<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2022:1062</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:48:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 3609</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/1018</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/25.22.14</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2022:1062">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2022:1062</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-19T13:42:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2022:1062 Rechtbank Noord-Nederland , 05-04-2022 / AWB - 21 _ 3609</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2022:1062:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft het verzoek van eiser om toekenning van een dwangsom bij beschikking van 24 maart 2021 afgewezen. Eiser heeft per brief met dagtekening “mei 2021”, door verweerder ontvangen op 30 juni 2021, gereageerd op de beschikking. Deze brief is door verweerder aangemerkt als een bezwaarschrift. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. In geschil is of dit terecht is. </para>
        <para>Volgens eiser is de brief van “mei 2021” door verweerder ten onrechte aangemerkt als een bezwaarschrift en hield de brief een verzoek in om de (eerdere) ingebrekestelling af te werken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de brief terecht als bezwaarschrift tegen de beschikking van 24 maart 2021 heeft aangemerkt. Eiser heeft in deze brief namelijk de datum van de beschikking genoemd en heeft verweerder verzocht de ingebrekestelling, waarop de beschikking van 24 maart 2021 betrekking had, af te werken. </para>
        <para>De rechtbank concludeert dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het bezwaarschrift buiten de termijn is ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2022:1062:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: LEE 21/3609</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 april 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: J. Sierts),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 24 maart 2021 heeft verweerder het verzoek van eiser om toekenning van een dwangsom afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2022. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [medewerker verweerder] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 5 mei 2019 aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2018. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt -/- € 90.806 en is als volgt opgebouwd. Aan inkomsten uit pensioen, lijfrente of andere uitkering heeft eiser in totaal <?linebreak?>€ 39.338 aangegeven. Eiser heeft onder de eigenwoningregeling als saldo van inkomsten en aftrekposten eigen woning een bedrag van -/- € 1.153 aangegeven. Eiser heeft bij het resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen een bedrag van -/- € 128.991 aangegeven, dat als volgt is opgebouwd:</para>
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>Omschrijving</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal bruto opbrengsten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€     1.844</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Schuldvordering          €        480</para>
                <para>Schuldvordering          €     1.364</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Kosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>     € 148.424 </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Verlies vorderingen    € 148.424</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Terbeschikkingstellingsvrijstelling</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>-/- €   17.589 </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Netto resultaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>-/- € 128.991</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met dagtekening 20 juni 2019 heeft verweerder aan eiser een voorlopige aanslag IB/PVV 2018 opgelegd conform de ingediende aangifte.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Met dagtekening 8 oktober 2020 heeft eiser aan verweerder verzocht om het verlies per 31 december 2018 te verrekenen met de positieve inkomens uit de jaren 2015, 2016 en 2017. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Met dagtekening 24 februari 2021 heeft eiser aan verweerder een ingebrekestelling gestuurd omdat verweerder (nog) niet heeft gereageerd op zijn verzoek van 8 oktober 2020. In deze brief verzoekt eiser om toepassing van de maximale dwangsom.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Verweerder heeft het verzoek van eiser om toekenning van een dwangsom bij beschikking van 24 maart 2021 afgewezen. De tekst van de beschikking luidt – voor zover hier van belang – als volgt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag wordt een eventueel verlies vastgesteld (artikel 3.151 van de Wet IB 2001). U verzoekt derhalve om de aanslag vast te stellen en daarmee een eventueel verlies. Het doen van aangifte is echter geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Een aanslag of verliesbeschikking is derhalve geen beschikking op aanvraag en daarmee is de dwangsomregeling niet van toepassing. Uw cliënt heeft geen recht op een dwangsom ex. artikel 4:17 lid 2 en 3 van de Algemene wet Bestuursrecht.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">U kunt tegen mijn beslissing om uw cliënt geen dwangsom toe te kennen, in bezwaar gaan. Op de volgende pagina leest u hoe u dat doet.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Eiser heeft per brief met dagtekening “mei 2021”, door verweerder ontvangen op 30 juni 2021, gereageerd op de beschikking van 24 maart 2021. Deze brief is door verweerder aangemerkt als een bezwaarschrift. De tekst van de brief van eiser luidt – voor zover hier van belang – als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">In uw brief van 24 maart 2021 schrijft u dat er nog geen aanslag over 2018 is vastgesteld. Echter klient gaf mij telefonisch door dat het V.I. over 2018 op € 0 was vastgesteld en alle voorheffing(en) terug ontvangen waren. Derhalve verzoek ik de ingebrekestelling af te werken.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Met dagtekening 8 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geschil en beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. In geschil is in de eerste plaats of het bezwaar ontvankelijk is. Indien dit het geval is, is vervolgens in geschil of verweerder terecht het verzoek van eiser om toekenning van een dwangsom heeft afgewezen.</para>
      <para />
      <para>3. Eiser stelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser voert aan dat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek om verliesverrekening en dat eisers verzoek om toekenning van een dwangsom ten onrechte is afgewezen. Eiser voert verder aan dat de brief van “mei 2021” door verweerder ten onrechte is aangemerkt als een bezwaarschrift. Volgens eiser hield deze brief een verzoek in om de (eerdere) ingebrekestelling af te werken. </para>
      <para />
      <para>4. Verweerder stelt dat het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn is ontvangen en het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Brief “mei 2021” als bezwaar aangemerkt</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de op 30 juni 2021 ontvangen brief van eiser met onderwerp “Ingebrekestelling” en dagtekening “mei 2021” terecht als bezwaarschrift tegen de beschikking van 24 maart 2021 heeft aangemerkt. Eiser heeft in deze brief namelijk de datum van de beschikking genoemd en heeft verweerder verzocht de ingebrekestelling, waarop de beschikking van 24 maart 2021 betrekking had, af te werken. Ter zitting heeft eiser bovendien expliciet verklaard het niet eens te zijn met de beslissing van verweerder op het verzoek om toekenning van de dwangsom. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ontvankelijkheid van het bezwaar</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken.<footnote-ref linkend="_fd6057d9-c7e1-48ad-b846-695935860ebd" /> Dit betekent dat, met inachtneming van de Algemene termijnenwet, de laatste dag van de bezwaartermijn in dit geval 6 mei 2021 was (6 weken na 24 maart 2021). Verweerder heeft gesteld dat het bezwaarschrift door hem op 30 juni 2021 is ontvangen en eiser heeft dit niet betwist. Dit heeft tot gevolg dat eiser het bezwaarschrift ruim buiten de bezwaartermijn heeft ingediend.</para>
      <para />
      <para>7. Een bezwaarschrift dat na afloop van de termijn wordt ingediend, wordt door het bestuursorgaan niet-ontvankelijk verklaard. Hierop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als iemand redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij te laat bezwaar heeft ingediend (‘verschoonbare termijnoverschrijding’).<footnote-ref linkend="_5d7f312a-2282-4fc2-89b4-7d7ec3d98a8e" /></para>
      <para />
      <para>8. Eiser heeft geen redenen aangevoerd voor de termijnoverschrijding. Niet is gebleken dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, komt rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling toe. </para>
      <para />
      <para>9. Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
      <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. M.A. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier											rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_fd6057d9-c7e1-48ad-b846-695935860ebd" label="1">
    <para> Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d7f312a-2282-4fc2-89b4-7d7ec3d98a8e" label="2">
    <para> Artikel 6:11 van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>