<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2022:1295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-25T15:13:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9601057 CV EXPL  21-7963</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2022:1295">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2022:1295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-25T15:10:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2022:1295 Rechtbank Noord-Nederland , 12-04-2022 / 9601057 CV EXPL  21-7963</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2022:1295:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huur. Vernietiging van een niet gemaximeerde huurboete. Oneerlijk beding als bedoeld in de Richtlijn 93/13/EEG.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2022:1295:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling Privaatrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rolnummer: 9601057 CV EXPL  21-7963</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter van 12 april 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Woldring United B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Groningen,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. B.M.B. Gruppen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Nederland,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna "Woldring" en " [gedaagde] " worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 15 februari 2022 waarin Woldring (kort gezegd) is gevraagd om de publicatie van haar exploot in de Staatscourant over te leggen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Woldring heeft nadien de voornoemde publicatie overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Woldring vordert - zakelijk weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de huurachterstand van € 4.376,00 en de contractuele boete van € 300,00, vermeerderd met rente en kosten. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Woldring legt, kort gezegd, aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door een huurachterstand te laten ontstaan.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Uit de dagvaarding (met producties) en de overgelegde publicatie van de Staatscourant is gebleken dat [gedaagde] correct is opgeroepen. Ook de overige bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen, zodat verstek is verleend tegen [gedaagde] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In deze procedure gaat het in het kort om de vraag of [gedaagde] is gehouden tot betaling van de door Woldring gevorderde bedragen. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. Daarom moet worden uitgegaan van de juistheid van de door Woldring gestelde feiten. De op die feiten gebaseerde vorderingen tot betaling van de huurachterstand en de rente komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zullen worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De kantonrechter constateert echter dat Woldring bedragen in rekening heeft gebracht bij [gedaagde] vanwege het niet tijdig voldoen van de huurpenningen. Woldring baseert zich hierbij op artikel 4 van de Toelichting huurovereenkomst (hierna: Toelichting), die op grond van artikel 12.1 van de huurovereenkomst deel uitmaakt van de huurovereenkomst.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Uit artikel 4 lid 3 van de Toelichting volgt - samengevat weergegeven - dat een huurder aan Woldring een volmacht verleent voor het automatisch incasseren van de huurprijs en eventuele verdere kosten. Indien de huurder de huurprijs (zogenoemd) onjuist voldoet, brengt Woldring extra (zogenoemde) administratiekosten in rekening vanaf de tweede onjuiste betaling. Bij de tweede onjuiste betaling is de huurder een bedrag ad € 25,00 verschuldigd, bij de derde onjuiste betaling is de huurder een bedrag ad € 50,00 verschuldigd en bij de vierde onjuiste betaling en de hierop volgende onjuiste betaling(en) een bedrag ad € 75,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Woldring vordert een totaalbedrag van € 300,00 aan 'administratiekosten'. De kantonrechter ziet dit echter als een verkapte boete. Volgens Woldring is deze boete proportioneel, omdat de boete niet buitensporig hoog is, is gemaximeerd en ziet op eenmalige bedragen per onjuiste betaling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De kantonrechter oordeelt over dit beding het volgende. Volgens Richtlijn 93/13/EEG is een beding dat een onevenredig hoge schadevergoeding oplegt aan een consument - huurder - die zijn verplichting niet nakomt oneerlijk en daarom vernietigbaar. De kantonrechter moet deze richtlijn ambtshalve toepassen. De kantonrechter is van oordeel - anders dan dat Woldring meent - dat de boete oneerlijk is als bedoeld in de Richtlijn 93/13/EEG, omdat de boete niet gemaximeerd is en deze daardoor oneindig kan oplopen. De kantonrechter overweegt hierbij dat het niet relevant is hoe het beding in het gegeven geval uitpakt, maar slechts hoe het beding in theorie zou hebben kunnen uitpakken. Nu [gedaagde] op grond van de Toelichting vanaf de tweede maal niet (correct) nakomen van de betalingsverplichting een boete heeft verbeurd, de huurprijs een bedrag van € 1.094,00 (inclusief servicekosten) per maand betreft en de verschuldigde boetes in beginsel oneindig kunnen oplopen, acht de kantonrechter het boetebeding buitenproportioneel, ook al zijn deze boetes slechts bedoeld als prikkel tot nakoming. Om die reden zal de kantonrechter het beding vernietigen, zodat het beding buiten toepassing zal worden gelaten en de door Woldring in rekening gebrachte boetes wegens het 'onjuist betalen' (ad € 300,00) zullen worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen - zoals gevorderd - worden toegewezen, omdat voldoende is gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en het gevorderde bedrag van € 473,20 overeenkomt met de staffel uit het Besluit voor vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De hierover gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Woldring heeft verder gesteld dat zij opleveringsschade heeft geleden (ad € 681,50). Woldring heeft ter zake van de opleveringsschade echter geen vordering ingesteld, zodat dit onderdeel geen nadere bespreking behoeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Tegen deze achtergrond zal een totaalbedrag van (€ 4.376,00 + € 473,20) € 4.849,20 worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De meegevorderde nakosten zullen ook worden toegewezen en worden begroot op een bedrag van € 124,00. De gevorderde rente over de proces- en nakosten is eveneens toewijsbaar en zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, zoals hierna in de beslissing is vermeld. De proceskosten aan de zijde van Woldring worden begroot op een bedrag van:</para>
      <para>- dagvaardingskosten:	€ 102,15</para>
      <para>- griffierecht:		€ 487,00</para>
      <para>- gemachtigdesalaris:	<emphasis role="underline">€ 249,00</emphasis></para>
      <para>- totaal			€ 838,15</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan Woldring tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 4.849,20 te betalen aan huurachterstand van juli tot en met oktober 2021 en aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.376,00 vanaf de dag van verzuim van de betreffende huursom tot aan de dag der voldoening, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over € 473,20 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Woldring begroot op een bedrag van € 838,15, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente over het niet betaalde bedrag, tot de algehele voldoening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, aan de zijde van Woldring begroot op een bedrag van € 124,00, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente over het niet betaalde bedrag, tot de algehele voldoening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis - tot zover - uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus gewezen door mr. R. Bootsma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c 48315</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>