<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2024:5429</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-17T12:24:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/19/143885 / HA ZA 23-68</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Assen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBNNE:2025:4712" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2025:4712</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2025-0595</rdf:li>
          <rdf:li>VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0595</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:5429">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:5429</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-20T15:09:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2024:5429 Rechtbank Noord-Nederland , 28-08-2024 / C/19/143885 / HA ZA 23-68</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2024:5429:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanspraak van de legitimaris, die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen op inzage en afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft (art. 4:78 BW).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2024:5429:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Noord-Nederland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Assen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/19/143885 / HA ZA 23-68</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 28 augustus 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>advocaat: mr. D. van der Wal,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M. Hoekman-Haan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 18 oktober 2023,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte wijziging eis van 29 november 2023 aan de zijde van [eiser] ,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een brief van 13 maart 2024 met bijlagen  van de zijde van [gedaagde] ,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een brief van 14 maart 2024 met bijlage van de zijde van [eiser] ,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling van 26 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In de onderhavige procedure trad aanvankelijk als mede-eiser op de heer [vader eiser] , vader van eiseres [eiser] . Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling van 26 maart 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten met [gedaagde] waarna de procedure tussen hen is doorgehaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij de mondelinge behandeling is [eiser] niet verschenen, zij werd ter zitting vertegenwoordigd door haar advocaat. Tussen [eiser] en [gedaagde] is geen overeenstemming bereikt; partijen hebben vonnis gevraagd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 23 februari 2017 is overleden mevrouw [erflaatster] , verder te noemen erflaatster. Erflaatster heeft bij testament van 6 mei 2014 haar dochter [gedaagde] benoemd tot haar enige erfgenaam. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Blijkens het boedelregister heeft [gedaagde] de nalatenschap van erflaatster op 23 april 2019 beneficiair aanvaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Erflaatster had een tweede dochter, [dochter erflaatster] , die op 20 februari 2014 is (voor-)overleden. [eiser] is een kleindochter van erflaatster, zij is de dochter van wijlen [dochter erflaatster] en [vader eiser] . [vader eiser] is de enige erfgenaam van zijn overleden echtgenote [dochter erflaatster] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De echtgenoot van erflaatster, [echtgenoot erflaatster] , is overleden op 23 september 2010. Hij heeft bij testament zijn echtgenote en zijn afstammelingen ieder voor gelijke delen benoemd tot zijn erfgenamen, dit met ouderlijke boedelverdeling. De schuld van erflaatster aan haar dochters [dochter erflaatster] en [gedaagde] inzake hun erfdelen uit de nalatenschap van hun vader [echtgenoot erflaatster] bedroeg € 59.704,-  per persoon te vermeerderen met 6% enkelvoudige rente. Per datum overlijden erflaatster bedroeg de schuld aan elke dochter € 82.690,04. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Uit een door [eiser] in deze procedure overgelegde brief van [notaris] van 6 mei 2022 volgt dat het banktegoed van erflaatster per datum overlijden € 41.698,00 bedroeg. Verder beschrijft de notaris in die brief een aantal onroerend goed transacties die erflaatster bij leven heeft verricht, en een verkoop van cultuurgrond op 1 mei 2017 (na overlijden erflaatster) met een opbrengst van € 46.000,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De gemachtigde van [eiser] heeft bij brief van 20 juli 2022 aan [gedaagde] geschreven dat [eiser] , zoals het er naar uitziet, aanspraak kan maken op haar legitieme portie, en dat zij recht heeft op inzage in alle van belang zijnde stukken, dan wel aan haar alle informatie dient te worden verstrekt waarmee zij de hoogte van haar legitieme portie kan vaststellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Per brief van 21 februari 2023 schreef de advocaat van [eiser] het volgende aan [gedaagde] : </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Van u ontvang ik graag informatie over waaruit de nalatenschap van [erflaatster] bestaat. Het gaat om het volgende:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Boedelbeschrijving met onderliggende stukken;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Bankafschriften van 5 jaar voor het overlijden;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Aangiften Inkomstenbelasting jaar overlijden en 5 jaar voor datum overlijden;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Opgave van giften tot 5 jaar voor overlijden;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Aangifte een aanslag Erfbelasting. </emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>
