<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2022:831</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-10T13:18:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE 22/787 (beroep) en LEE 22/786 (voorlopige voorziening)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2022:915" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2022:915, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2024:816" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:816, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0014194&amp;g=2020-01-01">Wet justitiële gegevens</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2022:831">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2022:831</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-23T16:34:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2022:831 Rechtbank Noord-Nederland , 23-03-2022 / LEE 22/787 (beroep) en LEE 22/786 (voorlopige voorziening)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2022:831:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>VOG. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd en dient te worden vernietigd.</para>
      <para />
      <para>In het kader van de strafrechtelijke beoordeling heeft de raadkamer van deze rechtbank de voorlopige hechtenis van verzoeker geschorst. Daarbij is acht geslagen op de rapportage van de reclassering die onder meer een risicoanalyse heeft gemaakt. Voorts is van belang dat het bedrijf van verzoeker op het spel staat: zonder VOG kan de vergunning die hij nodig heeft voor zijn werkzaamheden als rijinstructeur niet verlengd worden. Aannemelijk is dat daarmee het voortbestaan van de rijschool in geding is. Niet bestreden is dat verzoeker en zijn partner geen personeel in dienst hebben dat de werkzaamheden zou kunnen overnemen. De enkele stelling van verweerder dat anderen de werkzaamheden kunnen overnemen overtuigt de voorzieningenrechter niet. Het niet kunnen beschikken over een VOG zou, zoals verzoeker terecht aangevoerd heeft, teniet doen wat in het kader van het strafrecht juist mogelijk gemaakt is: het voortzetten van zijn werk en daarmee gevolgen voor zijn bedrijf (en dus voor hemzelf en zijn partner) voorkomen. Die gevolgen, alles afwegend, dienen – ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter – zwaarder te wegen dan het risico voor de samenleving, bedoeld in artikel 35 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.</para>
      <para />
      <para>Zelf voorziend zal de voorzieningenrechter de weigering van de VOG herroepen en bepalen dat verweerder verzoeker uiterlijk op maandag 28 maart 2022, om 12.00 uur in het bezit stelt van een VOG.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2022:831:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: LEE 22/787 (beroep) en LEE 22/786 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2022 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Mulder)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister voor Rechtsbescherming, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.L. de Gier).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 maart 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.</para>
    <para />
    <para>2. De vraag die aan de voorzieningenrechter ter beoordeling voorligt is of verweerder aan verzoeker de door hem gevraagde Verklaring omtrent het gedrag (VOG) heeft mogen weigeren.</para>
    <para />
    <para>3. Gelet op het voor beoordeling van deze vraag van belang zijnde toetsingskader overweegt de voorzieningenrechter het volgende.</para>
    <para />
    <para>4. Er is voldaan aan het objectieve criterium, dat is op zichzelf niet in geschil. Er ligt een aangifte en verweerder mag dat gegeven hanteren als grondslag voor een weigering.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij de belangenafweging die daarop, in het kader van het subjectieve criterium, dient te volgen weegt verweerder – kort gezegd – mee:</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat het delict nog maar kort geleden is;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat het gaat om verdenking van een zedendelict en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat de bescherming van de maatschappij van groot belang is.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Daartegenover staan de belangen die door verzoeker zijn aangevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Verweerders besluit geeft onvoldoende duidelijkheid over hoe hij die belangen van verzoeker heeft gewogen. De vaststelling dat “het tijdsverloop onvoldoende is” rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet de conclusie dat het vastgestelde risico zwaarder weegt dan de belangen die door verzoeker zijn gesteld. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd en dient te worden vernietigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.	Het is duidelijk dat voldaan is aan het objectieve criterium. Maar eigenlijk voert verzoeker hier aan: er is in deze situatie iets bijzonders aan de hand, de gevolgen van de weigering zijn onevenredig. De voorzieningenrechter is het daarmee eens en overweegt het volgende.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>In het kader van de strafrechtelijke beoordeling heeft de raadkamer van deze rechtbank de voorlopige hechtenis van verzoeker geschorst. Daarbij is acht geslagen op de rapportage van de reclassering die onder meer een risicoanalyse heeft gemaakt. Voorts is van belang dat het bedrijf van verzoeker op het spel staat: zonder VOG kan de vergunning die hij nodig heeft voor zijn werkzaamheden als rijinstructeur niet verlengd worden. Aannemelijk is dat daarmee het voortbestaan van de rijschool in geding is. Niet bestreden is dat verzoeker en zijn partner geen personeel in dienst hebben dat de werkzaamheden zou kunnen overnemen. De enkele stelling van verweerder dat anderen de werkzaamheden kunnen overnemen overtuigt de voorzieningenrechter niet. Het niet kunnen beschikken over een VOG zou, zoals verzoeker terecht aangevoerd heeft, teniet doen wat in het kader van het strafrecht juist mogelijk gemaakt is: het voortzetten van zijn werk en daarmee gevolgen voor zijn bedrijf (en dus voor hemzelf en zijn partner) voorkomen. Die gevolgen, alles afwegend, dienen – ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter – zwaarder te wegen dan het risico voor de samenleving, bedoeld in artikel 35 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.</para>
      <para />
      <para>6. Zelf voorziend zal de voorzieningenrechter de weigering van de VOG herroepen en bepalen dat verweerder verzoeker uiterlijk op maandag 28 maart 2022, om 12.00 uur in het bezit stelt van een VOG.</para>
      <para />
      <para>7. De voorzieningenrechter realiseert zich dat het in beginsel aan verweerder is om een beslissing op een aanvraag om een VOG te nemen. Zo bezien is deze uitspraak uitzonderlijk ingrijpend. Niettemin komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat op dit moment effectieve rechtsbescherming alleen kan worden geboden door deze beslissing te nemen. De bevoegdheidspas van verzoeker is immers geldig tot 30 maart 2022, terwijl IBKI van verzoeker vergt dat hij een VOG overlegt bij de aanvraag tot verlenging van zijn pas.</para>
      <para>Nu er meteen op het beroep beslist zal worden wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Bij dat verzoek heeft verzoeker immers geen belang meer. </para>
      <para />
      <para>8. Er is aanleiding voor een proceskostenvergoeding, die wordt berekend conform het Bpb (twee punten bezwaar à € 541,–, twee punten beroep à € 759,–) op een totaalbedrag van € 2.600,–. Verweerder dient tevens het door verzoeker betaalde griffierecht voor het beroep te vergoeden.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>herroept het primaire besluit tot weigering van de VOG;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>bepaalt dat verweerder verzoeker uiterlijk op maandag 28 maart 2022, om 12.00 uur in het bezit stelt van een VOG;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.600,–;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 184,– voor het beroep vergoedt.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>De mondelinge uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier, op 23 maart 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier						voorzieningenrechter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>