<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2024:1221</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-05T10:29:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10529377 CV EXPL  23-3317</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:1221">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2024:1221</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-05T10:28:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2024:1221 Rechtbank Noord-Nederland , 26-03-2024 / 10529377 CV EXPL  23-3317</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2024:1221:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Betaling van collegegeld. De onderwijsinstelling maakt deel uit van het openbaar onderwijsstelsel en wordt (hoofdzakelijk) gefinancierd uit de staatskas. De vordering valt daarom buiten de werkingssfeer van afdeling 6.5.2B BW, zodat niet ambtshalve wordt getoetst aan de daarin geregelde informatieplichten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2024:1221:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 10529377 CV EXPL  23-3317</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 26 maart 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Hogeschool Utrecht</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Utrecht,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>hierna te noemen: Hogeschool Utrecht,</para>
      <para>gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [voornaam] [gedaagde]</emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Hogeschool Utrecht vordert bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 689,64 aan Hogeschool Utrecht te betalen, vermeerderd met rente en kosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Tegen [gedaagde] is verstek verleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft zich online ingeschreven voor de opleiding B Fysiotherapie bij de Hogeschool Utrecht via studielink (een landelijk digitaal systeem van alle Nederlandse hogescholen en universiteiten voor inschrijving). De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is van toepassing op deze overeenkomst. Deze wet regelt de manier van inschrijving (via Studielink) voor een opleiding en de toelating tot het onderwijs. Ook is de (vaststelling van de) hoogte van het collegegeld wettelijk geregeld. Hogeschool Utrecht vordert in deze procedure betaling van (een deel van) dit collegegeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de kantonrechter valt de onderhavige overeenkomst (voor wat betreft het onderhavige collegegeld), anders dan de kantonrechter eerder heeft geoordeeld, niet onder de reikwijdte van de informatieplichten als bedoeld in afdeling 6.5.2B BW en zij overweegt daarover als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De in afdeling 6.5.2B BW geregelde informatieplichten komen voort uit de Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten. Uit de Richtlijn 2011/83/EU volgt, kort gezegd, dat deze richtlijn tot doel heeft een hoog consumentenbeschermingsniveau te verwezenlijken op de Europese interne markt en niet verder gaat dan nodig is voor deze doelstelling, in die zin dat de (economische) belangen van de consument op de interne markt worden beschermd en gewaarborgd.<footnote-ref linkend="_0707a37d-81ac-4f96-9840-aafbc40b4f4f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De Hogeschool Utrecht maakt deel uit van het openbaar onderwijsstelsel en wordt volledig of hoofzakelijk uit de staatskas gefinancierd. De Hogeschool Utrecht verricht geen werkzaamheden tegen een vergoeding, maar vervult een taak van algemeen belang ten dienste van de bevolking. Dit is een activiteit van algemeen belang die buiten de werkingssfeer van afdeling 6.5.2B BW valt. Daarbij vloeit de inschrijfprocedure (via Studielink) voort uit de WHW en deze procedure van inschrijven is gevolgd. De (vaststelling van de) hoogte van het collegegeld is wettelijk geregeld en gewaarborgd. Dit alles betekent dat de WHW de rechtsverhouding tussen partijen volledig beheerst en waarborgt. De kantonrechter zal gelet hierop niet ambtshalve aan de informatieplichten als bedoeld in afdeling 6.5.2B BW toetsen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De gevorderde hoofdsom van € 576,28 komt de kantonrechter tegen deze achtergrond niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen. Ditzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente van € 8,77.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De vordering voldoet ook aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zodat het hiervoor gevorderde bedrag van € 104,59 zal worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de van Hogeschool Utrecht worden begroot op een bedrag van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dagvaardingskosten:	€ 130,49</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>griffierecht:		€ 322,00</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>salaris gemachtigde:	€ 135,00</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>nakosten:		<emphasis role="underline">€   67,50</emphasis></para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>totaal:				€ 654,99</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan Hogeschool Utrecht een bedrag van € 689,64 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 576,28 vanaf de dagvaarding tot de dag van de volledige voldoening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Hogeschool Utrecht begroot op een bedrag van € 654,99;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst voor zover nodig het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>26 maart 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>48315</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_0707a37d-81ac-4f96-9840-aafbc40b4f4f" label="1">
    <para> Overweging 65 preambule Richtlijn 2011/83/EU en artikel 1 Richtlijn 2011/83/EU.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>