        <emphasis role="italic">De gevraagde informatie ontvang ik graag binnen drie weken na heden. Ontvang ik deze informatie niet dan zal een procedure worden gestart bij de rechtbank.</emphasis>” </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 22 maart 2023 schreef de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] : </para>
        <para>“<emphasis role="italic">Van het notariskantoor [notaris] ontving ik telefonisch bericht dat u op 6 april 2023 een gesprek zult hebben met [notaris] . Naar ik aanneem naar aanleiding van mijn brief van 21 februari 2023.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Om voortgang in de kwestie te houden verwacht ik dat u of [notaris] binnen twee weken na 6 april 2023, dus uiterlijk op 20 april 2023 een inhoudelijke reactie geeft op mijn brief.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Vervolgens is de onderhavige procedure aanhangig gemaakt. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert dat [gedaagde] uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld om binnen tien dagen na het in deze te wijzen vonnis de volgende informatie te verstrekken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>boedelbeschrijving met onderliggende stukken;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>bankafschriften van 5 jaar voor het overlijden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>aangiften Inkomstenbelasting jaar overlijden en 5 jaar voor datum overlijden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>opgave van giften tot 5 jaar voor overlijden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>aangifte en aanslag Erfbelasting,</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>dit onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van</para>
        <para>€ 50.000,00 voor zover [gedaagde] hieraan geen gehoor geeft;</para>
        <para>en dat aan de hand van de verstrekte informatie de hoogte wordt vastgesteld van de aan [eiser] toekomende legitieme en [gedaagde] wordt veroordeeld om tot betaling over te gaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij, bij wege van plaatsvervulling voor haar vooroverleden moeder, aanspraak heeft op de legitieme portie in de nalatenschap van haar oma [erflaatster] . Als legitimaris dient [gedaagde] informatie te verstrekken zodat de legitieme portie kan worden vastgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat de gevraagde stukken al door de notaris aan [eiser] zijn verstrekt. De nalatenschap moet worden verminderd met de schuld van erflaatster tot betaling van de erfdelen die zij aan haar dochters schuldig is gebleven uit de nalatenschap van haar echtgenoot. De legitieme van [eiser] moet daardoor op nihil worden gesteld. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [eiser] kan als afstammeling van erflaatster bij plaatsvervulling aanspraak maken op de legitieme portie. Dat volgt uit artikel 4:63 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tussen partijen is niet in debat of [eiser] op tijd de legitieme heeft ingeroepen. De termijn van vijf jaar voor het inroepen van de legitieme, waarna de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, is niet van openbare orde zodat de rechtbank deze termijn niet ambtshalve zal toepassen. De rechtbank stelt vast dat [eiser] aanspraak heeft op de – nog vast te stellen – legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het wettelijk kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 4:78 BW kan de legitimaris die niet erfgenaam is tegenover de erfgenamen aanspraak maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en moeten de erfgenamen hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. Het begrip “alle daartoe strekkende inlichtingen” moet ruim worden uitgelegd, aangezien de wetgever heeft beoogd de rechten van de legitimaris tegen de erfgenamen (en executeurs) te verruimen<footnote-ref linkend="_c32c9060-c66d-4051-920d-13832d18176f" />. Wel geldt de beperking dat de gegevens nodig moeten zijn voor de berekening van de legitieme portie. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De gevorderde informatie. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiser] met de bewoordingen in het petitum “giften tot 5 jaar voor overlijden” doelt op de giften die erflaatster heeft verricht gedurende de periode van 5 jaar voorafgaand aan haar overlijden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De vordering tot het verstrekken van de gevraagde informatie zal worden toegewezen. [gedaagde] heeft niet weersproken dat [eiser] de gevorderde informatie nodig heeft voor de berekening van haar legitieme portie, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Volgens [gedaagde] zijn de gevraagde stukken al via de notaris aan [eiser] verstrekt. [eiser] betwist dat. [gedaagde] heeft niet onderbouwd hoe en wanneer de notaris dan precies de informatie aan [eiser] heeft gezonden en om welke stukken het concreet ging. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer, als zijnde onvoldoende onderbouwd, voorbij. </para>
        <para>Wel zal ten aanzien van de aangifte en aanslag erfbelasting worden bepaald dat zo nodig kan worden volstaan met het overleggen van een verklaring van een notaris of de belastingdienst, niet ouder dan drie maanden, waaruit blijkt dat inzake de nalatenschap van erflaatster geen aangifte erfbelasting is gedaan. [gedaagde] heeft namelijk tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij niet weet of een aangifte erfbelasting is ingediend en [eiser] heeft daarover geen concrete feiten gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat de boedelbeschrijving die [gedaagde] bij brief van 13 maart 2024 aan de rechtbank heeft overgelegd, niet correct is en een onjuist beeld geeft van de werkelijke omvang van de nalatenschap van erflaatster. Uit een door [eiser] overgelegde brief van [notaris] van 6 mei 2022 volgt dat het banktegoed van erflaatster per datum overlijden € 41.698,00 bedroeg in plaats van € 28.890,72 zoals [gedaagde] in haar boedelbeschrijving heeft vermeld. Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat op de boedelbeschrijving het onroerend goed van erflaatster ontbreekt dat [gedaagde] heeft verkocht (zie r.o. 4.10 hierna).</para>
