<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2025:2994</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T13:52:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11429540 VM VERZ 24-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:2994">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:2994</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T13:51:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2025:2994 Rechtbank Noord-Nederland , 08-07-2025 / 11429540 VM VERZ 24-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2025:2994:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wahv. Verzet. Zoals het CJIB terecht aanvoert, heeft het hof overwogen dat de verzendwijze door het CJIB nagenoeg foutloos is. De kantonrechter neemt daarom aan dat de inleidende beschikking en de overige correspondentie daadwerkelijk zijn verzonden door het CJIB. Daarmee is de beroepstermijn gaan lopen op het moment van toezending van de beschikking. Nu de opposant de ontvangst van de boete en de aanmaningen niet op een niet op een niet-ongeloofwaardige manier heeft betwist, hoeft de  staatssecretaris niet aannemelijk te maken dat opposant de beschikking heeft ontvangen. Verzet ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2025:2994:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</title>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CJIB-nummer: 264253669</para>
      <para>zaaknummer: 11429540 VM VERZ 24-17</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van <?linebreak?>8 juli 2025</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [opposant ] (de opposant),</title>
    <parablock>
      <para>die woont in [woonplaats] ,</para>
      <para>gemachtigde: [gemachtigde] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij exploot van 13 november 2024 is aan opposant het op 25 februari 2024 door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) uitgevaardigde dwangbevel als in artikel 26 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) betekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met een op 28 november 2024 bij de griffie ingediend verzetschrift heeft opposant verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij brief van 4 maart 2025 heeft het Hoofd Dienstverlening (namens de algemeen directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), die op zijn beurt gemandateerd is om de staatssecretaris te vertegenwoordigen) schriftelijk commentaar gegeven op het ingestelde verzet. Van dat schriftelijk commentaar is op 30 april 2025 een kopie aan opposant toegezonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De behandeling van het verzetschrift zou eerst plaatsvinden op de openbare zitting van 19 juni 2025. Die zitting is uitgesteld op verzoek van opposant, die wegens medische redenen niet aanwezig kon zijn.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>1.3.1.</nr>
        <para>De behandeling heeft uiteindelijk plaatsgevonden op de openbare zitting van <?linebreak?>8 juli 2025. Daarbij was namens het CJIB aanwezig dhr. H. Veldsema . Opposant heeft ook voor deze zitting een verzoek tot uitstel gedaan, maar heeft dit niet voldoende gemotiveerd. Het uitstelverzoek is afgewezen en de behandeling van het verzet is doorgegaan.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De kantonrechter oordeelt dat het verzet ongegrond is. Hij zal hierna uitleggen waarom.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunten</title>
    <para />
    <para>3. Opposant betwist de ontvangst van de inleidende beschikking en daaropvolgende correspondentie. Hij is voor het eerst bekend geworden met de boete via een e-mail van de gerechtsdeurwaarder. Daarom vindt opposant de administratieve verhogingen van de boete door het CJIB, de overdracht aan de gerechtsdeurwaardig en de kosten die daarmee gepaard gaan niet terecht. Hij wil de oorspronkelijke boete van € 41,00 voldoen.</para>
    <para />
    <para>4. Het CJIB stelt zich op het standpunt dat het verzet ongegrond is. Alle correspondentie is naar het BRP-adres van opposant gestuurd en het kan worden uitgesloten dat geen van de verzonden brieven zijn ontvangen door opposant. Volgens het CJIB heeft opposant de ontvangst enkel ontkend.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Een dwangbevel als in artikel 26 van de Wahv kan worden uitgevaardigd nadat de boete onherroepelijk is geworden. Dit is pas het geval wanneer blijkt dat de opposant de inleidende beschikking heeft ontvangen of wanneer hij de beschikking niet heeft ontvangen als gevolg van een hem toe te rekenen omstandigheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Het is in beginsel aan de staatssecretaris om aannemelijk te maken dat sprake is van een van de onder 5 genoemde situaties. Zoals het hof heeft overwogen, mag echter wel van opposant worden verwacht dat hij meer aanvoert dan een enkele ontkenning van de ontvangst van de beschikking.<footnote-ref linkend="_edfbf9a7-47d2-4bac-b62c-b5362b005078" /></para>
      <para />
      <para>6. Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een beschikking is verstuurd. Als dat aannemelijk is gemaakt, moet de opposant op een niet-ongeloofwaardige manier betwisten dat de beschikking is ontvangen. Pas dan is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de beschikking is ontvangen.<footnote-ref linkend="_cf86fb45-1f27-46c1-80fe-dd5029d1a0bb" /></para>
      <para />
      <para>7. Zoals het CJIB terecht aanvoert, heeft het hof overwogen dat de verzendwijze door het CJIB nagenoeg foutloos is.<footnote-ref linkend="_232ce792-9258-441e-941f-3e0bd3baa97a" /> De kantonrechter neemt daarom aan dat de inleidende beschikking en de overige correspondentie daadwerkelijk zijn verzonden door het CJIB. Daarmee is de beroepstermijn gaan lopen op het moment van toezending van de beschikking.</para>
      <para />
      <para>8. Opposant ontkent dat hij de boete en aanmaningen heeft ontvangen. Deze stelling is echter niet onderbouwd. Daarmee heeft hij niet op een niet-ongeloofwaardige manier de ontvangst betwist, waardoor de staatssecretaris niet aannemelijk hoeft te maken dat opposant de beschikking heeft ontvangen. Het CJIB heeft de brieven naar het BRP-adres van opposant verstuurd en ze zijn niet onbestelbaar retour gekomen. De kantonrechter stelt daarom vast dat de sanctie onherroepelijk is geworden.</para>
      <para />
      <para>9. Daarmee is het dwangbevel rechtsgeldig uitgevaardigd. Dit betekent dat de kantonrechter het verzet ongegrond zal verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.W. Veenstra, griffier,					mr. J.Y.B. Jansen, kantonrechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel </title>
    <para>Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Leeuwarden. Het hoger beroep kan worden ingesteld door binnen 2 weken na de hierboven vermelde verzenddatum een gemotiveerd (hoger) beroepschrift in te dienen bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, Locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_edfbf9a7-47d2-4bac-b62c-b5362b005078" label="1">
    <para> Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4629, r.o. 7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf86fb45-1f27-46c1-80fe-dd5029d1a0bb" label="2">
    <para> Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4629, r.o. 8 en 9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_232ce792-9258-441e-941f-3e0bd3baa97a" label="3">
    <para> Hof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6346.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>