<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2025:3276</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-12T14:41:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE 24/823 en 24/3366</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:3276">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:3276</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-12T14:38:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2025:3276 Rechtbank Noord-Nederland , 16-05-2025 / LEE 24/823 en 24/3366</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2025:3276:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het college heeft eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar handhavingsverzoeken, omdat er niet langer (feitelijk) sprake is van een HOP. Eiseres komt derhalve in dit specifieke geval niet op voor een door haar statutair gesteld doel als het openhouden van een HOP. Nu eiseres geen belanghebbende is bij de handhavingsverzoeken, heeft het college eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2025:3276:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: LEE 24/823 en 24/3366 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">Stichting Platform Keelbos, uit Nuth, eiseres</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze</emphasis>, het college  </para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. Reitsema).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeken van eiseres om handhavend op te treden tegen activiteiten rondom de Grote Moere in Grolloo. Eiseres is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van haar handhavingsverzoeken. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan, die in deze uitspraak zullen worden besproken. In de beoordeling gaat de rechtbank in op de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er niet langer sprake is van een HOP en eiseres daarom geen belanghebbende meer is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de bestreden besluiten blijven in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres heeft vier handhavingsverzoeken gedaan die alle zien op het handhavend optreden tegen activiteiten rondom de Grote Moere in Grolloo. Het eerste verzoek heeft het college afgewezen op 5 juli 2023. Op 25 oktober 2023 heeft het college eiseres niet-ontvankelijk verklaard in het tweede handhavingsverzoek. Het college heeft eiseres ten aanzien van het derde en vierde verzoek niet-ontvankelijk verklaard op 12 januari 2024.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In bezwaar heeft het college eiseres ten aanzien van het eerste verzoek (alsnog) niet-ontvankelijk verklaard (met het besluit van 12 januari 2024). Met het bestreden besluit van 27 juni 2024 is het college bij de niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in het tweede handhavingsverzoek gebleven. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 25 oktober 2023 op het tweede handhavingsverzoek en tegen de (primaire) besluiten van 12 januari 2024 op het derde en vierde handhavingsverzoek.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. In het verweerschrift geeft het college aan dat eiseres tegen de primaire besluiten van 12 januari 2024 bezwaar had moeten maken, maar dat het college in kan stemmen met een rechtstreeks beroep, als eiseres hier ook mee kan instemmen. Eiseres heeft de rechtbank laten weten in te stemmen met rechtstreeks beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hier waren aanwezig: [gemachtigde] (namens eiseres) en de gemachtigde van het college. Verder was aanwezig R.A. Visscher, werkzaam bij de gemeente.   </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank beoordeelt of het college eiseres niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren in haar handhavingsverzoeken.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat dat zo is. De beroepen zijn daarom ongegrond<emphasis role="italic">.</emphasis> Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt eiseres </emphasis>
        </para>
        <para>5. Eiseres is een stichting die zich (onder andere) inzet voor homo-emancipatie. Een van haar doelen is dat zij streeft naar het open houden van homo-ontmoetingsplaatsen. Eiseres kan zich niet verenigen met het besluit van het college om haar niet als belanghebbende aan te merken. Eiseres meent in de eerste plaats dat zij nog altijd moet worden beschouwd als belanghebbende, omdat het gebruik van de Grote Moere als HOP ontmoedigd is door het verkeersbesluit van 1 april 2014, waarbij een parkeerverbod is ingevoerd. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat zij wel belanghebbende is naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2017 en van 8 september 2021.<footnote-ref linkend="_277e74ed-c500-4af4-a20d-f010ec3c4f5f" /></para>