        <para>De boedelbeschrijving die [gedaagde] aan [eiser] moet verstrekken, moet correct en naar waarheid worden opgesteld en moet voldoen aan de vereisten van artikel 674 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dwangsom.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De gevorderde dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 50.000,00 is niet weersproken en is daarom in beginsel toewijsbaar. De rechtbank ziet echter reden om het maximum te matigen tot € 10.000,- omdat dit bedrag voldoende prikkel tot nakoming zal geven. Om onduidelijkheid omtrent verbeurte van dwangsommen te voorkomen, wordt de termijn voor het verstrekken van de gevorderde informatie gesteld op tien dagen na betekening en niet op tien dagen na datum vonnis zoals [eiser] heeft gevorderd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Partijen moeten allebei opgave doen van giften.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert dat aan de hand van de door [gedaagde] te verstrekken informatie de hoogte wordt vastgesteld van de aan [eiser] toekomende legitieme en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om tot betaling daarvan over te gaan. De informatie die [eiser] vordert, heeft betrekking op het vermogen van erflaatster per datum overlijden en op eventuele giften in de periode van vijf jaar daarvoor. Voor de berekening van de legitieme portie en de vaststelling van de legitimaire aanspraak van [eiser] moet echter niet alleen komen vast te staan wat de omvang van de nalatenschap is en welke giften erflaatster heeft verricht in de laatste vijf jaar voor haar overlijden. Gezien het bepaalde in de artikelen 4:67 (bijtelling van giften) en 4:70 BW (imputatie van giften) moet ook rekening worden gehouden met giften die erflaatster langer dan vijf jaar voor haar overlijden heeft gedaan aan haar twee dochters en aan haar kleindochter [eiser] die immers legitimaris is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] globaal benoemd dat erflaatster tijdens haar leven een paar keer grote giften heeft verricht aan haar beide dochters, onder andere bij gelegenheid van verkoop van percelen grond en bij de verkoop van een boerderij. [vader eiser] heeft dat ter zitting in algemene zin bevestigd. De precieze bedragen waren ter zitting niet bekend. Deze giften zijn, ook als deze voor de twee dochters gelijk opliepen, wel degelijk van belang omdat deze meetellen voor de omvang van de legitimaire massa waartoe [eiser] voor 1/4e deel gerechtigd is terwijl de giften aan [dochter erflaatster] en [eiser] volledig in mindering komen op de legitieme portie van [eiser] .<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De rechtbank zal beide partijen daarom opdragen om bij ‘Akte opgave giften’ een opgave te doen van alle giften die erflaatster heeft verricht aan haar dochters [gedaagde] en [dochter erflaatster] en aan haar kleindochter-legitimaris [eiser] , dit met uitzondering van de gebruikelijke giften voor zover zij niet bovenmatig waren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Na het nemen van de ‘Akte opgave giften’ door beide partijen als bedoeld in r.o. 4.8 zal de rechtbank partij [eiser] in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de omvang van de legitimaire massa, de legitieme portie en de legitimaire aanspraak van [eiser] . Partij [gedaagde] mag daar vervolgens nog op reageren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zuivere aanvaarding door [gedaagde] .</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Voor het geval mocht komen vast te staan dat [eiser] een legitimaire aanspraak heeft jegens [gedaagde] , wijst de rechtbank partijen erop dat [gedaagde] als erfgenaam aansprakelijk is met haar eigen vermogen voor de voldoening van de legitieme als de nalatenschap niet toereikend is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] –  nadat haar brief van [notaris] van 6 mei 2022 werd voorgehouden – aangegeven dat zij in 2017 onroerend goed uit de nalatenschap heeft verkocht en dat zij de opbrengst ten bedrage van € 46.000,- op haar eigen bankrekening heeft ontvangen. [gedaagde] gedroeg zich daarmee ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam, zodat de rechtbank vaststelt dat [gedaagde] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. De latere verklaring van beneficiaire aanvaarding brengt daarin geen verandering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis de volgende informatie te verstrekken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>boedelbeschrijving met onderliggende stukken;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>bankafschriften van erflaatster van 5 jaar voor het overlijden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>aangiften Inkomstenbelasting jaar overlijden en 5 jaar voor datum overlijden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>opgave van giften die erflaatster heeft verricht gedurende de periode van 5 jaar voorafgaand aan haar overlijden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>aangifte en aanslag Erfbelasting, dan wel een verklaring van een notaris of de belastingdienst, niet ouder dan drie maanden, waaruit blijkt dat inzake de nalatenschap van erflaatster geen aangifte erfbelasting is gedaan;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de onder 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">woensdag 25 september 2024</emphasis> voor het nemen van een ‘Akte opgave giften’ door beide partijen over wat is vermeld onder 4.84.7;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>bepaalt dat [eiser] vervolgens op de rol van vier weken daarna een akte mag nemen over wat is vermeld onder 4.9, waarop [gedaagde] vervolgens op een nader te bepalen roldatum mag reageren;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_c32c9060-c66d-4051-920d-13832d18176f" label="1">
    <para> Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 2003, p. 1907-1908</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>