<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2026:389</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T07:50:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE 24/4934 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:389">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:389</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-13T13:59:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2026:389 Rechtbank Noord-Nederland , 13-02-2026 / LEE 24/4934 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2026:389:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet tegen de uitspraak van 15 oktober 2025. In de uitspraak heeft de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Opposant heeft tegen de uitspraak aangevoerd dat hij zijn dossier niet toegestuurd heeft gekregen en/of heeft kunnen inzien. Ook stelt hij dat de rechter die de uitspraak van 15 oktober 2025 heeft gedaan zich had moeten verschonen. De rechtbank begrijpt het verzet verder zo dat opposant vindt dat hem wel een beroep op betalingsonmacht toekomt. Tenslotte voert opposant aan dat hij niet wil meewerken aan het girale geldsysteem.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2026:389:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: LEE 24/4934 V</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 op het verzet van</title>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">
        [opposant]
      </emphasis>, uit Leeuwarden, opposant<footnote-ref linkend="_258f7141-0151-4983-a485-748f89c931ff" />,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 oktober 2025 in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>opposant</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het verzet op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn niet verschenen. Opposant heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld voor de zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 15 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel<footnote-ref linkend="_06fb0c05-05f2-4cbb-a943-d1d548313be1" /> is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep van opposant</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Het beroep van opposant richtte zich tegen het bestreden besluit van 5 december 2024. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De uitspraak van 15 oktober 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 28 maart 2025 het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant het griffierecht niet zou hebben betaald. De verzetsrechter heeft het tegen deze uitspraak ingestelde verzet gegrond verklaard bij uitspraak van 11 juli 2025. De verzetsrechter heeft geoordeeld dat onderzoek gedaan had moeten worden naar het beroep op betalingsonmacht. De uitspraak van 28 maart 2025 is komen te vervallen en de rechtbank heeft het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak gedaan werd. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in de beroepszaak op 15 oktober 2025 opnieuw uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Bij brief van 29 juli 2025 heeft de griffier het beroep op betalingsonmacht afgewezen, omdat de griffier op basis van de door opposant verstrekte informatie voorlopig van mening was dat niet aan de voorwaarden daarvoor werd voldaan. Opposant is opnieuw in de gelegenheid gesteld om het griffierecht te betalen. Toen opposant het griffierecht niet betaalde heeft de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Gronden verzet</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. Opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 15 oktober 2025. Opposant heeft daarbij aangevoerd dat hij het dossier in zijn beroepszaak niet toegestuurd heeft gekregen en/of heeft kunnen inzien. Ook stelt hij dat de rechter die de uitspraak van 15 oktober 2025 heeft gedaan – mr. C.H. de Groot – zich had moeten verschonen. De rechtbank begrijpt het verzet verder zo dat opposant vindt dat hem wel een beroep op betalingsonmacht toekomt. Tenslotte voert opposant aan dat hij niet wil meewerken aan het girale geldsysteem. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling van het verzet </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. De rechtbank ziet in hetgeen opposant heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen over de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Volledigheid dossier</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>8. De rechtbank overweegt dat van de rechtbank afkomstige stukken in de beroepszaak van opposant steeds aan opposant zijn verzonden volgens de regels die daarvoor op grond van afdeling 8.1.7 van de Awb gelden. De rechtbank heeft geen reden eraan te twijfelen dat opposant over alle stukken in zijn beroepszaak beschikt of heeft kunnen beschikken. Een recht op inzage in aanvulling op die regels, heeft opposant niet. Deze verzetsgrond faalt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onpartijdigheid en onafhankelijkheid mr. De Groot</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>9. Het staat een belanghebbende die verzet instelt vrij aan te voeren dat de in verzet bestreden uitspraak niet is gedaan door een onpartijdige en onafhankelijke rechter. Een klacht over gebrek aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid moet steeds per geval en aan de hand van de concrete omstandigheden worden beoordeeld.<footnote-ref linkend="_d743ac1f-2795-4c58-b41e-e6c57e4ab9d2" /></para>
      <para />
      <para>10. Opposant voert aan dat mr. De Groot jegens hem niet onpartijdig is, omdat deze rechter opposant eerder heeft verboden om een doofpot mee te nemen naar de zittingszaal en opposant toen om wraking van mr. De Groot heeft verzocht. Deze door opposant gestelde omstandigheden leveren evident geen aanwijzing op voor het oordeel dat mr. De Groot jegens opposant een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij opposant daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook deze verzetsgrond faalt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beroep op betalingsonmacht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen in de uitspraak van 15 oktober 2025, in navolging van de voorlopige afwijzing van de griffier. Uit de door opposant ingediende informatie volgt evident dat het inkomen van opposant en zijn partner hoger is dan 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. Het standpunt van opposant dat het inkomen van de partner niet mag worden meegeteld, is onjuist.<footnote-ref linkend="_ecd04019-681e-45f5-b34a-6dfd71c934ad" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wijze van betaling griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>12. Het standpunt van opposant dat hij door de heffing van griffierecht wordt gedwongen deel te nemen aan het girale geldsysteem, is ook onjuist. Het stond opposant op grond van artikel 8:41, vijfde lid, Awb namelijk vrij het griffierecht contant te betalen bij de rechtbank. Dat opposant hiervoor niet heeft gekozen, komt voor zijn rekening. Die keuze levert geen verontschuldiging voor het betaalverzuim op.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>13. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 15 oktober 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.</para>
    <para />
    <para>14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_258f7141-0151-4983-a485-748f89c931ff" label="1">
    <para> Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_06fb0c05-05f2-4cbb-a943-d1d548313be1" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d743ac1f-2795-4c58-b41e-e6c57e4ab9d2" label="3">
    <para> Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1281, r.o. 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ecd04019-681e-45f5-b34a-6dfd71c934ad" label="4">
    <para> Zie Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, r.o. 2.2.4 en ABRvS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4082 r.o. 6.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>