dochter [dochter veroordeelde] ) tijdens de zitting gronden van beroep aangevoerd. Kort gezegd stelt veroordeelde dat de Nederlandse erkenning en tenuitvoer-legging niet kan worden gebaseerd op een stuiting van de verjaring in België die voor veroordeelde niet kenbaar is geweest, waarover hij niet is geïnformeerd en waartegen hij geen rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden, terwijl die stuiting leidt tot een verlenging van strafrechtelijke blootstelling met tien jaar. Veroordeelde heeft daarnaast aangevoerd dat, ook al is tijdsverloop in de executiefase geen weigeringsgrond, het gaat om de samenhang met het niet ontvangen van enige kennisgeving of aanwijzing dat executie nog aan de orde was na een stuiting die niet kenbaar was. Voorts is gesteld dat het certificaat uitsluitend het eindbedrag vermeldt zonder de wettelijk vereiste specificatie per feit. Veroordeelde doet daarbij een beroep op het bepaalde in (a) artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna ook: het Handvest), (b) artikel 6 van het Verdrag tot</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en (c) artikel 7 lid 4 Verordening 2018/1805. Daarnaast heeft veroordeelde zijn ernstige medische toestand aangegeven en dat er sprake is van volledige afwezigheid van draagkracht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen rechtsregel is die maakt dat de stuiting van de verjaringstermijn in België ook aan veroordeelde kenbaar moet worden gemaakt. Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat de door veroordeelde aangevoerde grond niet is opgenomen in de (limitatieve) opsomming van weigeringsgronden in artikel 19 van de Verordening 2018/1805 en dat het beginsel van wederzijdse erkenning met zich brengt dat hij bij zijn beoordeling niet mag treden in de in België gevoerde procedure en de in België genomen beslissingen, waaronder de vaststelling van de betreffende verjaringstermijn. De officier van justitie komt tot verwerping van het door veroordeelde gedane draagkrachtverweer, het verweer ten aanzien van de ontoereikendheid van de specificatie van het bedrag in het certificaat en het verweer ten aanzien van onredelijk tijdsverloop.</para>
      <para />
      <para>7. De rechtbank overweegt als volgt.</para>
      <para />
      <para>8. Veroordeelde heeft zijn stellingen gebaseerd op wetsbepalingen die daaraan geen steun kunnen bieden. In de procedure tot het erkennen en tenuitvoerleggen van een in het buitenland gegeven beslissing tot confiscatie van een geldsom is de kern dat er reeds een onherroepelijke uitspraak ligt waarbij de betrokkene veroordeeld is tot betaling van een dergelijke geldsom. Er is daarmee géén sprake van (a) het berechten of bestraffen van een persoon zoals genoemd in artikel 49 van het Handvest, (b) het instellen van een vervolging zoals genoemd in artikel 6 EVRM of (c) een bevriezingsbevel als genoemd in artikel 7 lid 4 van de Verordening 2018/1805. Uit het recht of de jurisprudentie vloeit niet voort dat het niet kenbaar maken van de stuiting van de verjaringstermijn voor executie of het tijdsverloop binnen het executietraject een reden is tot toepassing van enige in de wet genoemde weigeringsgrond. Ditzelfde geldt voor de stelling dat het in het certificaat genoemde geldbedrag gespecificeerd zou moeten worden per feit. Het beroep op de ernstige gezondheidstoestand van veroordeelde en het ontbreken van enige draagkracht valt evenmin onder een in de wet genoemde weigeringsgrond. Veroordeelde kan bij het CJIB zijn persoonlijke en financiële omstandigheden naar voren brengen bij de voortzetting van de inningsprocedure. De rechtbank verwerpt dan ook de gevoerde verweren.</para>
      <para />
      <para>9. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een van de weigeringsgronden van artikel 19 van Verordening 2018/1805 en dat hij in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaren.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is op 25 februari 2026 gegeven door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,</para>
      <para>mr. W.S. Sikkema en mr. M.R. de Vries, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.</para>
      <para>Mr. Sikkema is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>