<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2025:5865</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-12T10:17:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18-229213-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Assen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_materieelStrafrecht">Strafrecht; Materieel strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5865">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5865</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-12T10:17:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2025:5865 Rechtbank Noord-Nederland , 15-10-2025 / 18-229213-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2025:5865:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak is niet samengevat voor publicatie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2025:5865:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Strafrecht</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Assen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer : 18-229213-23</para>
      <para>raadkamernummer : 25-012106 en 25-012107</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">[verzoeker] ,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Advocaat: mr. T.W. Delhaye, advocaat te Leeuwarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter van 3 februari 2025 is verzoeker vrijgesproken in de onderhavige strafzaak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 8 mei 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis tot een bedrag van 9.800,-</para>
    </parablock>
    <para>- door verzoeker gederfde inkomsten tot een bedrag van 31.454,31 bruto (+PM), welk bedrag bij e-mail</para>
    <para>van 2 oktober 2025 is aangepast naar 37.628,97 netto;</para>
    <para>- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen</para>
    <para>in geval van een behandeling ter zitting.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift en het standpunt van de officier van justitie van 15 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 29 september 2025. Daarbij zijn verzoeker, de advocaat van verzoeker en de officier van justitie mr. A.H. Veltkamp gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich ter zitting anders dan in het schriftelijke standpunt op het standpunt gesteld dat de inkomstenderving slechts deels kan worden toegewezen nu onvoldoende onderbouwd en gebleken is dat de omstandigheid dat verzoeker niet meer in staat is om te werken volledig is toe te schrijven aan de ondergane voorlopige hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Op grond van art. 530 en 533 Sv maakt verzoeker derhalve aanspraak op vergoeding van ten gevolge van de strafzaak gemaakte kosten en ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis geleden schade, voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schade ten gevolge van de voorlopige hechtenis</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat verzoeker op 10 september 2023 in verzekering is gesteld en dat deze inverzekeringstelling op 13 september 2023 is overgegaan in voorlopige hechtenis, welke op 25 oktober 2023 is opgeheven. Voorts heeft verzoeker van 13 september 2023 tot en met 19 september 2023 in beperkingen doorgebracht. De verzochte vergoeding van 4.900,- voor de tijd die verzoeker in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal dan ook worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor een verdubbeling van het aan verzoeker toe te kennen schadevergoedingsbedrag, zoals gevraagd door verzoeker. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de forfaitaire vergoeding bij ten onrechte ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in beginsel een afdoende vergoeding vormt voor geleden immateriële schade. Voor toekenning van een hogere vergoeding is derhalve slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet in het onderhavige geval, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, aanleiding om de standaardvergoeding te verhogen. Verzoeker lijdt door zijn jeugd als kindsoldaat aan een posttraumatische stress stoornis en daardoor heeft hij tijdens zijn voorarrest veel last gehad van herbelevingen. Uit het Pro Justitia rapport blijkt voorts dat de PTSS klachten van verzoeker extreem zijn verergerd door de detentieperiode. Hij ervaart extreme stress en angst, heeft nachtmerries en herbelevingen, is 11 kg afgevallen en slaapt niet meer in bed maar op de bank uit een gevoel van (schijn)veiligheid. De psychische druk tijdens en na het voorarrest was dan ook groot. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende onderbouwd en gebleken dat het voorarrest voor verzoeker</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>aanzienlijk zwaarder is geweest dan voor de gemiddelde verdachte en acht daarom gronden van billijkheid aanwezig om de standaardvergoeding te verdubbelen, zoals verzocht. Dat betekent dat een schadevergoeding van <emphasis role="bold">9.800,- </emphasis>zal worden toegekend voor de tijd die verzoeker in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gederfde inkomsten</emphasis>
      </para>
      <para>Verzocht wordt een vergoeding wegens inkomstenderving voor de tijd die verzoeker in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede voor de tijd daarna omdat verzoeker vanwege de psychische gevolgen van het voorarrest sindsdien niet meer in staat is om te werken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De inkomstenderving voor de periode die verzoeker in voorarrest heeft doorgebracht komt op grond van art. 530 Sv voor vergoeding in aanmerking. Anders dan verzocht komt niet het bruto maandloon, maar het netto maandloon voor vergoeding in aanmerking. Daarom zal een bedrag van <emphasis role="bold">4.615,50 </emphasis>(1,5 x 3.077,-) worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De overige gederfde inkomsten komen enkel voor vergoeding in aanmerking indien die inkomstenderving een rechtstreeks gevolg is van het voorarrest. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat voldoende gebleken is dat het feit dat verzoeker niet meer in staat is om te werken het rechtstreeks gevolg is van het voorarrest. Hoewel verzoeker ook vóór het voorarrest last had van angst-en stemmingsklachten en zijn psychische situatie niet altijd stabiel was, was hij wel stabiel genoeg om te kunnen werken en hij heeft voorafgaande aan het voorarrest ook altijd werk gehad. Dat lukt sinds het voorarrest niet meer en ter zitting heeft verzoeker gedetailleerd en uitgebreid uitgelegd dat en waarom dat niet meer lukt. De rechtbank acht daarom voldoende onderbouwd en gebleken dat de inkomstenderving het rechtstreekse gevolg is van het voorarrest.</para>
      <para>Het verzochte bedrag ziet echter op de inkomstenderving tot en met december 2025. Gelet op het feit dat het verzoekschrift op 29 september 2025 door de rechtbank is behandeld, zal de rechtbank de inkomstenderving toewijzen tot en met september 2025 nu de toekomstige schade nog niet kan worden vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt derhalve tot toewijzing van een bedrag van <emphasis role="bold">33.142,73</emphasis>, zijnde het verschil tussen het ontvangen inkomen uit een WW- en ZW-uitkering en het netto maandloon dat verzoeker voor zijn voorarrest verdiende over de periode oktober 2023 tot en met september 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover het verzoek voor het overige nog ziet op toekomstige inkomstenderving (de Pro Memorie post) omdat onduidelijk is wanneer verzoeker weer volledig deel kan nemen aan het arbeidsproces, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het schadebedrag niet concreet is gemaakt en derhalve in deze procedure niet vastgesteld kan worden. Verzoeker kan op dit punt een vordering indienen bij de civiele rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling daarvan ter zitting, een vergoeding inclusief BTW toekennen van <emphasis role="bold">680,-.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 48.238,23</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het meer of anders verzochte af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart verzoeker ten aanzien van de Pro Memorie post niet-ontvankelijk.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 13 oktober 2025 door mr. J. de Vroome, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING</title>
    <para>De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van 48.238,23 (zegge: achtenveertigduizendtweehonderdachtendertig euro en drieëntwintig eurocent), over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Beek Advocaten, onder vermelding van “Verzoekschrift art. 530 en 533 Sv [verzoeker] ”.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>