<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2024:3990</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-10T15:33:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18-293477-21 ontneming</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:3990">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:3990</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-10T15:33:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2024:3990 Rechtbank Noord-Nederland , 10-10-2024 / 18-293477-21 ontneming</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2024:3990:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Veroordeling wegens medeplichtigheid aan oplichting. De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2024:3990:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">Uitspraak</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling strafrecht</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer 18/293477-21</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 10 oktober 2024 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">[veroordeelde]</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelde,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>De officier van justitie heeft d.d. 22 november 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 9.272,93 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/293477-21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 26 september 2024. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. M.W. Bouwman, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Pitstra.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt van de officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, anders dan in de schriftelijke vordering, het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op 2.302,88. De officier van justitie heeft dat bedrag gebaseerd op de inhoud van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 december 2018. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van zaak 1, de zaak waarin verdachte een aandeel heeft, is in dat rapport berekend op 5.641,72. Verdachte heeft daar zelf de helft van ontvangen, te weten 2.820,86. Volgens de officier van justitie moeten daar de voor toewijzing in aanmerking komende vorderingen benadeelde partij voor de helft van worden afgetrokken, te weten 517,98. Het bedrag van 2.820,86 verminderd met 517,98 is 2.302,88.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt van de verdediging</title>
    <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van een goede procesorde als de vordering tot ontneming zou worden toegewezen. In de zaak van medeverdachte [medeverdachte] is de vordering tot ontneming afgewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn. In deze zaak is eveneens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte wordt zelfs nog later berecht dan medeverdachte [medeverdachte] . De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vordering tot ontneming af te wijzen. Subsidiair doet de raadsvrouw het verzoek om bij het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan te sluiten bij de bedragen die in de tenlastelegging staan. De toegewezen vorderingen benadeelde partij moeten er vervolgens van worden afgetrokken. Dat zou neerkomen op een bedrag van 0 euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para>De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 10 oktober 2024 in de zaak met parketnummer 18/293477-21 veroordeeld ter zake medeplichtigheid aan oplichting.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot ontneming dient te worden afgewezen. Gelet op het relatief geringe bedrag aan genoten wederrechtelijk verkregen voordeel, de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, en in het bijzonder de afdoening van de vordering tot ontneming tegen de medeverdachte en het forse tijdsverloop, is toewijzing van de ontnemingsvordering naar het oordeel van de rechtbank niet langer aangewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>Wijst de vordering van de officier van justitie af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. H. Brouwer en</para>
      <para>mr. A. Nieuwenhuis, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 oktober 2024.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>