<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2025:3771</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-17T15:01:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/1751</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:3771">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:3771</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-17T14:57:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2025:3771 Rechtbank Noord-Nederland , 22-08-2025 / 24/1751</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2025:3771:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Varia. Wsf 2000. Beroep tegen de vaststelling van de hoogte van de maandelijkse terugbetalingsverplichting van de studieschuld. Brief waarin staat dat eiser voor een ander, gunstiger leenstelsel kon kiezen is geen besluit in de zin van de Awb. Beroep op de hardheidsclausule slaagt ook niet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2025:3771:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: LEE 24/1751 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Dienst Uitvoering Onderwijs </emphasis>(DUO)<emphasis role="bold">, namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.M. Remmelts).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vaststelling van de hoogte van de maandelijkse terugbetalingsverplichting van zijn studieschuld over het jaar 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan de wetsartikelen die voor deze zaak van belang zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Met het primaire besluit van 12 november 2023 heeft verweerder de hoogte van het maandelijkse termijnbedrag over het jaar 2024 voor eiser vastgesteld op € 427,88. Met het bestreden besluit van  maart 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het termijnbedrag van € 427,88 gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn vader, en de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat het termijnbedrag over 2024 te hoog is vastgesteld. Hij bestrijdt niet dat het termijnbedrag niet op de juiste wijze is berekend, op basis van het toetsingsinkomen van het peiljaar 2022. Eiser betoogt dat hij onder het oude en voor hem gunstigere stelsel vanaf 2012 had moeten, of alsnog moet vallen. In dat verband stelt eiser dat hij de brief van 18 september 2015, waarin staat dat voor het oude stelsel kan worden gekozen, nooit heeft ontvangen. Daardoor wist hij niet van de keuze die hij destijds had kunnen maken. Volgens eiser is deze brief een besluit en is dit besluit nooit aan hem bekend gemaakt. Verder wijst eiser op een zaak van een vriend van hem die meer verdient en een hoger studieschuld heeft, maar een lager maandbedrag betaalt. Eiser verzoekt het maandbedrag vast te stellen op € 200,- per maand. Daarbij geeft eiser aan dat hij bij zijn ouders woont en met een lager maandbedrag meer financiële armslag heeft voor het verkrijgen van een eigen woning. </para>
    <para />
    <para>4. Eiseres beroepsgronden slagen niet. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de brief van 18 september 2015 geen besluit betreft zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat in deze brief geen publiekrechtelijk rechtsgevolg ligt besloten. Hierdoor is de vraag of de brief op de juiste wijze is bekend gemaakt, niet juridisch relevant. Gelet daarop stelt verweerder zich ook terecht op het standpunt dat in de brief van </para>
        <para>18 september 2015, eiser alleen is geïnformeerd over de mogelijkheid om af te lossen volgens het oude stelsel vanaf 2012 en dat de brief als een service van verweerder kan worden aangemerkt. Het was immers eisers eigen verantwoordelijkheid om op de hoogte te zijn, dan wel te geraken, van de destijds geboden mogelijkheid om af te lossen volgens de regels vanaf 2012. Verder overweegt de rechtbank ten overvloede, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief destijds niet naar zijn juiste postadres is verzonden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Eisers verwijzing naar de draagkrachtberekening van een vriend van hem kan hem niet baten, omdat dit geen vergelijkbare zaak betreft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Voor zover eiser een beroep doet op de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering (Wsf), slaagt ook dat beroep niet. Eiser heeft zijn gestelde omstandigheden, dat de hoogte van het maandbedrag hem financieel belemmert om een woning te verkrijgen, niet met (objectieve) stukken onderbouwd. Hierdoor is niet gebleken dat sprake zou zijn van een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 11.5 van de Wsf..</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de hoogte van het maandelijkse termijnbedrag van € 427,88 over het jaar 2024 in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: Relevante wet- en regelgeving voor deze uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemene wet bestuursrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1:3</para>
    </parablock>
    <para>1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.</para>
    <para>(…)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wet studiefinanciering 2000</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 11.5.</para>
    </parablock>
    <para>1. Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</para>
    <para>(…)</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>