        <para>Eiseres wijst ook op een rapport van de Nationale Ombudsman van 25 april 2024, waaruit volgens haar volgt dat de gemeente met eiseres in gesprek had moeten gaan. Daarnaast voert eiseres aan dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb haar niet tegengeworpen kan worden, omdat deze in de bezwaarfase niet toegepast mag worden. Verder beroept eiseres zich op artikel 2, lid 5, van het Verdrag van Aarhus. De besluiten zijn bovendien niet zorgvuldig voorbereid, omdat het college de relevante feiten niet heeft bekeken en de betrokken belangen niet inzichtelijk heeft gewogen. Het kan volgens eiseres niet zo zijn dat het college eiseres in de ene procedure wel als belanghebbende aanmerkt en in de andere procedure niet, aangezien het om dezelfde HOP gaat. Er is daarom sprake van willekeur. Eiseres stelt daarnaast dat de weg niet opgehouden heeft openbaar te zijn doordat deze kortdurend niet in gebruik is geweest. Artikel 7, onder I, van de Wegenwet spreekt van een verjaringstermijn van 30 jaar, terwijl elke vermelding van de naam “Grote Moere” of “Hondsrug de Moere” volgens eiseres de verjaring stuit. </para>
      </parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt college</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres geen belanghebbende is. Het college betwist niet dat eiseres opkomt voor het openhouden van HOP’s en ook niet dat er ter plaatse tot 2014 sprake was van een HOP. Het college stelt echter dat er sinds 2014 geen sprake meer is van een HOP en dat eiseres daarom geen belanghebbende is bij de besluiten waar deze procedure over gaat. Dat het parkeerverbod en andere maatregelen er mogelijk toe hebben geleid dat er geen sprake meer is van een HOP, maakt niet dat het college geen gevolgen mag verbinden aan het feit dat er geen HOP meer is. Het verkeersbesluit en andere maatregelen hebben er overigens volgens het college ook niet toe geleid dat het gebied niet meer voor publiek toegankelijk is. Het verschil met de door eiseres aangehaalde jurisprudentie is volgens het college dat er in die zaken wel sprake was van een feitelijk nog bestaande HOP, waardoor eiseres in die zaken wel als belanghebbende aan te merken was.<?linebreak?>Het verkeersbesluit van 2014 is onherroepelijk en kan niet aangevochten worden. <?linebreak?>Het college heeft in bezwaar het primaire besluit in volle omvang heroverwogen en blijft bij het eerder ingenomen standpunt. Dat eiseres eerder wel als belanghebbende werd aangemerkt, is juist, maar bij het toenmalige besluit is per abuis niet beoordeeld of er nog sprake is van een HOP. Het college komt op grond van voortschrijdend inzicht tot de conclusie dat eiseres geen belanghebbende is. Het rapport van de Nationale Ombudsman is in deze zaak niet relevant, omdat dit gaat over het behandelen van klachten. Het gaat hier niet om een klacht, maar om een handhavingsverzoek. Het relativiteitsvereiste speelt hier volgens het college evenmin een rol, net zo min als eventuele verjaring. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overwegingen rechtbank en toetsingskader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat artikel 1:2 van de Awb luidt:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. (…).</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.</emphasis>”</para>
      <parablock>
        <para>
          <?linebreak?>Artikel 1:3, derde lid, luidt:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.</emphasis>"”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Voor de beantwoording van de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in de Awb, is bepalend of de rechtspersoon op grond van zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen. Daarbij geldt de voorwaarde dat bij het besluit rechtstreeks een algemeen of collectief belang is betrokken dat die organisatie zich statutair ten doel stelt te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzet.<footnote-ref linkend="_81a890e4-e494-414d-bbae-de8c1108afda" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Uit de statuten van eiseres blijkt dat zij als doel heeft om de volgende belangen te behartigen (voor zover voor dit geding relevant):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">(…)</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">9. De stichting heeft ten doel om te streven naar het open houden van homo-ontmoetingsplaatsen, en behartigt de belangen van al de bezoekers van deze plaatsen.