<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2024:2177</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-04T09:34:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE 22/4301</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2026:2353" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2026:2353, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:2177">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:2177</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-04T09:24:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2024:2177 Rechtbank Noord-Nederland , 06-06-2024 / LEE 22/4301</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2024:2177:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>IB/PVV. De rechtbank concludeert dat eiser de nabetaling in fiscale zin heeft ‘genoten’ in 2020, omdat hij dat geld pas in dat jaar in één keer heeft ontvangen en er eerder onzekerheid was over zijn recht daarop. Dat betekent dat de inspecteur het inkomen van eiser over 2020 juist heeft vastgesteld. De rechtbank kan niets veranderen aan deze situatie, omdat dat een keuze van de belastingwetgever is geweest. De aanslag klopt. Wel wil de rechtbank nog het volgende opmerken. Dat de aanslag IB/PVV 2020 voor eiser tot een enorm te betalen bedrag heeft geleid, komt niet alleen doordat de belastingwet zegt dat een nabetaling loon ineens is op het moment van nabetalen. De rechtbank heeft sterk het vermoeden dat het UWV veel te weinig loonheffing heeft ingehouden op de nabetaling. Het is immers erg onwaarschijnlijk dat er maar € 2.373 aan loonheffing drukt op een bruto loonbedrag van € 30.638.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2024:2177:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: LEE 22/4301 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 juni 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Eindhoven</emphasis>, de inspecteur </para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 augustus 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan eiser met dagtekening 26 april 2022 voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar (uitsluitend) een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.117.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 233 belastingrente in rekening gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de inspecteur [vertegenwoordiger inspecteur] . </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 3 januari 2022 heeft eiser een aangifte IB/PVV 2020 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.479, geheel bestaande uit loon uit vroegere dienstbetrekking (een uitkering van het UWV). Eiser heeft een bedrag van € 1.731 aan ingehouden loonheffing aangegeven. Met dagtekening 18 februari 2022 heeft de inspecteur aan eiser een voorlopige aanslag over 2020 opgelegd op basis van eisers aangifte. Daaruit volgde een teruggaaf van € 1.650.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Met dagtekening 26 april 2022 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld in afwijking van de door eiser ingediende aangifte. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 38.117, bestaande uit een bedrag van € 30.638 aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en een bedrag van € 7.479 loon uit vroegere dienstbetrekking. De totale ingehouden loonheffing is vastgesteld op € 4.104.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 31 mei 2022 heeft eiser een herziene aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 38.117 en bestaat uit loon uit vroegere dienstbetrekking. Eiser heeft een bedrag van € 31.010 aan ingehouden loonheffing aangegeven. Deze aangifte is door de inspecteur aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De inspecteur heeft met dagtekening 19 juli 2022 een vooraankondiging uitspraak op bezwaar naar eiser gestuurd. Bij uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2022 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Uit door de inspecteur overgelegde, gerenseigneerde informatie blijkt dat eiser in 2020 de volgende inkomsten heeft genoten:</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>Inkomsten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Ingehouden Loonheffing</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Dienstbetrekking</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  [werkgever]
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 0</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 0</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Tegenwoordige dienstbetrekking</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>UWV</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 30.638</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 2.373</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Tegenwoordige dienstbetrekking</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>UWV</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 7.479</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 1.731</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Vroegere dienstbetrekking</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">Totaal</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">€ 38.117</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">€ 4.104</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitkering van € 7.479 is een WIA-uitkering die is ingegaan op 9 augustus 2020. De uitkering van € 30.638 betreft een Ziektewetuitkering.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. In geschil is de hoogte van de aanslag IB/PVV 2020. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning en de daarop ingehouden loonheffing juist heeft vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>4. Volgens eiser is de aanslag te hoog vastgesteld. De inspecteur is van mening dat de aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld en wijst in dat kader op de door de inspecteur ontvangen informatie van het UWV.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken van het geding blijkt dat er bij het inkomen van eiser voor het jaar 2020 uitgegaan dient te worden van een totaalbedrag aan uitkeringen van het UWV van € 38.117 en van een bedrag aan loonheffing van € 4.104. Dat blijkt uit de ten name van eiser gerenseigneerde loongegevens. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan die bedragen te twijfelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Eiser heeft ook niet gesteld dat die gegevens niet kloppen. Sterker nog: op de zitting is duidelijk geworden waarom eiser in 2020 ruim € 30.000 (bruto) van het UWV heeft gekregen. Dat kwam doordat het UWV aanvankelijk – in afwachting van een procedure over zijn uitkeringsrecht – de <emphasis role="italic">uitbetaling</emphasis> van de uitkering heeft stopgezet. Toen die procedure was afgerond en eiser recht bleek te hebben op de uitkering, heeft het UWV de achterstallige uitbetalingen alsnog, ineens, aan eiser betaald. Deze nabetaling had in ieder geval betrekking op de periode 22 oktober 2018 tot en met 16 februari 2020. De belastingwet werkt dan zo, dat de nabetaling ineens pas op het moment van daadwerkelijke uitbetaling in aanmerking wordt genomen. Oftewel: die hele € 30.000 is belastbaar inkomen in 2020, omdat het fiscale genietingsmoment nu eenmaal in dat jaar is gelegen (zie artikel 3.146 Wet op de inkomstenbelasting 2001). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De conclusie is dat eiser de nabetaling in fiscale zin heeft ‘genoten’ in 2020, omdat hij dat geld pas in dat jaar in één keer heeft ontvangen en er eerder onzekerheid was over zijn recht daarop. Dat betekent dat de inspecteur het inkomen van eiser over 2020 juist heeft vastgesteld. De rechtbank kan niets veranderen aan deze situatie, omdat dat een keuze van de belastingwetgever is geweest. De aanslag klopt.</para>
      <para />
      <para>6. Wel wil de rechtbank nog het volgende opmerken. Dat de aanslag IB/PVV 2020 voor eiser tot een enorm te betalen bedrag heeft geleid, komt niet alleen doordat de belastingwet zegt dat een nabetaling loon ineens is op het moment van nabetalen. De rechtbank heeft sterk het vermoeden dat het UWV veel te weinig loonheffing heeft ingehouden op de nabetaling. Het is immers erg onwaarschijnlijk dat er maar € 2.373 aan loonheffing drukt op een bruto loonbedrag van € 30.638. De rechtbank denkt dus dat er op de een of andere manier achter de schermen bij het UWV iets is misgegaan. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat het UWV tijdens de procedure over het uitkeringsrecht wel gewoon elke maand (of elke vier weken) een loonstrook heeft gedraaid, maar steeds het netto bedrag dat onderaan die strook staat heeft achtergehouden in afwachting van de procedure. Toen die procedure was afgerond, zijn eenvoudigweg alle achterstallige bedragen bij elkaar opgeteld en heeft het UWV de opgetelde netto bedragen aan eiser uitbetaald. De opgetelde bruto bedragen en de opgetelde inhoudingen van loonheffing zijn vervolgens doorgegeven aan de Belastingdienst. Als dat klopt, zou dat verklaren waarom het UWV zo weinig loonheffing heeft ingehouden (als het bedrag van € 30.000 fiscaal gezien was uitgesmeerd over de hele periode, dus over een jaar en vier maanden, kan dat namelijk best kloppen). De rechtbank heeft geworsteld met de vraag wat de rechtbank hiermee moet of kan. Als het klopt wat de rechtbank denkt, is het nog steeds zo dat eiser nu <emphasis role="italic">niet</emphasis> teveel belasting betaalt: hij heeft dan alleen eerst te veel netto gekregen van het UWV omdat er te weinig loonheffing werd ingehouden. De aanslag IB/PVV klopt dus gewoon. Wel kan de rechtbank zich goed voorstellen dat iemand zoals eiser die eerst meer dan een jaar geen geld krijgt, maar achteraf toch recht blijkt te hebben op een uitkering, niet meteen denkt aan de mogelijkheid dat hij later nog een flink deel van zijn nabetaalde uitkering moet gaan afdragen aan de Belastingdienst. Zo iemand kan zelfs in de problemen komen, omdat hij bijvoorbeeld schulden moet afbetalen die hij in de periode heeft gemaakt waarin hij geen uitkering betaald kreeg en dus geen inkomen had. De rechtbank vindt het te ver gaan om op dit punt zelf actie te ondernemen richting het UWV, maar eiser zou dat wel kunnen doen, bijvoorbeeld door het klachtenformulier in te vullen. Daarbij kan eiser dan deze uitspraak meesturen, zodat het UWV begrijpt waar de crux zit.</para>
      <para />
      <para>7. Op de zitting heeft eiser aangegeven in 2020 ineens een groter bedrag aan uitkering van het UWV te hebben ontvangen (dat ziet op de periode 22 oktober 2018 tot en met 16 februari 2020) en in 2019 helemaal geen inkomen te hebben gehad. Op de zitting is met partijen besproken dat een <emphasis role="italic">verzoek tot middeling</emphasis> mogelijk tot een teruggaaf voor eiser zou kunnen leiden. Daarmee wordt dan een deel van de pijn verzacht. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank stukken van eiser ontvangen, waarin onder meer een (leeg) formulier ‘Verzoek om middeling’ is begrepen. De rechtbank stuurt een kopie van deze stukken tegelijk met de uitspraak naar de inspecteur, zodat de inspecteur eisers verzoek om middeling met inachtneming van de informatie uit deze uitspraak in behandeling kan nemen.</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schadevergoeding</emphasis>
      </para>
      <para>8. Eiser heeft niet verzocht om een immateriële schadevergoeding (ISV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden omdat de redelijke termijn is verstreken na afloop van de zesweekstermijn voor het doen van uitspraak. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Daarbij heeft te gelden dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar mag duren en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar. De ISV bedraagt forfaitair € 500 per half jaar (of deel daarvan) van overschrijding. </para>
      <para />
      <para>9. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 31 mei 2022 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 juni 2024. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn er afgerond 2 jaren en een week verstreken, zodat de redelijke termijn voor geschilbeslechting met een week is overschreden. Dit leidt tot een ISV van € 500. Deze overschrijding is geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De Minister zal daarom veroordeeld worden tot het betalen van de ISV van € 500.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Het beroep is ongegrond. Vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schade ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat aan eiser het betaalde griffierecht van € 50 wordt vergoed. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze vergoeding ambtshalve vast op € 35 (gebaseerd op de reiskosten met het openbaar vervoer, tweede klas).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- gelast de inspecteur om het verzoek tot middeling in behandeling te nemen;</para>
    <para>- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500;</para>
    <para>- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van de proceskosten aan eiser tot een bedrag van € 35;</para>
    <para>- draagt de Minister op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>