<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2024:4422</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-18T12:45:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11034619 BU VERZ 24-647</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004581&amp;g=2024-03-01">Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:4422">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:4422</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-18T12:45:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2024:4422 Rechtbank Noord-Nederland , 14-11-2024 / 11034619 BU VERZ 24-647</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2024:4422:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wahv - artikel 5 Wahv - verklaring van de verbalisant onvoldoende om te concluderen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was - enkele vermelding geen stopmiddelen &amp; tijdsdruk in verband met melding - gegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2024:4422:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beschikkingsnummer: [nummer]</para>
      <para>zaaknummer: 11034619 BU VERZ 24-647</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de kantonrechter van 14 november 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [bedrijf] (hierna: betrokkene),</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in [vestigingsplaats]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M. Lagas, Appjection B.V.).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Aan betrokkene is een sanctie opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Betrokkene heeft administratief beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. De officier van justitie heeft het administratieve beroep ongegrond verklaard. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. De behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van 5 november 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Betrokkene is ter zitting verschenen met zijn moeder. Als gemachtigde van betrokkene is verschenen D. Pietersen, kantoorgenote van mr. Lagas. Als vertegenwoordigster van de officier van justitie is verschenen mr. R.A. van der Velde (hierna: de vertegenwoordigster).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Standpunten van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De verweten gedraging betreft ‘niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg’, verricht op 14 november 2022, om 16:42 uur, locatie Rijksweg A7 in Midwolde, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde sanctie bedraagt € 229,00 (inclusief administratiekosten).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Betrokkene voert aan dat hij het stuk goed kent en dat er op het moment van de gedraging 2300 auto’s in een uur reden. Dat zijn 38 auto’s per minuut. Hierdoor kon betrokkene niet naar rechts. Verder voert gemachtigde aan dat niet is gebleken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Gemachtigde verzoekt om vergoeding van de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De sanctie is terecht aan de kentekenhouder opgelegd. Ter zitting heeft de vertegenwoordigster een reactie van de betreffende verbalisant per mail overgelegd. Hieruit blijkt dat wegens tijdsdruk geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Hierbij is een afweging gemaakt door de verbalisant. Hier wordt niet aan getoetst. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Overwegingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Betrokkene betwist de gedraging. In Mulderzaken is de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende voor het vaststellen van de gedraging. Dat is anders als de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden geeft, die laten twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring, of als zulke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De verklaring van de verbalisant van 14 november 2022, zoals opgenomen in het dossier, houdt onder meer het volgende in: “<emphasis role="italic">Ik zag dat de bestuurder de 1 rijstrook volgde, over een afstand van ten minste 7500 meter. De rijstrook, was over die afstand geheel vrij van verkeer. Er waren geen omstandigheden die het niet zoveel mogelijk rechts houden noodzaakten</emphasis>.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Naar het oordeel van de kantonrechter staat op basis van de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht vast dat betrokkene niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden. Dat het volgens betrokkene druk was, geeft geen aanleiding tot twijfel aan de verklaring van de verbalisant. Hierbij is relevant dat de verbalisant heeft verklaard dat betrokkene gedurende 7500 meter links reed. Hierdoor kan de gedraging worden vastgesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Met betrekking tot het niet plaatsvinden van een staandehouding verklaart de verbalisant het volgende in het zaakvoerzicht: “<emphasis role="italic">geen stopbord aanwezig in de auto.</emphasis>” Daarnaast verklaart de verbalisant het volgende in het mailbericht: “<emphasis role="italic">Het gebeurd regelmatig dat we tijdens het aanrijden zijn naar een melding situaties zien welke normaal een staandehouding krijgen en proces verbaal. Echter soms vanwege tijdsdruk wordt ervoor gekozen dit te doen op kenteken omdat er dan geen tijd is voor een staandehouding wat altijd ten grondslag ligt voor deze manier van bekeuren</emphasis>.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt dat de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht en de aanvullende verklaring per mail onvoldoende zijn om te concluderen dat er geen reële mogelijkheid was om betrokkene staande te houden. Met betrekking tot de verklaring in het zaakoverzicht is het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 28 oktober 2022<footnote-ref linkend="_f0e8bf53-d99f-4938-a007-5bdd59a8f5bc" /> relevant. Hieruit blijkt dat de enkele vermelding dat de verbalisant geen stopmiddelen voorhanden heeft in zijn algemeenheid onvoldoende is om te kunnen concluderen dat er geen reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden. Voor de beoordeling is bijvoorbeeld relevant of de ambtenaar in een herkenbaar politievoertuig reed, maar hierover ontbreekt informatie. Vervolgens is het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 6 april 2021<footnote-ref linkend="_3724d268-a745-46ce-9547-85576d029a50" /> relevant met betrekking tot de verklaring van de verbalisant per mail. Dat sprake was van tijdsdruk in verband met een melding is onvoldoende om vast te stellen dat geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Van de ambtenaar mag worden verwacht dat hij de aard en mate van spoedeisendheid van de melding in zijn toelichting noemt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Gelet op bovenstaande kan niet met zekerheid worden gesteld dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd. Deze twijfel dient in het voordeel van betrokkene te worden uitgelegd en wel in die zin, dat het beroep gegrond zal worden verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Daarom zijn er gronden aanwezig om de door betrokkene gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden. Ingevolge de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt één punt ter waarde van € 624,00 toegekend voor het indienen van een bezwaarschrift,  één punt ter waarde van € 875,00 voor het indienen van een beroepschrift en één punt ter waarde van € 875,00 voor het verschijnen op de zitting<emphasis role="italic">.</emphasis> Gelet op de aard van de zaak en conform de lijn van het hof voor bezwaren en beroepen tegen beslissingen van vóór 1 januari 2024 (zie hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2024:1), past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. De berekening is als volgt: één punt x € 624,00 x 0,5 + één punt x € 875,00 x 0,5 + één punt x € 875,00 x 0,5. Dit maakt een bedrag van € 1187,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Met ingang van 1 januari 2024 is in artikel 13a, derde en vierde lid van de Wahv bepaald dat uitbetalingen ingevolge een beslissing op het administratief beroep of een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de beschikking van de administratieve sanctie is opgelegd. Er is geen overgangsrecht van toepassing en deze vorderingen tot uitbetaling zijn niet vatbaar voor vervreemding of verpanding. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;</para>
      <para> vernietigt die beslissing;</para>
      <para> verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;</para>
      <para> vernietigt die inleidende beschikking;</para>
      <para> bepaalt dat betrokkene het betaalde aan zekerheidstelling terugkrijgt;</para>
      <para> veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten op € 1187,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.A. Wiersma, kantonrechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. W.B. Jongsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier,							kantonrechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel </emphasis>
      </para>
      <para>Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het </para>
      <para>gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:</para>
    </parablock>
    <para>a. de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of</para>
    <para>b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f0e8bf53-d99f-4938-a007-5bdd59a8f5bc" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2022:9228.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3724d268-a745-46ce-9547-85576d029a50" label="2">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2021:3239.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>