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat niet langer sprake is van een HOP. Daarbij acht de rechtbank van belang dat vanuit de gemeente en omwonenden verklaard is dat er geen activiteiten meer plaatsvinden en dat eiseres ook zelf verklaard heeft dat het aantal ontmoetingen sterk verminderd is sinds het instellen van een parkeerverbod in 2014. Ook heeft eiseres verklaard dat de locatie niet meer op haar website wordt vermeld als HOP. Eiseres verklaarde tijdens de zitting dat haar in elk geval wel uit eigen ervaring bekend is dat er nog twee bezoekers zijn geweest, waarvan eiseres de indruk had dat deze op zoek waren naar de HOP. <?linebreak?>Naar het oordeel van de rechtbank zijn er daarmee onvoldoende aanwijzingen dat er nog sprake is van een HOP. Het is niet gebleken op welke manier deze plek zich nog onderscheidt van enige andere plek in de natuur waar mannen naar toe zouden kunnen gaan om elkaar te ontmoeten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Omdat er naar het oordeel van de rechtbank niet langer sprake is van een HOP, kan ook door de acties van eiseres geen sprake zijn van het <emphasis role="italic">openhouden</emphasis> van een HOP, zoals zij zich ten doel stelt in haar statuten. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat een belang dat eiseres zich statutair ten doel stelt te behartigen, rechtstreeks bij de besluiten is betrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college eiseres op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoeken. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Voor de vraag of eiseres belanghebbende is, speelt geen rol of de locatie mogelijk geen HOP meer is vanwege eerder ontmoedigingsbeleid van de gemeente. Om te bepalen of zij belanghebbende is, gaat het enkel om de vraag of er sprake is van een HOP en niet om de vraag hoe dat komt. Eiseres heeft gewezen op het verkeersbesluit van 1 april 2014 dat er toe geleid heeft dat de locatie veel minder wordt gebruikt als ontmoetingsplek. Dat besluit is echter onherroepelijk en kan in dit geschil niet aan de orde komen. Zolang er sprake is van een HOP, kan eiseres opkomen voor het belang van het openhouden van deze HOP. Als er feitelijk geen sprake meer is van een HOP, is er geen (statutair gesteld) belang meer waar eiseres voor op kan komen. Het college stelt terecht dat in de door eiseres aangehaalde uitspraken van de Afdeling sprake was van een HOP en in dit geval niet. Dat eiseres eerder wel als belanghebbende is aangemerkt, maakt niet dat het college dat had moeten blijven doen. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat het op basis van voortschrijdend inzicht tot de conclusie is gekomen dat eiseres geen belanghebbende is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Wat eiseres verder aanvoert, kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het rapport van de Nationale Ombudsman is in deze procedure niet relevant, omdat dit rapport ziet op klachtbehandeling door de overheid, terwijl het hier gaat om een bezwaar- en beroepsprocedure tegen genomen besluiten. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb is eiseres niet tegengeworpen, maar het college heeft eiseres niet-ontvankelijk verklaard en geconcludeerd dat eiseres geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Het Verdrag van Aarhus regelt dat het publiek (individuen en verenigingen die hen vertegenwoordigen) het recht heeft op toegang tot milieu-informatie en inspraak bij besluitvorming over milieu-aangelegenheden. Ook regelt het Verdrag van Aarhus toegang tot de rechter als overheidsinstanties deze rechten en milieuwetgeving niet naleven. In deze zaak is echter geen sprake van een milieu-aangelegenheid. Eiseres kan zich daarom in deze procedure niet op het verdrag beroepen. Wat eiseres aanvoert over de openbaarheid van de weg en het stuiten van de verjaring speelt voor de beoordeling in deze zaak ook geen rol. Eiseres’ stelling dat de besluiten niet zorgvuldig zijn voorbereid omdat het college de relevante feiten niet heeft bekeken en de betrokken belangen niet inzichtelijk heeft gewogen, heeft eiseres niet onderbouwd. Het is de rechtbank niet duidelijk waarom de besluiten niet zorgvuldig zouden zijn voorbereid. De rechtbank kan eiseres dan ook niet volgen in dit betoog. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemene wet bestuursrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1:2</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(…)</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1:3</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para>3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.</para>
    <para>(…)</para>
  </section>
  <footnote id="_277e74ed-c500-4af4-a20d-f010ec3c4f5f" label="1">
    <para> ECLI:NL:RVS:2017:393, ECLI:NL:RVS:2021:2018 en ECLI:NL:RVS:2021:2031.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_81a890e4-e494-414d-bbae-de8c1108afda" label="2">
    <para> Dat blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>